Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Zoo hebt Gij mijn pad gekend.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Zoo hebt Gij mijn pad gekend.”

9 minuten leestijd

Als mijn geest in mij over stelpt was, zoo hebt Gij mijn pad gekend. Psalm 142 : 4a.

Hebt gij een eigen pad? Kent ge een weg, waarvan ge zeggen kunt: dat is mijn pad ? En wel: mijn pad in zoo strengen, eigenlijken zin, dat op dit pad gij alleen loopt, en niemand anders met u, gevolg waarvan dies zijn moet, dat niemand buiten u dit uw pad, dezen uwen weg kent?

De beeldspraak, waarin door die vraag uw levenslot en levensloop wordt ge teekend, is natuurlijk niet genomen van onze heirwegen noch van onze stadsstraten. Die wegen en straten toch staan voor ieder open, en daarop wandelen vele anderen met ons. Neen, sprake is hier van wegen en paden, die men zelf door zijn loop, zijn vaart, zijn gang maakt.

In de overstoven woestijn is geen pad zichtbaar, geen pad afgebakend, en maakt elke karavaan haar eigen spoor. Evenmin is er een weg door de lucht, maar baant elke adelaar in zijn vlucht zich een eigen pad. Zelfs in de heel hooge bergen houdt elk voetspoor op, en kiest wie hun top beklimmen wil, zich eigen plekken voor het hol van zijn voet. Of wilt ge een trek uit het leven, die onder ons varend volk gemeenzaam is: r is ons geen weg door de groote wateren afgeteekend, en elk schip doorsnijdt op eigen spoor haar golven, gelijk er ook van Jehovah bij Pi Hacharóth staat: Uw weg was door de zee, uw pad in groote wateren, en uw voetstappen werden niet bekend". (Ps. 77 : 20.)

En nu zegge men niet, dat dit laatste gebruik van „weg" en „pad" toch oneigenlijk is, want omgekeerd was zóó alle oorspronkelijk pad, en zijn eerst later wegen voor allen saam aangelegd en paden, waarop een ieder wandelt, afgebakend.

Wie in onbewoonde streken zich vestigt, maakt het eerste pad door zijn voetstappen die zich in het zand afdrukken, of den eersten weg door den streep platgetrapt gras, dien hij achter zich laat.

Geheel natuurlijk bezigt daarom ook de Schrift die woorden van pad en van weg om het doen en het willen GodS; en zoo ook het doen en het willen des menschen, in zijn samenhang aan te duiden.

De Heere zelf heeft zijn pad door de groote wateren, en de weg des Heeren is in het Heiligdom.

Maar ook er is een „weg der rechtvaardigen" en er is een „pad der goddeloozen".

Waar een historie is, een reeks van daden en bedoelingen die samenhangt, een stroom die een bepaald verloop volgt in wat God doet of in wat menschen doen, daar is een weg Gods of een pad der menschen.

En zoo is er dus ook in uw leven een weg, waar ge langs zijt gekomen van uw wieg af tot nu toe. Zoo is er ook in uw verleden een pad, waarlangs ge u hebt voortbewogen, en dat u gebracht heeft op het punt uws levens waarop ge nu zijt.

Een eigen pad alzoo voor ieder kind des menschen, dat anders liep dan het pad van alle anderen.

Een pad, een weg waarvan in den strengsten zin gezegd moet worden, dat het uw pad was, en van u alleen.

Toch is hiermee nog niet genoeg gezegd. Pad en pad is twee.

Ge kunt van uw eigen pad spreken, om niets anders en niets diepers aan te duiden dan uw eigen levensgeschiedenis. .

Maar ge kunt er ook iets diepers ineê bedoelen, en het verstaan van den weg dien God de Heere in zijn raadsbesluit voor u heeft uitgeteekend. Dan was dat pad er eer gij er waart. Dan is het God de Heere, die u op dat pad gezet heeft, die u op dat pad heeft leeren gaan, die u tot dusver op dat pad geleid heeft, en die u langs dat pad voeren zal tot den einde toe, tot waar dat pad ophoudt in de eeuwigheid. n

Dit pad nu heeft de Heere voor elk van zijn uitverkorenen onderscheidenlijkafgebakend.Want wel is er in geestelijken zin één pad, waarlangs alle rechtvaardige komt, en dat men betreedt na door de enge poort te zijn doorgegaan, maar dat is het pad van de ordinantiën des Heeren, en niet het pad van zijn Raadsbesluit.

Het pad van Gods Raadsbesluit daarentegen is voor elk kind van God een apart pad, een eigen pad, een pad dat zich wel kruist met dat van anderen, en er zelfs een tijdlang evenwijdig mee kan loopen, maar dat toch over heel de lengte, van de wieg tot het graf genomen, voor ieder onzer anders en verschillend is.

Uw eigen pad is alzoo die bijzondere weg dien God met u houdt, en waarvan het in Psalm 139 heet: eer ik begon te leven, was alles in uw boek geschreven.

Uw leven wordt door niemand dan door uzelven doorleefd. En hoe sterk ook de loop, de gang van het leven bij den één op het pad des anderen gelijken moge, toch blijkt telkens, hoe dieper ge in die ineenschakelingen van uw levensmomenten doordringt, opnieuw, dat zóó als uw leven was, alleen gij door het leven zijt gewandeld, en dat zoo min er twee druppelen water zijn die op elkander gelijken, er zoo ook geen twee kinderen Gods zijn, die zeggen kunnen: uw pad en mijn pad was één.

En nu keert de vraag terug: hebt ook gij, in dien zin, een eigen pad? Of, om de vraag meer rechtstreeks tot uw hart te doen spreken: Weet gij reeds, dat ook gij zulk een eigen pad afliept en afloopt ? Is het pad waar de Heere u langs leidt, reeds aan uw ziel ontdekt? Zijt ge reeds tot de kennisse van uw eigen levenspad gekomen?

Stellig begon niemand daarmee.

Ieder onzer heeft jaren levens doorleefd, da hij bij den dag leefde, nog geen zweem van saamhang in de gebeurtenissen van zijn leven ontdekte, en dat het hem te moede was, of hij als een vogel in het loover van den hak op den tak sprong. ƒ

Wie tot de kennisse van zijn pad kwam, is nooit anders dan van achteren gaan inzien, dat er in zijn verleden een leiding Gods was; dat het ééne wat hem overkwam, met het andere saamhing; en dat hij, zonder het te weten ofte merken, een vast spoor werd langs geleid dat uitloopt op een bepaald doel.

En zelfs als we dat zijn gaan inzien in ons verleden, staan we gedurig nog voor raadselen in Let heden, en ontglipt telkens de draad aan onze hand, die ons koers en richting zou aangeven. ƒ

Eerst als de He^re zich persoonlijk aan onze ziel ontdekt, ons innerlijk toespreekt, en we nu zien dat Hij als onze Herder voor ons uitgaat, beginnen we iets van onzen eigen weg te verstaan. Doch ook dan nog zien we den weg slechts hoogst zelden, en is het meer het tikken van den herderstaf, dat we hooren, en dat de psalmist zeggen doet: Uw stok en uw staf vertroosten mij. Dan is het of nevel en mist eiken weg onzichtbaar maakt, en of we alleen op het geluid van het tikken van den herderstaf des Heeren kunnen afgaan.

Wat God aan de zijnen, die Hem kennen, geeft, is zelden meer dan het zien van de ééne plek, waar ze op dat bepaalde oogenblik hun voet te zetten hebben. En dat is ook genoeg.

Wat daarna komt, geven ze in stil vertrouwen aan hun God over.

Doch tevens drukt zich nu het sppor van dien weg in onze zielservaring, in ons bewuste leven, in onze persoonlijke bevinding af.

We worstelen, we lijden, we hebben verdriet, we zijn verstrikt in benauwdheden, we raken in bange spanning, we gaan door vuur en door water, we staan angsten uit en we sterven duizend dooden; en al kunnen we aan een trouw menschenhart iets hiervan te kennen geven, toch dringt het scherpste' vriendenoog nooit tot die binnenkamer van ons hart door, waar het eigenlijke, het intiemste van uw leven doorworsteld wordt.

Ook van die wijnpersbak mag het gezegd, dat elk kind van God die alleen getreden heeft.'

Dat is ons persoonlijk isolement. De bange taak, die God voor onze persoonlijke rekening gelegd heeft. Een worsteling waarin we alleea staan, waarbij niemand ons de hand kan toesteken, of ons troosten kan. De ziel van onze ziel wandelt op die diep verborgen paden geheel eenzaam, gelijk Messias in Psalm 22 zijn ziel dan ook „zijn eenzame" noemt.

Nu zijn er, die dit niet dragen kunnen, en telkens anderen roepen om in die binnenkamer van hun ziel bij hen te komen; maar ze vinden geen gehoor, want ze vragen wat niet kan. Ze moeten dit pad in de ziel alleen afloopen, en alleen zoo ze het alleen afl jopen, brengt het hun den zegen van hun God.

Anderen weer sluiten zich deswege te veel op, en weren vriendenhand en vriendentroost ook van die buitengangen van het leven, waarin God wil dat de broeder den broeder sterken zal.

Maar wie recht staat, mijdt beide uitersten. Hij zal zijn ziel uitstorten voor den broeder voor zoover dit kan en mag, maar. ook zijn ziel opsluiten, om eenzaam te worstelen in dat heilige der heiligen van zijn eigen hart, waar alleen zijn God .bij kan.

Dan is er eerst nog wel een zoeken met het oog naar menschelijke trouw: „Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zoo was er niemand die mij kende, niemand zorgde voor mijn ziel" (vs. 5). En juist die harde, die bittere teleurstelling is het, die dan ten slotte naar God en God alleen uitdrijft: „Tot u riep ik, o Heere", en zeide :

„Gij zijt mijn toevlucht."

En dan komt uw zalige ervaring.

Dan is het op dat eenzame pad van het verborgene der ziel donker, tot eindelijk het licht uit de diepte opgaat, en uw lieve Vader de armen der eeuwige ontferming naar u uitstrekt, en uw ziel van achteren jubelen mag: „Als mijn geest in mij overstelpt was, hebt Gij o God, en Gij alleen, mijn pad gekend.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1901

De Heraut | 4 Pagina's

„Zoo hebt Gij mijn pad gekend.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 november 1901

De Heraut | 4 Pagina's