Scheurep’s Hospitaal.
Het vijfde jaarverslag der vereeniging „Dr. Scheurer's hospitaal", dat thans wel aan alle leden zal rondgezonden zijn, zoodat een bespreking in de pers niet te voorbarig mag geacht worden, geeft een blik op den verrassenden bloei en krachtsontwikkeüng dezer jeugdige vereeniging.
Het getal harer leden werd in vijf jaren tijds bijna verdriedubbeld, en haar ontvangsten stegen nog eens zooveel en bedragen het zesvoud van wat in het eerste jaar werd saamgebracht.
Er zit dus schot in dit jonge boompje. Ongetwijfeld is dit daaraan te danken, dat deze vereeniging door haar dienenden arbeid tevens een uitnemend middel is gebleken, om de belangstelling voor den zendingsarbeid aan te vuren en wakker te houden bij ons volk.
Het verslag slaat in dit opzicht den juisten toon aan.
Hetgeen hier in Nederland gedaan wordt, treedt geheel op den achtergrond; de blik wordt gericht op onze Oost en de lezers worden ingeleid in het Zendingswerk, in het Petronella-hospitaal, in hetgeen daar doorleefd, genoten en geleden wordt.
En dit geschiedt op zulk een gezelligen, onderhoudenden toon, met zooveel bijzonderheden, die de aandacht boeien, dat van een droog verslag hier geen sprake is en wie de eerste bladzijde leest, niet ophoudt voor de laatste ten einde is.
Ge krijgt eerst een overzicht van de verrassende uitbreiding, die onze Zending in Indië kreeg, dank zij den „nieuwen koers", die te Middelburg werd ingeslagen. Dan een keurig verhaal van de reis en aankomst in Indië der beide verpleegsters, die aan Dr. Scheurer ter hulpe door Amsterdam's kerkeraad werden toegevoegd. Vervolgens wordt ge ingeleid in het hospitaal zelf; ge leeft mede zoowel in den schrik en ontroering door de uitbarsting van den Keloet ook in Jogjacarta teweeggebracht, als in de feeststemming, die er hcerschte op den huwelijksdag van onze Koning'n. En eindelijk krijgt ge niet alleen uit liberale Indische bladen, maar ook van onze uitnemendste Christenmannen in Indië te hooren, welk een indruk het hospitaal maakt en welk een zegen daarvan voor de iniandsche bevolking uitgaat.
Als proeve van den rijken inhoud deelen wij hier mede de beschrijving van den Javaanschen Nieuwjaarsdag;
„Bij gelegenheid van het Javaansche nieuwjaar verzamelen zich de adel en de prinsen op het groote plein van den Kraton, om den Sultan hulde te brengen. Deze zit op een vergulden stoel naast den Resident. De hulde bestaat in een speech, terwijl allen gehurkt zitten en „sembah" maken, dat is de handen s'nel tegen elkander aanleggen en aan den neus brengen. Dit is een echt Javaansche gewoonte (adat) en hier in Jogja, een typisch Javaansche stad, nog zeer in zwang. Dit doen patiënten voor ons ook wel, als ze iets zeer beleefd willen vragen.
De plechtigheid begint echter niet hiermede. Het plein is verbazend groot, en overdekt met hurkende Javanen, wachtend op den stoet van den Sultan, die weldra uit den Kraton te voorschijn komt en zich naar de zetels op het plein begeeft. Voorop gaat de lijfwacht in zonderlinge kleeding met geel gemaakte armen en beenen; dan volgen de de dienaren, allen met ontbloot bovenlijf en loshangende haren, waarin veeren of bladeren gestoken zijn. (De mannen dragen hier lang haar, dat gewoonlijk opgestoken in hun hoofddoek is verborgen.) Achter hen komen een vijftiental geel gemaakte dwergen, wanstaltig om aan te zien, sommige niet grooter dan een jongen van 3 jaar. Deze dv/ergen mogen in de omgeving van den Sultan wonen en worden op zijn kosten onderhouden. Zijn deze voorbij, dan komen de prinsen (behalve den kroonprins), werkelijk fraai gekleed en met intelligente gezichten. En eindelijk verschijnt de Sultan zelf aan den arm van den Resident, terwijl een geheel gouden pajong (parasol) boven hun hoofd wordt gehouden. De Sultan is in bijzonder costuum: blauw peluche buisje, een kris van achteren in den gordel gestoken, een bonte broek, waarover halverwege een sarong, die in twee slippen wordt opgehouden door een zijner dochters. De andere dochters, ongeveer 20 in getal, volgen onmiddellijk en dragen fraaie voorwerpen, waarin de sirih voor den Sultan zich bevindt enz. enz. Daar zij niet herkend mogen worden, zijn zij allen precies eender gekleed, tn donker-mosgroen peluche kabaja, met mooie goudgestikte ceintuurs en halsbanden, terwijl hun gezichten geel zijn geschilderd met geteekende wenkbrauwen, en verder zóo bijgewerkt, dat werkelijk de eene van de andere niet te onderscheiden is. En ten slotte volgt de kroonprins in 't zelfde costuum als dat van den Sultan, aan den arm van den assistent-Resident. Is iedereen gezeten en gehurkt, dan beginnen de troepen van den Sultan te defileeren. De verschillende afdeelingen zijn gekleed in Europeesche costuums uit den tijd der Oost-Indische Compagnie. D; ze costuums zijn steeds zorgvuldig bewaard en komen alleen bij deze gelegenheid te voorschijn. Daar ziet men hellebaardiers in de kleuren van Amsterdam, waarbij de bruine gezichten vreemd afsteken, ginds eenige mariniers, enz. De muziek, die er bij ten beste wordt gegeven, is voor Hollandsche ooren niet zeer welluidend. Niemand loopt in de pas, en daarbij allen zoo langzaam mogelijk. Voor den Sultan gekomen, groet de vlag en dan gaan zij heen. Bepaald aardig zijn de lansiers met hun enorme lansen, waarmede ? ij tandakken (een Javaanschen dans uitvoeren), zeer kunstig en mooi om te zien; alleen het past in 't geheel niet bij dit Europeesche, antieke krijgscostuum.
Deze optocht duurt ongeveer een uur. Dan komt ten laatste de olifant, die altijd in den Kraton verblijf houdt, voor de gelegenheid mooi opgetuigd. Deze gaat ook op de knieën liggen en bootst de sembah na, door zijn snuit driemaal aan 't voorhoofd te brengen.
Is dit alles geschied, dan wordt er port opengetrokken, en brengen de Resident en de Sultan toasten uit op de Koningin, den Resident, den Sultan en de Sultana, en hiermede is de plechtigheid afgeloopen."
Ons dunkt dat dit verslag, en daarom vestigen wij er zoo uitvoerig de aandacht op, iets te zeggen heeft aan de Kerkeraden onzer „zendingskerken".
Om belangstelling voor de Zending te wekken bij ons volk, is het niet voldoende, dat er af en toe gecollecteerd wordt, of in het gebed op den kansel aan den uitgezonden Dienaar wordt gedacht en voorts alles binnenskamers in de Kerkeraadsvergadering wordt afgehandeld.
Ook het publiceeren zoo nu en dan van een ingekomen schrijven van den uitgezonden Dienaar in een kerkbode of zendingstijdschrift geeft niet genoeg.
De gemeente zelve moet meeleven in den arbeid van haar Zendingsdienaar. Ze moet weten, wat hij in Indië doet, hoe de toestanden daar zijn, met welke moeilijkheden hij daar te worstelen heeft, welke vruchten op zijn arbeid worden gezien.
Eerst dan wordt het gebed op den kansel en in de huiskamer meer dan een ijdele formule. En de gave voor de Zending zal er door verdubbeld worden.
Zou — het is slechts een vraag, die wij stellen — niet het beste middel daartoe zijn, dat de Kerkeraden jaarlijks een verslag rondzonden aan alle gemeenteleden, even onderhoudend en belangrijk als dit verslag van de Scheurer's vereeniging is.?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1901
De Heraut | 4 Pagina's