„De blaasbalg is berbrand.”
De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zoo vlijtiglijk gesmolten, dewijl de boozen niet afgescheiden zijn. Jeremia 6 : 29.
De blaaste/^, (zooals ons volk, aan geen af leiding zich storend, nog steeds voor ]a\.a.asbalgz zegt) was vroeger in elk gezin, en in elk vertrek i schier, een huismeubel. Toen de open haard b nog regel, en de brandstof min fel in gloed was, tnoest het doffe vuur, zou het opgloeien, zoo bij tijden met de blaasbalg worden aangeblazen. Dan zoog de blaasbalg lucht, en daarmee zuurstof in, en die met zuurstof bezwangerde lucht werd dan met kracht in den haard gedreven, en zoo vlamde in een oogwenk het blok of de turf die te smeulen lag, op.
Thans hoeft dat niet meer. Een goed gebouwde kachel stelt in staat om vanzelf den luchtstroom over de brandstof te leiden, en zulks getemperd of fel. En dan is de kool meer dan hout of turf tot straffer gloeien geneigd, zoodat in steden althans het nu levend geslacht aan den blaasbalg onzer ouders ontwend is, en den balg alleen nog kertt uit de smidse, of uit wat men de blaascylinder noemt bij onze hoogovens.
Maar nog in bruik of in onbruik geraakt, de blaasbalg blijft voor wie bij de Schrift leeft zinbeeldige beteekenis behouden, want de Schrift heeft in den blaasbalg zinbeeldige beduidenis gezien, en éen van Israels geestelijke krankheden ons daarin geteekend, dat de blaasbalg verbrand was, en dat meê daarom de Heere zijn volk verworpen had.
Die blaasbalg is het symbool van de geestdrift. Zoolang er geestdrift in een natie en geestdrift onder het volk des Heeren leeft, is er behoudenis. Maar komt het fatale oogenblik dat de geestdrift ophoudt de hoogere temperatuur in stand te houden, zoodat de walm de vlam verstikt, wat branden moest dof verkoolt, en wat gloed moest uitstralen niets dan rook uitslaat, dan zinkt een volk in als natie, en is het volk des Heeren er aan toe, dat het van zijn God wordt verworpen.
Nu kan de blaasbalg ophouden te werken uit drieërlei oorzaak. Hij kan schetiren, dat er geen lucht meer in wordt opgezogen. De trekker kan ontbreken, dat de balg nog wel deugt, maar er niemand is, die hem werken doet. Maar ook de balg kan verbranden.
Dat laatste nu geschiedt als de geestdrift in fanatisme overslaat, of om bij het beeld te blijven, als de.smid zijn vuur zoo onverstandig opzet, dat het vuur, den smeltoven uitslaande, den blaasbalg zelf aantast; en het is dit laatste waarvan de profeet betuigt: „De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd, te vergeefs heeft de smelter met zooveel inspanning gesmolten. De boozen zijn niet afgescheiden. Men noemt ze een verworpen zilver, want de Heere heeft ze verworpen."
Er is geestdrift ook buiten het heilige, geestdrift in-den jongen man die dweept met zijn idealen, geestdrift in den held die dweept met zijn vaderland, geestdrift in den jonge dochter die dweept met de toewijding der liefde. En reeds die geestdrift is schoon, want ze bezielt, ze verheft, ze verdubbelt onze kracht, ze doet ons in dit alledaagsche leven Zondagsgloed in het hart behouden.
Maar toch heeft de geestdrift op het heilig gebied nog hooger beduidenis.
Geestdrift is, als er een geest is die u drijft; en nu kan dat zijn de geest van het ideale, het kan wezen de historische geest van het vaderland, het kan ook zijn de geest der toewijding; en als er twee zijn, waarvan de één voor het drijven van dien geest onaandoenlijk blijft, en de ander door het drijven van dienzelfden geest wordt opgetild en voortgedreven en in actie gezet, dan is die door den geest gedrevene tienmaal gelukkiger, tienmaal rijker, tienmaal aantrekkelijker persoon.
Maar hooger toch nog staat hij, die door den Geest gedreven wordt. Nu niet in den zin dier geheel eenige inspiratie en dier geheel buitengewone geestesdrijving die aan profeten en apostelen te beurt viel. Dat alles toch ligt in de sfeer der wonderen en is geen gemeen goed van Gods kind. Neen, bedoeld is die drijving van den Geest, die door de inwerking van den Heiligen Geest, van binnen uit heel ons leven, heel ons optreden, ons woord, en onze daad bezielt.
De tegenstelling met den platonischen Christen, die o, ja, wel belijdt, en wel voor Jezus is, maar voorts zitten blijft waar hij zat, en niets voelt noch merkt ran een innerlijke drijving, die hem in actie zet, met ijver vervult, en zichzelf overtreffen doet in den dienst zijns Heeren.
Dan is het hart van dien platonischen Christen gelijk aan een rookenden haard, waar een nat blok hout in ligt te rooken, en het hart van wie door den Geest bezield, in gloed gezet en gedreven wordt, gelijk aan een vlammend vuur dat door den blaasbalg in gloed is gezet.
Dit nu wat van den enkele geldt, geldt ook van de kringen waarin de Christenen saamleven.
Vergelijking tusschen stad en stad, tusschen dorp en dorp toont u ook daarin dezelfde tegenstelling.
De éene maal een kring van bezielde, volijverige, warme, kloeke strijders voor den naam des Heeren, de andere maal een groep van gerusten in Sion, die boven hun kerkportaal schrijven, dat het hier een Christelijke kerk is, maar voorts geen sprank van hooger Christelijk leven uit hun doffen, matten, lauwen, geesteloozen kring laten uitspatten.
Dan wordt het ten leste een gemeente van schimmen, doodsch en ingezonken, tot eindelijk de laatste vonk in den haard zieltogend uitdooft, en er niet dan kool en sintels overblijven. Helaas, zijn ze niet bij namen ook in ons vaderland te noemen, gemeenten, die eens een lof en sieraad voor den, naam des Heeren waren, en die sinds geheel zijn uitgestorven, dat er niet één die priesterlijk bidden kon overbleef?
Dat kwam dan, omdat er door valsche leer een scheur in den blaasbalg kwam, dat er geen drijving des Geesles meer kon uitgaan. Oftewel, omdat de blaasbalg wel heel bleef, maar de man ontbrak die aan den blaasbalg trok. De prediker geen priester des Heeren, maar een sneeu wman.
Maar nu het derde, het geval dat de blaasbalg verbrandt.
Dan begint het met den Geest. Ieder in de gemeente opgewekt, bezield, volijverig; maar zoo, dat ongemerkt öz/^rspanning insluipt; dat het een jacht maken wordt op een geestelijk exces; dat de één in geestelijke spanning den ander poogt te overtreffen, en dat men spreekt en handelt, niet omdat de Geest drijft, maar geestelijke drijving vormt en nabootst, om zelf te genieten eerst, zelf eere bij menschen te hebben daarna.
Dan gaat wat met geestdrift begon, al spoedig over in opwinding, in ziekelijk dwepen, n ten slotte in alles verterend fanatisme, een vleeschlijke in plaats van t^xi geestelijke drijving.
En dan komt ten leste het oogenbhk, dat men elfden gloed dien men ontstak, niet meer meester is, en dat het vuur dat laaie opsloeg, den blaasbalg zelf bereikt, in vlam zet en verteert.
Dat is met de naaktloopers in Amsterdam, at is met Jan van Leiden te Munster, dat is o^ onlangs in Appeltern, en nu weer in Londen ezien, in het proces tegen de orde van den Golden Dawning, welks priester zich voor Chrisus uitgaf en onnoozle jonge dochters in de trikken van zijn wellust ving.
Steeds blijft het daarom voor de Gemeente an Christus, voor elk Christelijk gezin, en voor eder onzer persoonlijke eisch, dat we het echte uur van het valsche vuur onderscheiden, en ven ernstig de echte drijving des Geestes zoeen, als de knettering van de valsche geestdrift egengaan.
De blaasbalg mag niet ontbreken; want eiken ag hebben we er behoefte aan, dat hooger ucht wordt ingezogen en wordt ingeblazen in| lle katners en schuilhoeken van ons hart.
Het is geen Christelijk huisgezin, waar die eilige geestdrift niet gekend wordt, het is geen emeente van Christus, waar die hoogere gloed ich niet toont op het gelaat.
Maar ook zie toe, dat uw geestdrift niet geaakt, dat ze niet gekunsteld, dat ze niet naebootst, en uit uzelven in plaats van uit uwod zij.
Sata, n poogt ook hierin God na te bootsen, at hij u zijn geest inblaast, u diets makende at het de Geest des Heeren is.
En toch, dan alleen ontsteekt de geestdrift en heilig vuur, als het wel waarlijk de drijving an den Geest des Heeren is die in u werkt.
Alleen van het zoo ontstoken vuur is de lam helder, zuiver en doorzichtig.
Een vlam, die u koestert en u niet verteert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1901
De Heraut | 4 Pagina's