Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eeredienst.

9 minuten leestijd

LXXVI.

Tusschen het Amen dat de predicatie besluit, en het Nagebed, behoort een korte pauze in te treden.

Dit is noodig voor den prediker, die, in het slot zijner predicatie tot de meest bezielde, hoogste uiting van zijn woord gekomen, een stillen overgang behoeft om tot den stillen toon des gebeds af te dalen. Niets toch is onbetamelijker, dan dat de prediker in de soms opgewonden stemming van het slot zijner predicatie, in het gebed overgaat, zonder dat er verschil in toon en taal is te merken. Op die manier wordt het nagebed een verlengstuk van de preek, alleen in wat anderen vorm. Het is, of hij, na eerst de gemeente te hebben toegesproken, nu ook den almachtigen God gaat toespreken, en dat doet, alsof er tusschen het spreken tot de gemeente en het spreken tot God den Heere, ternauwernood onderscheid bestond.

Men voelt, dit voegt niet. Op die wijs is het geen bidden. Zoodoende komt het gebed niet tot zijn recht.

Van daar de noodzakelijkheid, om, is de predicatie ten einde, een oogenblik pauze te laten intreden. Niet te lang. De gemeente moet niet ongeduldig worden. Maar toch een pauze van een anderhalve minuut. Al leen zoo komt de prediker tot zich zelf Alleen zoo kan zijn stemgeluid de overgang maken uit den hoogen toon in de diepte van den toon des gebeds. En ook kan alleen op die wijs zijn geest in de verootmoediging voor zijn God ingaan, om den Koning der koningen niet anders dan met stillen eerbied te naderen.

Ook voor de gemeente is zulk een korte pauze noodzakelijk. Bij een aangrijpende predicatie hield vooral het boeiend slot de gemeente in spanning. Ze is meegenomen. Ze is aan eigen denken ontrukt en door de gedachte van den prediker meegesleept. Ze werd onder het langdurig hooren tenslotte geheel passief. Doch juist dit mag de gemeente in het gebed niet zijn. Ze moet zelve meebidden, en dus actief zijn. Was ze tot op het Amen geboeid door den prediker, nu moet aller gedachte en bezinning zich van den prediker richten op den Heere God. Dit nu vormt zielkundig een overgang, en die overgang eischt een oogenblik pauze.

Hoe beslist die overgang uit het leven in het gebed en uit het gebed in het leven meespreekt, kunt ge zelf aan uw disch ontwaren. Als er door het hoofd van het gezin overluid gebeden werd, en onder het gebed aller oog gesloten en aller handen toegevouwen waren, en het Amen besluit het gebed, dan is er het eerste oogenblik, als de oogen zich weer ontsluiten en de handen zich weer ontvouwen, bij de meesten zekere verlegenheid. Het is of men niet recht weet, hoe uit de gebedsgestalte in het gewone leven over te gaan. Machinaal grijpt dan de een een vork of lepel, of trekt vrij links de handen terug. Dit nu komt alleen daar van daan, dat men verzuimt een kort oogenblik pauze te laten intreden, en nu den overgang uit het gebed in de gewone gestalte te plotseling, en daardoor onnadenkend wil doen intreden.

Zal dan ook het nagebed weer worden, wat het naar de oorspronkelijke bedoeling van de Liturgie zijn moet: een gebed voor allen nood der Christenheid, dan is zulk een korte pauze niet alleen voor den prediker, maar ook voor de gemeente dringend noodig. Men ziet dan ook, hoe in de kerk, als de predicatie uit is, bijna ieder zekere beweging maakt met hoofd of handen, of half gaat verzitten. Een machinale beweging, heel de kerk door, maar die zielkundigen oorsprong heeft. Het is een poging om uit stemming in stemming over te gaan. Bij de mannen gaat dit natuurlijker, omdat zij meest voor het gebed opstaan, maar bij de vrouwen komt de overgang van stemming in stemming meest niet anders uit, dan in zeker half verzitten gaan, of in een zacht fluisteren van een kort woord tot buurvrouw, om den indruk der predicatie weer te geven.

Deze natuurlijke neiging nu om een overgang te zoeken, moet de prediker niet verijdelen, door al te snel met het gebed in te vallen. Hij moet aan de gemeente een oogenblik tijd geven, om uit de ééne stemming en uit de ééne positie in de andere over te gaan. Men merkt vanzelf of de gemeente weer tot rust is gekomen, en zich schikt tot het gebed. En bezit de prediker dan de kalmte van de zelfbeheersching, om ook nadat de gemeente de oogen sloot en de handen vouwde, nog een kort oogenblik stil en sprakeloos met de gemeente voor haar God te staan, om eerst daarna met zachte stem het gebed aan te vangen, dan mag hij hope koesteren, van én zelf in de stemming des gebeds te komen, én zijn gemeente in de gebedsstemming meê te nemen.

Niemand zegge daarom, dat zulk een opmerking onbeduidend is. Bij den eeredienst moet goede liturgische leiding juist strekken om de stemming der gemeente te doen zijn, wat ze voor elk deel van den dienst zijn moet. Dit nu eischt studie, en hier met name zielkundige studie. Een gemeente er toe te brengen, dat ze onder het bidden metterdaad bidt, is van het hoogste gewicht; en juist omdat het hierbij op de bestaande stemming van het gemoed aankomt, is de prediker verplicht, zich af te vragen, waardoor de stemming des gebeds verhinderd wordt, en waardoor ze wordt bevorderd.

Wat nu het nagebed zelf betreft, zoo toont het gebed dat in onze Liturgie staat, zoowel in zijn ouderen kortsten vorm, als in zijn latere uitbreiding, dat het niet bedoelt een korte resumtie van de predicatie te zijn.

Reeds het feit, dat onze vaderen één vast gebed „voor den middag na de eerste predicatie" aan de kerken aanboden, bewijst dat dit hun bedoeling niet kon zijn. Een gebed toch, dat zich aan de predicatie zal aansluiten, zou eiken keer anders moeten zijn, omdat de predicatie gedurig verschilt.

Kennelijk was dan ook de bedoeling van onze vaderen, om dat gebed tot een zelfstandig deel wan dtn „dienst der gebeden" te maken.

Wel heeft ook het nagebed een geestelijke inleiding. Het begint met een uitgieting der ziel, met een belijdenis, met een stille verootmoediging voor den Heilige, en met een inroepen van zijn genade in Christus. Toch strekt die inleiding meer om den grond des gebeds naar het heilig paslood te leggen, opdat men indenke, wat ons recht geeft om te bidden, en welke de grond is, waarop we onze gebeden rusten doen. Geheel het verband toont dan ook duidelijk, dat het eigenlijke nagebed eerst begint, als die inleiding ten einde is, en men toekomt aan de woorden: En overmits het U behaagt dat men bidde voor alle menschen, zoo bidden wij U dat Gij nw zegen wilt geven enz.

Daarop volgt dan een breede reeks van voorbeden: i". voor den dienst der kerken; 2". voor de gemeente; 3". voor de wereldlijke Overheden; 4''. voor hen die om des geloofswil vervolgd worden; en 5". voor de nooden des gemeenen levens, en dit laatste wel in twee deelen, ten eerste voor hen die in lijden, in nood, in angst, kortom in geestelijke of lichamelijke ellende zijn, en ten andere voor den geregelden gang van het leven der menschen onder de gemeene Gratie, zoo in de natuur, als in het menschelijk bedrijf. Deze voorbeden worden dan besloten door het Onze Vader, en uit het Onze Vader gaat de gemeente over in de belijdenis, door, nu niet voor menschen maar voor God, in het gebed belijdenis te doen van de Artikelen des geloofs.

Hierbij zij al aanstonds ongemerkt, dat zulk een nagebed uitgaat van de overtuiging, dat de gemeente geroepen is een priesterlijke taak te vervullen. Zij als gemeente verstaat wat bidden is. Zij als gemeente heeft den toegang tot den Troon der Genade. Zij als gemeente leeft in het besef, dat ze om Jezus wil van den Vader verhoord wordt.

Ze staat alzoo in de overtuiging, dat haar een taak is opgedragen, die alleen zij vervullen kan. Ze leeft in het midden van een wereld, die aldus niet bidden kan en die toch ook op haar beurt aan het gebed zoo dringende behoefte heeft. Welnu, wat de wereld niet vermag, dat kan en vermag de gemeente van Christus. Zij heeft de priesterlijke zalving. Zij mag tot God naderen. En zij mag tot God bidden niet alleen voor het geestelijk leven in eigen kring, maar ook voor die wereld in wier midden ze verkeert.

Het is zoo, ook op zich zelf staande kunnen de kinderen Gods ieder voor zich alzoo bidden in de eenzaamheid of met elkaar in gezelschappen, en zij doen dat ook. Maar toch, dat is nog het gebed der gemeente niet. En terecht is van oudsher begrepen, dat als de geloovigen saam vergaderen, en ze naderen voor het aangezicht-des Heeren, dat dan eerst de priesterlijke dienst der voorbede tot zijn volle recht komt.

Dat dit hoog besef nu veelszins uitsleet, is volkomen waar. De roeping om alzoo priesterlijken dienst te vervullen, wordt weinig meer gevoeld. Wat eigenlijk de dienst des gebeds is, wordt zelden meer verstaan. Er moet helaas bijgevoegd, dat in tal van kerken de voorbede verstomde, althans in dien geordenden en vasten zin, waarin ons nagebed die regelt.

Het langst bleef die voorbede nog voelbaar in de speciale voorbede, door een kranken broeder of een uit het krankbed herstelde zuster aangevraagd. Doch toen men, in groote kerken vooral, ten slotte ganschelijk niet meer wist wie die broeder, of wie die zuster was, verloor ook hierbij de voorbede in eigenlijken zin, haar aangrijpende en tot meebidden prikkelende beteekenis.

Stellig zijn we ten deze bij de dagen onzer vaderen spoorslags achteruitgegaan, en kalme herlezing van het lange nagebed zegt ons, dat de kerken van destijds toch hooger moeten gestaan hebben, toen men heel het land door eiken Zondag aldus bad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1901

De Heraut | 4 Pagina's