Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

»Gereformeerde beginselen.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

»Gereformeerde beginselen.”

16 minuten leestijd

VII.

Er is dus geen geschil over de vraag, of de Kerk van Gods wege de roeping heeft ontvangen, om het Woord Gods te bewaren en te doen verkondigen, en of haar daarbij een bijzonder recht is geschonken, om den waren zin van het Woord Gods uit te leggen, en de geloofswaarheden, die de Schrift ons biedt, in haar belijdenis uit te spreken.

Noch aan het publiek recht der Kerk, om de Schrift uit te leggen, noch aan haar potestas dogmatica, haar macht om dogma's vast te stellen, wordt door ons te kort gedaan. Beide bevoegdheden der Kerk worden door ons volmondig erkend.

En evenmin loopt het geschil over de vraag, of de Dienaar des Woords tot taak heeft, om in zijne prediking het licht des Woords te laten uitstralen over elk terrein des levens Een methodistische-predikicg, die uitsluitend handelt over geloof en bekeering, wilde de Gereformeerde Kerk nooit. Reeds Hyperius wees er met nadruk op, dat de prediker uit Gods Woord moet aantoonen, hoe ieder in zijn ambt en beroep Gode welbehagelijk heeft te leven. De Gereformeerde prediking in haar bloeiperiode kenmerkte zich dan ook door haar veelzijdigheid. Zij wierp zich midden in de brandende vraagstukken van den dag en trachtte op elk gebied, de Christelijke beginselen te handhavin. Calvijns bijbeluitlegging biedt hiervan wel het beste exempel.

En eindelijk, het geschil loopt ook niet hierover, of de Theologie als wetenschap der geopenbaarde kennisse Gods niet dezelfde roeping heeft tegenover de andere wetenschappen, die de prediker heeft tegenover het menschelijk leven. Juist daarom heeft het Calvinisme nooit willen weten van kerkelijk seminariën, waarin de Theologie werd afgezonderd van de andere wetenschappen, omdat het beleed, dat deze andere wetenschappen niet buiten het licht van Gods Woord konden, en juist de Theologie de roeping ontvangen heeft, om op het gebied der wetenschap dat Woord Gods in te denken en te vertolken.

Maar het geschil loopt hierover, of de geïnstitueerde Kerken, in haar Synodale vergaderingen, de bevoegdheid van God ontvangen hebben, om met autoriteit en gezag vast te stellen voor de Overheid, voor de wetenschap, voor de kunst, voor het sociale leven, kortom, voor elk terrein des levens, wat de ware Gereformeerde beginselen zijn, waarvan op dat gebied moet worden uitgegaan.

Deze bevoegdheid nu kennen wij aan de geïnstitueerde Kerken in hare Synodale vergaderingen niet toe, vooreerst niet, omdat Gods Woord van zulk een macht der Kerk nergens spreekt; ten tv/eede, omdat onze Gereformeede Kerken, in tegenstelling met Rome, als beginsel steeds hebben uitgesproken, dat op kerkelijke vergaderingen alleen kerkelijke zaken mochten behandeld worden; en ten derde, omdat de Kerken dan met macht zouden optreden op een terrein, dat het hare niet is, en waarover zij geen zeggenschap kunnen uitoefenen.

Het geschil gaat dus veel dieper dan de verhouding van de Kerk tot de wetenschap alleen. Het raakt evenzeer de verhouding van de Kerk tot de Overheid, van de Kerk tot de kunst, van de Kerk tot het gezin, of wil men, van de Kerk tot al die kringen in het menschelijk leven, die een eigen, zelfstandig bestaan hebben, met een eigen daarin geldende levenswet en een autoriteit, die voor dezen kring met gezag is bekleed.

Dat de Kerk geroepen kan worden, om tegenover diep zondige beginselen, die in deze kringen openbaar worden, haar protest te laten uitgaan, wordt door ons niet betwist.

Toen in de dagen der Reformatie de woelige wederdoopers alle gezag der Overheid verwierpen en de Overheid maar al te vaak die van de „nieuwe religie" waren, met deze muiters over één kam schoor, was het noodig, dat de Kerk in haar Confessie openlijk beleed, dat zij het gezag der Overheid erkende, en Art. 36 heeft daaraan zijn ontstaan te danken. De Kerk ging daarmede haar bevoegdheid niet te buiten; ze erkende alleen de door God over het volk gestelde macht. Maar toen een eeuw later de Calvinistische predikanten voor de Leycestersche factie partij kozen en zelfs kerkelijke vergaderingen aan politiek gingen doen, heeft het droeve treurspel van Leiden wel geleerd, waartoe zulk drijven leidt.

Evenzoo heeft de Gereformeerde Kerk nooit geaarzeld, de zondige kunst te veroordeelen. Tegen de „comedie, " als bederf voor het zedelijk leven, werd rusteloos geageerd. Niet alleen door vermaan van den kansel, maar even goed door kerkelijke censuur. Dat was der kerken recht en plicht. Maar aan de „vrije kunst" voor te schrijven, naar welke beginselen ze beoefend worden moest, kwam in de hoofden onzer Synodale vaderen v/el nimmer op.

En op dezelfde wijze is de Kerk ook opgetreden tegenover de wetenschap. Zeker, ze sprak op haar Synodes den wensch uit, dat alle hoogleeraren haar belijdenis zouden onderteekenen en de Staten geen andere hoogleeraren zouden roepen, dan die „de religie" waren toegedaan. Maar met het onderwijs dezer hoogleeraren liet zij zich alleen dan in, wanneer daaruit rechtstreeksch gevaar voor de kerk zelf dreigde te ontstaan. Zóó toen de philosophic van Cartesius de grondslagen van het Christelijk geloof dreigde te ondermijnen en inde Kerk zelf de predikanten door deze philosophic werden meegesleept. En zoo toen in later tijd de Groninger hoogleeraar in de rechten. Prof. van der Marck zijn colleges misbruikte om allerlei sociniaansche dwalingen te propageeren. Maar ook dan werd uitdrukkelijk door de Kerken ver-

klaard, dat zij de „vrijheid der wetenschap" geenszins wilden aantasten en alleen te waken hadden, dat deze vrijheid niet misbruikt werd „tot nadeel van de Schriftuyre".

Defensief zijn de Kerken dus opgetreden. Het heilig pand, haar toebetrouwd, moest bewaard worden. Tegen al wat de zuiverheid van het Christelijk geloof of de reinheid van het Christelijk leven schaden kon, ging haar protest.

Maar autoritatief, om aan de Overheid, de Kunst, de Wetenschap voor te schrijven, naar welke beginselen deze te handelen hadden, was haar optreden nooit.

Ongetwijfeld heeft hiertoe niet weinig bijgedragen, niet alleen de erkenning van wat men thans noemt de „souvereiniteit der wetenschap in eigen kring", maar evenzeer het besef, dat onze Kerken de gaven en talenten missen, die zulk een optreden zouden kunnen wettigen.

Bij Rome is dit anders. De paus, die zijn bindende besluiten geeft, wordt voorgelicht en bijgestaan door een college van cardinalen, waarin de kundigsle en knapste koppen der Roomsche kerk zitting hebben. En naast dit kardinalen-college, kan hij nog beschikken over allerlei congregaties te Rome, over de adviezen van alle Roomsche Universiteiten, over de voorlichting van een stoet Roomsche geleerden in kloosters en seminaries, wier geleerdheid zelfs den Protestant eerbied afdwingt.

Toegegeven (des neen) dat de Kerk voor de wetenschap de juiste beginselen heeft voor te schrijven, dan biedt de Roomsche Kerk althans waarborg, dat de beslissing genomen wordt na ernstig en grondig onderzoek van hen, die met de wetenschap in al haar onderdeelen en vertakkingen volkomen op de hoogte zijn en een zelfstandig oordeel kunnen vellen.

In onze Kerken, vooral wanneer men ze concreet neemt, zooals ze thans in ons vaderland optreden, kan daarvan geen sprake zijn.

Het presbyteriale-synodale kerkregeeringsstelsel brengt mede, dat de beslissingen genomen moeten worden door een vergadering van ambtsdragers, die voor de helft nooit eenige wetenschappelijke studie hebben doorgemaakt en voor de andere helft wèl de theologie hebben bestudeerd, maar deze wetenschappelijke studie reeds jaren achter den rug hebben, en van de andere wetenschappen weinig meer weten dan wat uit dagbladpers en vlugschrift hun bekend wordt.

Nu kan men wel zeggen, dat deze vergadering van ambtsdragers de leiding des Heiligen Geestes bezit, en de Heilige Geest hen wel in alle waarheid leiden zal, maar wie zoo spreekt, vergeet dat de Heilige Geest thans niet onmiddellijk en onfeilbaar een Synode inspireert, maar dat Hij bij zijn leiding gebruik maakt van de gaven en talenten, die aan de Kerk geschonken zijn. Waar deze gaven en talenten ontbreken, daar kan een beroep op de leiding des Heiligen Geestes dit gemis niet vergoeden.

Men schermutsele ook hier niet met groote woorden, maar denke zich een oogenblik met ernst de taak in, waarvoor zulk een Synode zou geplaatst worden. Ze zou niet alleen voor de Theologie, maar ook voor alle andere wetenschappen, voor de Rechten, de Letteren, de Medicijnen, de Wis-en Natuurkunde hebben vast te stellen uit Gods Woord, wat de ware beginselen zijn. Ze zou dat te doen hebben niet alleen voor de hoofdvakken, maar ook voor de onderdeelen. Ze zou het te doen hebben in zulk een vorm, dat een school van wetenschap daarin werkelijk haar program en uitgangspunt kon begroeten. Neem nu slechts één vak, de philosophic, en vraag dan, niet hoeveel ouderlingen, maar hoeveel dienaren des Woords in staat zouden zijn de ingrijpende vraagstukken, waarover het hier gaat, te doorzien .•' De strijd tusschen realisme en nominalisme; de kennisleer van Hume en Kant; het primaat van het intellect of den wil; de aangeboren begrippen van Cartesius. Bij al deze vragen heeft een Gereformeerd philosoof van eigen beginselen uit te gaan; maar welke Synode is in staat deze beginselen met eenig afdoende zekerheid hem aan te wijzen.?

En dit klemt te meer, waar zelfs de noodige voorlichting aan zulk een Synode thans nog schier geheel ontbreken zou.

De Gereformeerde wetenschap heeft eeuwen lang braak gelegen. In heel Europa is er thans slechts één Gereformeerde Universiteit, die behalve de Theologie, nog slechts twee faculteiten bezit, elk door één hoogleeraar bezet. Deze Universiteit is nog pas twintig jaren aan den arbeid, en hoeveel dank men ook moge weten aan haar hoogleeraren voor hetgeen ze dusver hebben gepresteerd, niemand zal beweren, dat ze met haar vaststelling der beginselen reeds zoover is gekomen, dat ze deze in behoorlijke formuleering aan de Kerken aanbieden kan.

Waar de mannen, die heel hun kracht en leven aan deze studiën wijden, nog zouden aarzelen zulk een program van beginselen als reeds vaststaande te geven, hoe zou daar een Synode van predikanten en ouderlingen in staat zijn, dit voor hen en in hun plaats te doen?

Hier komt nog iets bij.

De groote uitbreiding der Gereformeerde Kerken, die in Zwitserland, Frankrijk, Duitschland, Nederland, Engeland, Schotland, Oostenrijk, Amerika, Zuid-Afrika en in_Azië verspreid liggen, benevens het gewis aan een sterke centralisatie, maakt het bijeenroepen van een generale Synode schier onmogelijk.

Onze Gereformeerde Kerken hebben slechts één algemeen concilie gehouden, in 1618 en 1619 te Dordrecht, en zelfs daar waren piet alk Gereformeerde Kerken aanwezig.

Thans te trachten zulk een generaal concilie saam te roepen, ware ondoenlijk. Niet alleen om den grooten afstand, om het verschil in taal, om de enorme kosten, maar vooral omdat de zuivere Gereformeerde beginselen \.n vele dezer Kerken jarenlang vervakcht zijn geworden.

De Synode, die beslissen moest, zou dus een Synode zijn der Nederlandsche Kerken alleen, voorzooverre deze met ons in kerkverband leefden. Dat wil zeggen, een kerkengroep, die alles saam nog geen viermaal honderdduizend leden telt.

Hoe zou zulk een Synode van een zeer klein deel der Gereformeerde Kerken de geestelijke autoriteit, het noodige prestige bezitten, om voor de Gereformeerde wetenschap de juiste beginselen vast te stellen.-"

Telkens wordt de klacht gehoord, dat onze Synodes zoo weinig durven en kunnen doen. Onze belijdenis en catechismus eischen aanvulling en uitbreiding. Een nieuwe Bijbelvertaling zou dringend noodig zijn. Ónze Kerkenorde moet herzien worden. Voor onze Psalmberijming en liturgie moet gezorgd worden.

En toch, de meest dringende vraagstukken worden van Synode tot Synode verschoven. On^e Zendingsorde, het vraagstuk van de opleiding tot den dienst des Woords, het gravamen tegen Art. 16, dat alles blijft in statu quo, omdat „de tijd nog niet rijp" heet, of de zaak „niet genoegzaam is voorbereid".

Doekjes voor het bloeden, om dé innerlijke zwakheid te bedekken, maar die den kundigen physioloog geen oogenblik bedriegen.

En een Synode, die op haar eigen terrein, het terrein der Confessie en der Kerkenorde, der Zending en der Liturgie, schier geen voet durft verzetten, zulk een Synode zou zich gerechtigd kunnen achten, aan de wetenschap, die geheel buiten haar terrein ligt, de Gereformeerde beginselen voor te schrijven!

Roep eerst een wereldconcilie van Gereformeerde Kerken saam en laat ons dan spreken over de vraag, wat de Kerk voor de wetenschap vermag.

En ten slotte de les der historie.

Zijn de Kerken gelukkig geweest in het bepalen van den weg, dien het wetenschappelijk onderzoek had in te slaan, wanneer zij zich op dit terrein als wetgeefster opwierpen.'

Kan men zeggen, dat er dan „een bepaalde leiding des Heiligen Geestes" viel te bespeuren, die zegenrijk voor Kerk en Wetenschap beide heeft gewerkt.''

Blijkt uit de vruchten, dat zulk een huwelijk, waarbij de Kerk dan als hoofd optreedt, door God gezegend is.'

Een drietal voorbeelden geve op deze vragen het antwoord.

In 1633 heeft het heilige officie der Roomsche Kerk Galileo Galilei, den grondvester der moderne natuurwetenschap, veroordeeld en tot herroeping gedwongen, men zegt na pijnlijke tortuur, omdat hij in zijn Dialogo het stelsel van Copernicus verdedigd had, dat niet de zon om de aarde draait, maar de aarde om de zon.

Hier trad de Kerk dus op; zij schreef aan de natuurwetenschap haar dogma voor. Maar wie zal tegenwoordig niet erkennen, dat de Kerk zich vergiste, en juist door deze uitspraak haar gezag nameloos veel schade heeft toegebracht. Het woord door de legende aan Gahlei toegeschreven: Eppur se muove, En toch beweegt de aarde zich, is wel het meest vernietigende vonnis, dat de wetenschap over zulk een kerkelijke machtsusurpatie heeft geveld.

Men werpe ons niet tegen, dat dit voorbeeld de Roomsche Kerk geldt en de Kerk hier niet over een beginsel uit de Schrift, maar over een concreet stelsel heeft geoordeeld.

Wat het laatste betreft, zou de Roomsche kerk u hebben geantwoord, dat Galilei's stelsel in strijd was met Jozua's woord: Gij zonne sta stil te Gibeon, en de Kerk, „aan wie de uitlegging van Gods Woord is toebetrouwd", wel degelijk het recht had, op grond van Gods Woord dit nieuwe stelsel te veroordeelen.

En wat het eerste betreft, men sla onzen goeden vader Brakel eens op, leze met aandacht na, wat deze toongever weleer in Gereformeerde kringen over het stelsel van Copernicus en Galilei zegt, en vrage zich dan af, of onze Gereformeerde Kerken in dien tijd, tot een beslissing geroepen, wel anders dan het heilig Officie te Rome zouden hebben geoordeeld 1

Ons tweede voorbeeld ontleenen wij niet aan de Roomsche, maar aan de Gereformeerde Kerken in Zwitserland.

Met „blijmoedige eenvoudigheid", om een bekend woord van Groen te gebruiken, verzekert Dr. Bouwman ons op pag. 19, dat het recht voor tekstcritiek ons in de Confessie wordt gegeven, en wel „daarin dat de Heilige Geest, die de Heilige Schrift te boek deed stellen door zijne knechten, deze ook heeft bewaard als regel des geloofs maar niet wordt uitgesproken (sic), dat de letterlijke woorden van het autographon i) ons zuiver zijn bewaard."

W Wij zijn het met Dr. Bouwman van harte eens, dat dit een Gereformeerd beginsel is, ook al zouden wij het liever i anders hebben geformuleerd. Maar voor de stelling, dat alle Gereformeerde beginselen aan de Gereformeerde Confessie moeten ontleend worden, is het beroep op dit „recht van tekstcritiek" toch een ietwat zonderling argument. c d

Of weet Dr. Bouwman dan niet, dat toen de Saumursche hoogleeraar Lud. Capellus dat recht van tekstcritiek op het Oude Testament wilde toepassen en daartoe onderscheid maakte tusschen het oorspronkelijke handschrift en den ons overgeleverden Masoretischen tekst, de Gereformeerde Kerken z n Zwitserland in 1675 in haar Formula C nsensus als dogma hebben uitgesproken, dat deze Masoretische tekst, zoowel wat de consonanten als de vocalen en de punctuar.tie aangaat, d-eoivevyrog, d. w. z. door God geïnspireerd was, waarmede, althans wat het Oude Testament aangaat, alle tekstcritiek vanzelf ongeoorloofd was geworden.

Er is zeker niet één Gereformeerd theoloog, die thans dit dogma zou onderteekenen. Het berust op allerlei onjuiste onderstellingen en is lijnrecht met de historie in strijd. Maar juist daarom toont ook dit voorbeeld weer opnieuw, hoe gevaarlijk het is, als de Kerk het geestelijk terrein, dat God haar toewees, verlaat, en aan de wetenschap de wet wil gaan voorschrijven.

Het is een weg, die steeds voor de Kerk zelve op schade is uitgeloopen.

En eindelijk een derde voorbeeld levert onze eigen Geloofsbelijdenis in het bekende Art. 36.

Wie onze Geloofsbelijdenis naleest, wordt overal getroffen door de heerlijke rijke uiteenzetting der waarheid Gods. Uit de tnartelaarskerk opgekomen, gedragen door het bezielde leven dier dagen, spreekt uit heel de Confessie een toon des geloofs, die nu nog een echo wakker roept in onze harten en God danken doet, dat dit geloof onzer vaderen nog door ons mag beleden worden.

Uit heel de Confessie, ja... maar met uitzondering juist van dat ééne artikel, v/aar de Kerk het eigenlijke geloofsterrein verliet en aan de Overheid voorschreef, wat haar taak tenopzichte van de ware Kerk is.

Calvijn had dit artikel in zijn confessie niet opgenomen, maar de Fransche Kerken gingen voor; straks volgden de kerken in Schotland, Nederland, Zwitserland en Engeland. Al nauwkeuriger en precieser werd het nieuwe dogma geformuleerd. De Over heid moest „de hand houden aan de heilige kerkedienst, om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsehen godsdienst; om het rijk van den Antichrist ten gronde te werpen en het Koninkrijk van Christus Jezus te vorderen en het woord des Evangelies overal te doen prediken." En de Westminstersche Confessie ging nog verder; de Overheid had niet alleen de ketterij te onderdrukken maar ook alle misbruiken in den eeredienst en oefening der tucht te reformeeren; en ontving daartoe zelfs de macht om „Synodes saê, m te roepen, daarbij tegenwoordig te zijn en te zorgen, dat alles wat daar verhandeld werd, overeenstemde met Gods Woord."

Wie is er, die deze nalatenschap onzer Gereformeerde vaderen zonder benefice van inventaris zou willen overnemen.' Bijna alle Gereformeerde Kerken, die tot vrijheid van het staatsjuk gekomen zijn, hebben dit dogma op zij gezet of door een geheel ander vervangen. En ook in onze Kerken hangt het gravamen tegen Art. 36 nu reeds bijna zes jaar.

Naar verluidt, ligt de moeilijkheid bij dit gravamen niet hierin, dat men het bedoelde gravamen niet wettig acht, maar dat men geen kans giet, een nieuwere en betere formuleering daarvoor in de plaats te stellen.

In verband hiermede is het zeker opmerkelijk, dat in de jongst verschenen Dogmatiek van Gereformeerde zijde de locus de Magistratu geheel ontbreekt.

Bevestigt dan deze historia morbi i) van Art. 36 niet onze stelling, dat de Kerk in haar Confessie wel geroepen is, de eeuwige beginselen van Gods Woord voor de zaligheid uit te spreken, maar niet geroepen is, aan de Overheid ofde wetenschap haar taak voor te schrijven.'

Doet ze het toch, dan loopt ze gevaar, een tijdelijke meening tot een dogma te verheffen, het goddelijke en het aardsche te verwarren en de conscientie te binden aan iets, wat met de zaligheid niets uitstaande heeft.

i) Het oorspronkelijke Tiandschrift.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1901

De Heraut | 4 Pagina's

»Gereformeerde beginselen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1901

De Heraut | 4 Pagina's