Pessimisme.
Waar het Christelijk geloof weggaat, daar maakt de .wanhoop zich meester van het hart. Wat de Apostel schrijft van de Heidenen in zijn dagen, dat ze waren zonder God en daarom zonder hope in de wereld, geldt van het moderne heidendom evenzeer. Waar Gods vriendelijk aangezicht ontbreekt, daar verdooft alle glans van vreugde en overdekken donkere wolken den hemel. En in den donkeren nacht, die dan daalt, schijnt niet één vriendelijke ster meer, die profeteert van blijder dag. Pessimisme en atheïsme zijn onverbrekelijk verbonden.
Dat wil niet zeggen, dat de mensch, die met zijn God heeft gebroken, daarom niet een tijdlang in de wereld der zinnelijke lusten zich een zwij meidrank van schijngenot bereiden kan. Maar zoodra de roes van opwinding voorbij is, en de mensch weer staat tegenover de werkelijke ellende om zich heen en tegenover de leegte en holheid van zijn eigen hart, komt scherper nog dan te voren het gevoel van eindelooze smart over de ziel. En ten slotte wordt dan die smart zelf, het wegzinken in dien afgrond van weemoed en droefenisse, de eenige troost, die het arme menschenkind overblijft.
Zóó luidde de profetie der Christelijke kerk. Ze wees van te voren uit innerlijke ontferming op wat uit de breuke met God onvermijdelijk volgen moest. Daarom toornde ze tegen een ongeloof, dat, na den mensch het beste en edelste ontstolen te hebben, hem niet anders in de plaats gaf dan de wanhoop der ellende.
Toont niet de uitkomst, hoe droef deze profetie in vervulling gaat.?
In onze krankzinnigengestichten is geen plaats meer open, omdat elk jaar het aantal der ongelukkigen op schrikbarende wijs toeneemt, die, geen vastheid meer hebbend in God - en Zijn Woord, door de .stormen van het leven geestelijk zijn geknakt.
Het cijfer der zelfmoorden klimt aldoor, en wie het donkere floers ophcht, dat over zoo schrikkelijk uiteinde ligt gespreid, vindt levensmoeheid op den achtergrond.
En het lied, dat van de harp onzer jonge dichters ruischt, is geen lied vol hooge, heilige bezieling, prikkelend tot edele daad, maar een e profundis, een klaagzang uit de diepte, vertolkend wat in duizenden harten zwijgende geleden wordt. .
Men ho..re, hoe in de Nieuwe Gids in een sonnet, gewijd aan de smart, deze sombere stemming op aangrijpende wijze zich uit:
»0, arm, bedrogen menschenkind, laat sf! Geen dwaze schijn doe u het oog verblinden ; Dat veelgezochte, waar uw hart om bloedt, Dat éénig blijvende, dat hoogste goed, Dat wankellooze — is in uzelf te vinden: De Smart — zij blijft u trouw tot in het graf!"
De Smart, het éénig blijvende, het onwankelbare, het hoogste goed, de nieuwe God, waarvoor dit moderne heidendom knielen wil. Een God, die niet leidt naar de eeuwige vreugde van het Paradijs, maar naar de donkere diepte van het graf, waar stof tot stof wederkeert.
Hoe heerlijk schittert tegenover dit ongeloofs-evangelie het geloof der Christelijke Kerk, dat in het stuk der ellende niet minder diep dan het pessimisme de wonde van het menschelijk hart peilt, maar daarna uit die diepte opklimt naar de bergen van Gods heiligheid, het jubellied der verlossing zingt bij Golgotha's kruis en eindigt met in het dankgebed den God des levens aan te roepen als „Onze Vader, die in de hemelen is."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1901
De Heraut | 4 Pagina's