De profeet Daniël.
De vruchtbare pen van. Ds. C. Van Proosdij verraste ons opnieuw met een karakterschets.
De schrijver heeft een bijzondere gave voor het schilderen van personen. En zijn voorliefde valt daarbij op zulke mannen Gods in de Schrift of kerkhistorie, die door het licht van grooter sterren overschitterd, te weinig gekend en gewaardeerd zijn geworden.
Zoo werd eerst Theodorus Beza, Calvijn's jonger en opvolger, bij ons volk binnengeleid. En thans de profeet uit de ballingschap, wiens profetieën wel tot het moeilijkste deel der Heilige Schrift behooren, Daniël.
Het eerste deel, dat voor ons ligt, behandelt Daniël i—6, onder den titel: De gezant van Israels God aan het hof te Babel, en zal door een tweede deel gevolgd worden, waarin Daniël geteekend wordt als; De profeet der vertroosting.
Een wetenschappelijke commentaar is dit boek niet. Het heeft zijn ontstaan te danken, gelijk de schrijver in zijn voorwoord meedeelt, aan een reeks predikatiën te Baarn, Leiden en Amsterdam over Daniël gehouden. Toch is de strenge vorm der predikatie niet behouden en zou men deze studie eer een populaire exegese met practicale toepassing op onze tijdsomstandigheden kunnen noemen.
Wij zeggen dit niet om dezen arbeid te onderschatten. Integendeel, wij gelooven, dat de hier aangewende vorm, al beantwoordt deze niet aan de eischen van de exegese noch aan die der homiletiek, toch de meest doelmatige is, om dit rijke deel van Gods Woord tot de kennis der gemeente brengen en de beteekenis van Daniël ook voor onzen tijd te doen verstaan.
De schrijver heeft toch, en dat is zijn verdienste, zich niet alleen ingeleefd in Daniel's tijd en daarbij een dankbaar gebruik gemaakt van het licht, dat de jongste Assyriologische vondsten over dat tijdvak verspreiden, maar hij is ook een man, die het leven van onzen tijd medeleeft, en telkens, vaak op verrassende wijze, de actualiteit van Gods Woord ook voor dezen tijd aan het licht brengt.
De vorm, waarin dit boek gegoten is, legt ook nu weer getuigenis af, dat Ds. Van Proosdij een levendige fantasie bezit, een schat van woorden en beelden tot zijn beschikking heeft en op meesterlijke wijze de kunst verstaat om zijn lezers te boeien.
Gelijk wel van zelf spreekt, heeft deze gave ook haar schaduwzijde. Te spreken van de Jongelingsvereeniging, die Daniël te Babel oprichtte, van den driejarigen cursus, dien hij doorliep en het examen, dat hij daarna aflegde, raakt de grens eener gezonde populariteit. Ook zouden wij in een dergelijke schriftstudie de qualificatie van nog levende personen als Roberts en Chamberlain liever achterwege hebben gelaten, ook al begrijpen wij, dat toorn over het onrecht onzen broeders in Zuid-Afrika aangedaan, den schrijver zulke gepeperde uitdrukkingen, gelijk het volk ze noemt, in de pen gaf. Naarmate iemands fantasie te rijker is en zijn woord te gemakkelijker vloeit, is tucht over zichzelf te meer noodig.
Aan het slot van deze studie wordt in een reeks zeer belangrijke aanteekeningen kort saamgevat, wat de Keil-inschriften uit dit tijdvak aan het licht hebben gebracht, om daarmede de waarheid van Gods Woord nader te bevestigen tegen de aanvallen, door het moderne ongeloof op Daniel's betrouwbaarheid gericht.
De vraag zij ons geoorloofd, waarom de schrijver, die de standaardwerken van Duitsche en Engelsche geleerden over dit onderwerp noemt en met vrucht bestudeerde, geheel onvermeld laat hetgeen van Gereformeerde zijde in ons vaderland geschreven is over de moeilijkheden, waarop men bij Daniël stuit? Het uitnemende werk van Prof. A. Rutgers: Het tijdvak der Babylonische ballingschap chronologisch bepaald, en het nieuwste onderzoek daaromtrent, beschouwd en wederlegd, is nog niet verouderd. Al mag, om slechts een voorbeeld te noemen, de hypothese van Prof. Rutgers omtrent Belsazar door de later gevondene Keil-inschriften onjuist zijn gebleken, wat hij schreef omtrent Darius, den Meder, blijft nog zijn volle waarde behouden. Vooral met het oog op de 70 weken in Daniël, die de schrijver later zal behandelen, kunnen wij hem niet ernstig genoeg aanraden, van dezen arbeid van Prof. Rutgers gebruik te maken, een arbeid, die althans onder Gereformeerden niet mag worden geïgnoreerd.
Intusschen neemt deze critiek niet weg, dat wij Ds. Van Proosdij dankbaar zijn voor het vele goede, dat hij ons in deze nieuwe Schriftstudie bood. Dat hij te midden van een zoo drukken werkkring, waarin God hem plaatste, tijd en lust vond aan zulk een arbeid zijn kracht te geven, dwingt eerbied af. Moge spoedig het tweede deel volgen en daardoor ons Gereformeerde volk een verklaring in eenvoudigen en bevattelij ken vorm rijk zijn vanden Zendingsprofeet bij uitnemendheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1901
De Heraut | 4 Pagina's