Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Zoovelen dan als wij volmaakt zijn.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Zoovelen dan als wij volmaakt zijn.”

9 minuten leestijd

Zoovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren. Philipp. 3 : 15.

Aan Jezus' vermaan : Weest dan gif lieden volmaakt, hebben zich telkens weer de dusgenaamde Perfectionisten vastgeklemd.

Onder „volmaakt zijn, " verstond men dan: niet - meer zondigen. En dit denkbeeld, om reeds hier op aarde zoo ver te komen, dat men in zijn denken, in zijn spreken en in zijn doen, geen enkel maal meer zondigde, oefende op wie het ernstig met zijn geloof meende, zulk een ongelooflijke bekoring uit, dat de Perfectionisten, waar ze ook optraden, altoos een luisterend oor vonden, en wat meer zegt, meer, dan één tot boete en berouw brachten en met veel zondigs voor een tijd, of ook duurzaam, deden breken.

Het greep zoo aan, als men een gewoon kind des menschen in roerende oprechtheid hoorde betuigen: „Weleer beeldde ook ik mij in, dat ik tot mijn dood toe een zondaar moest blijven, en leefde rustig in mijn zondige gewoonten voort. Maar toen heeft God mij door zijn Woord ontdekt, dat ik volmaakt kon en moest zijn. Zoo heb ik toen op eenmaal de zonde van mij geworpen. En nu leef ik reeds tien en meer jaren, zonder ooit één enkel maal gezondigd te hebben."

Dat hoorende, sprak menig vroom kind van God dan tot zich zelf: Als hij dat kon, waarom zou ik het dan niet kunnen? Het besluit werd genomen. De eerste verzoeking de beste, waarm men anders vaak bezweken was, werd heiliglijk doorstaan. Zoo werden er metterdaad overwinningen behaald, waar dusver nederlaag de regel was geweest. Er was een vrucht des geestes, en men beeldde zich in, er te zijn.

Hier nu was werkelijk winste.

Veel te algemeen toch heerscht onder Christenen nog het verzwakkend en alle geestkracht doodend besef, dat wie bekeerd is, wel met de wereld breekt, den Sabbath houdt, tegen vloe ken is, geen kaart speelt, naar geen komedie gaat, en alle openbare ergerlijkheid mijdt, maar dat de gewone karakter-zonden van jaloesie, van hoogmoed, van geldzucht, en van heimlijke zinlijkheden, behooren tot die inwonende zonden, waar men wel tegen strijdt, maar waar men in dit leven nooit van af komt.

Men sluit dan met zulk sooit zonden een voorzichtig verdrag. Jaren lang leeft men er rustig in voort. Wel ontevreden op zich zelf, dat men er nog slaaf van blijft. Maar ook zich telkens weer troostend met wat immers de Catechismus zegt, dat „zelfs de allerheiligsten in dit leven niet dan een klein beginsel van de ware gehoorzaamheid hebben".

Indien nu zelfs de «//«rheiligsten slechts een klein begin van de gehoorzaamheid hebben, hoe zou het een gewoon kind van God dan in zijn geloofsvrede kunnen storen, indien hij zich zelven bevindt als iemand die nog dagelijks in velen struikelt.

Hoort nu, wie er zoo op toeleefde, zulk een perfectionist roemen, van tien en meer jaren geen enkel maal meer gezondigd te hebben, dan raakt dat zijn conscientie, hij voelt er zich door veroordeeld, en voor meer dan één is zulk een perfectionist het middel in Gods hand geweest, om hem wakker te schudden, en met deze of gene inwonende zonde, waaraan hij verslaafd was, soms voor goed te doen breken.

Zoo velen dan als we volmaakt zijn, klonk het dan in zijn ziel.

En na die ééne zonde te boven te zijn ge komen, beeldde hij zich dan in, — en hierin lag de fout —• een volmaakte geitwrden te zijn.

Hier nu voegt het uiterste der voorzichtigheid. Predikt men, dat al Gods kinderen zondaren blijven tot aan hun dood toe, dan misbruiken de zwakke zielen zulk een prediking, om tot aan hun dood toe, in wat ze hun kleine zonden noemen, te blijven voortleven.

En predikt men omgekeerd, dat we in de kracht Gods de zonde kunnen te boven komen, dan geven de wettische zielen zich aan den waan over, dat ze, aan deze en die bepaalde zonde niet meer toegevende, de zonde te boven zijn.

De laatsten vergeten dan, wat de psalmist aldus uitdrukt: „Heere, in alle volmaaktheid heb ik een einde gevonden, maar uw gebod is zeer wijd." Ze zien voorbij, dat ge, na bij kaarslicht uw kleed te hebben afgestofd, en denkende dat het nu rein is, zoodra het zonlicht opgaat, er nog allerlei overgebleven stof op ontdekt. Of beter nog gezegd, ze merken er niet op, dat, al veroordeelt ons eigen hart ons niet. God meerder is dan ons hart, en dat we daarom met den Psalmist hebben te bidden om vergiftenis ook voor de ver borgen afdwalingen, d. w. z. voor allerlei zonden, waarvag we zelven niet merken, dat we er aan schuldig staan.

Die zoo oordeelen, zijn de wettische zielen, dat zijn dezulken, die alleen zonde zien in wat ze zelven voor zonde houden, en die er geen vermoeden van hebben, dat Gods heilig oog veel scherper doordringt, en zonde allerwegen ziet, waar wij roemden in onze reinheid.

Al spreekt het dan ook van zelf, dat zij, die, als kinderen Gods, hun karakter zonden en heimelijke zonden koesteren blijven, hierin laffelijk hun geloof verzaken, en er zelven schuld aan zijn, dat ze, o, zooveel genade verbeuren; en al heeft men volle recht, om denzulken aan te zeggen, dat ze met al zulke zonden der gewoonheid zeer wel kunnen en moeten breken; toch mag nooit de waan worden gevoed, alsof daarmee de zonde voor altoos in hen overwonnen ware, en alsof ze daardoor nu volmaakten waren geworden.

Zijn eenmaal die hun zeer - wel bekende zonden opgeruimd, dan blijken daarachter nog zoovele andere zonden te liggen, en achter die nog weer zoo vele diepere zonden, dat het waken, bidden, strijden, nooit op kan houden. En het verderfelijkste van onze karakter-of gewoonheidszonden is wel, dat ze ons zoo gestadig bezig houden, dat we heel het veld van die andere zonden nooit recht ontdekken.

Het wecst, niet wordt volmaakt, raakt heel uw positie, waarin ge tegenover de zonde staat. Hier is drieërlei.

Er zijn er die de zonde liefhebben, en aan haar bot vieren, zoo dikwijls de gelegenheid schoon komt; hoogstens door de publieke opinie van het ergste weerhouden.

Er zijn er, die weten dat de zonde slecht is, en toch er zulk een heimelijken lust aan hebben, dat het hun pijnlijk aandoet, als ze er mee breken moeten, en die daarom met hun conscientie een verdrag sluiten, dat dit en dat niet mag, maar dat zekere mate van zonde er nog even mee door kan.

Maar er is ook een derde positie, en dat is de volmaaktheid, als ge de zonde als zonde met al de bitterheid van uw hart haat, ze als giftige kleefstof mijdt, en ontvliedt als een wild dier dat u verscheuren wil.

Nu is het volstrekt niet zeker, dat God u, ook al neemt ge deze beste positie in, niet eiken dag op zonde betrappen zal.

Wie in zijn zondagskleed langs beslikte straten moet loopen, heeft alle kans bespat te worden, hoe voorzichtig hij ook voet voor voet neerzette. Maar geen oogenblik heeft zulk een bespat willen zijn. Geen oogenblik schonk die bespatting hem genot. Veeleer hindert hem het kleinste spatje. En aangekomen waar hij zijn moest, schudt en wrijft en borstelt hij zijn kleed, om er elk spatje af te krijgen

En hierin steekt al het verschil.

Bij den één is het, hoe bedektelijk ook, de vraag, hoeveel van de zondige dingen in zijn leven er desnoods nog wel mee door kunnen. Een uitrekenen, dat dit en dat al te erg zou wezen, en dus niet mag. Maar dat dat andere, zonder nu bepaald goed te wezen, door God toch niet zoo hoog zal worden opgenomen, dat Hij ons daarom verwerpen zou.

Eigenlijk dus een liefhebben van de zonde, en het een offer aan God gebracht vinden, als men van zekere dingen afstand doet om Zijnentwil.

Het niet zeggen, maar toch eigenlijk meenen, dat men God nog genadiger zou vinden, als Hij ons in vele dingen niet tegenstond, maar ze in ons toeliet en duldde. En nu dat niet zoo is, het wel om Gods wil laten willen, maar toch bedoelen, dat God het dan in ons ook niet zóo hard veroordeelen moet, zoo we een enkel maal onze oude zonde nog eens troetelen.

Dit alles is dus het standpunt van iemand, die eigenlijk in de zonde nog iets begeerlijks speurt, er noode van scheidt, en er een ojftr in ziet, als hij ze varen laat.

En daartegenover staat nu de volmaakte. Let wel, een die volmaakt is, gelijk de Vadet in de hemelen volmaakt is.

Iemand, die nog dagelijks struikelt, iem.and die nog telkens op genade moet pleiten, iemand die nog slechts een klein, o, zoo klein beginsel der gehoorzaamheid heeft; maar die toch volmaakt is gelijk God zelf volmaakt is. Hoe dit kan?

God haat de zonde; Gods heiligen daarboven hate7i de zonde; de goede engelen haten de zonde. En daarentegen, die de zonde niet haten, maar heimelijk of in het openbaar minnen, koesteren en troetelen, dat is satan, dat zijn de gevallen engelen, dat zijn de zondaren op aarde, die nog zondigen uit lust.

Staat gij hierbij aan den kant van satan, van de demonen en van de zondaren, dan zijt ge nog een vijand Gods.

En daarentegen, staat ge ten deze aan den kant van God, van de heiligen daarboven, en van de goede engelen, dan zijt ge volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is, want dan is ook voor u de zonde niet meer een schoothondje waarmee ge speelt, maar een ondier, waar ge diepen afkeer van voelt, dat ge vreest, dat ge haat, en dat ge mijdt en ontvliedt.

Dan zult ge eerst die zonde nog alleen zien in zeer grijpbare zonden, die als een adder of pad u vergiftigen willen, en ge zult ze van u slingeren of doodtrappen, en wanen dat ge er nu van bevrijd zijt.

Maar, zoover gekomen, zult ge dan ontwaren, hoe diezelfde zonde ook als microscopisch ongedierte, in den vorm van microben en bacillen, tot in uw bloed sloop. En rusteloos zal uw strijd doorgaan.

Ge zult volmaakt zijn, en toch met Paulus uitroepen: „Niet dat ik aireede volmaakt ben, maar ik grijp er naar."

Immers dan zult ge het verstaan, dat het heel iets anders is, of ge spreekt van den wortel, of van de twijgen, en dat die wortel zeer wel gaaf, gezond en volmaakt kan zijn, ook al is de opgeschoten stam, en al zijn de uitgeschoten twijgen nog door allerlei onvolkomenheid ontsierd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juli 1901

De Heraut | 4 Pagina's

„Zoovelen dan als wij volmaakt zijn.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juli 1901

De Heraut | 4 Pagina's