„Geen mensch onrein.”
En hij zeide tot hen: Gij weet, hoe het eenen Joodschen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot eenen vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mensch zoude ge meen of onrein heeten. Hand. I0 : 23.
In verkeer en omgang is gedachtelooze vermenging ons niet geleerd. Eer het tegendeel.
Onder de bedeeling der schaduwen scheidde wet en ceremonie het zaad Abrahams scherpelijk af van de volkeren. Israël moest een afgezonderd volk blijven. Abraham's eigen uitgang uit Ur drukt dat stempel der afzondering op al zijn nakomelingen. Tusschen besnijdenis en voorhuid stond een scheidsmuur zonder doorgang.
En wel verre van onder het Nieuw Verbond deze afzondering op te heffen, verandert ze slechts van karakter. De scheidsmuur tusschen Jood en Heiden valt, maar om vervangen te worden door den nog hoogeren scheidsmuur, die wat geloovig en ongeloovig, wat rein en zedelijk onrein is, scherp uiteen te houden.
Alzoo onder de oude bedeeling de scheidslijn, ceremonieel en nationaal, uitgestippeld in het bloed en in den levensvorm; maar onder de bedeeling des Nieuwen Testaments die scheidslijn verlegd, losgemaakt van bloed of huidskleur, losgemaakt van den ceremonieelen vorm, en nu verdiept tot in het geestelijke.
Vóór Golgotha is er een scheiding naar uitwendig, na Golgotha een scheiding naar inwendig kenmerk, geheel conform de tegenstelling, die op elk punt tusschen de bedeeling der schaduwen en de bedeeling der vervulling bestaat.
Vandaar het apostolisch vermaan tot die van Korinthe: „Gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, en Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn." Letterlijk alzoo wat Jeremia aan Israël toeriep, maar overgebracht op het geestelijke; en bijna met gelijke woorden nogmaals in het visoen • op Patmos herhaald: „Ga uit van haar, mijn volk, opdat gij aan haar zonde geen gemeenschap hebt."
Scheiding derhalve ook nu nog, scheiding tot den einde toe, maar een scheiding uitsluitend gegrond in de tegenstelling tusschen Christus en Satan.
Onder het ondoorgrondelijk bestel van het Eeuwige Wezen is er in al het geschapene een worsteling uitgebroken.' Die worsteling brak uit en nam haar aanvang toen die hooge geest, die nu Satan heet, zich vermetel en heiligschennend tegen God dorst stellen. Tegen dien geest heeft toen onze God den Christus gesteld.
Die twee worstelen in alle dingen met elkander. Christus worstelt met Satan in de wereld, in uw volk, in uw stad of dorp, in uw huis, ja, tot op den bodem van uw eigen hart. En als dan toch de gemeente dit niet beseft, en weer vermengen gaat wat elkaar uitsluit, dan vraagt de apostel van Christus u in 's Heeren naam: Wat gemeenschap heeft Christus met Belial? Wat gemeenschap heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid ? Of ook, wat gemeenschap heeft de duisternis met het licht?
Daarom daalt het Christelijk leven in de gemeente, in uw huis en in uw hart, indien ge niet van alle u lokkende zonde voelt en beseft: dat is meedoen met Satan tegen mijn Heiland. En zoo ook, als ge niet lot alle deugd en gerechtigheid daardoor het meest wordt aangetrokken, dat het is een strijden met en voor uw Heiland tegen Satan.
Mag en moet nu die diepe, geestelijke scheiding ook onder het nieuwe verbond op mensch en mensch worden toegepast ?
Mag en moet ook in omgang en verkeer gezocht wie Christus toebehoort, en gemeden wie zich rangschikt onder de ongeloovigen ?
Op één punt geeft de apostel des Heeren ons hieromtrent stellig bescheid: Ik heb u geschreven, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders. En ditzelfde past hij toe op de oneerlijken en geldzuchtigen. (i Cor. 5 19, lo).
Maar let er wel op, dat de apostel dit aanstonds beperkt tot den intieraen omgang, en daarbij onderscheid maakt tusschen de „hoereerders der wereld", en de hoereerders die in de gemeente zelve schuilen. Met de laatsten wil hij dat wij geheel zullen breken, met de eersten niet geheellijk. Dan toch, zoo laat hij zich uit, zoudt gij de wereld moeten uitgaan.
De regel is alzoo duidelijk.
Man en vrouw is de hoofdonderscheiding, die God gesteld heeft in ons menschelijk le"en. Die hoofdonderscheiding staat onder de Goddelijke ordinantie van het kuische huwelijk. Maar Satan verwerpt die ordinantie, en stelt er de hoererij voor in de plaats.
Op dit punt, dat heel ons menschelijk leven beheerscht, moet dus elk kind van God principieel met Satan breken. Hem zelf moet alle hoererij ten gruwel zijn; alle hoererij in de gemeente moet als pestgif worden opgespoord, onverbiddelijk uitgebannen; en ter mijding van besmetting moet met de „hoereerders der wereld, " alle intieme omgang worden gemeden.
Wie alzoo voor zichzelf en voor zijn kinderen ook bij intiemer omgang en verkeer deze scheidslijn wegdoezelt, en eigen leven met het leven der wereld dooreenmengt, gaat rechtstreeks tegen de ordinantie des Heeren in, besmet zichzelven, en zijn kroost, en is oorzaak dat die besmetting ook in de Gemeente des Heeren binnendringt.
En al is dit nu met name van de hoererij zoo scherp aangeduid, het gaat evenzoo door van wereldsche geldzucht en van georganiseerd ongeloof. „Wat deel, zoo vraagt Paulus, heeft de geloovige met den ongeloovige ? Wat samenstemming heeft de tempel Gods met de afgoden; en gij zijt immers de tempel des levenden Gods."
Toch dreigt hier een gevaar.
Als ge u afscheidt van de onreinen en ongeloovigen ligt de zonde der zelfverheffingen der laatdunkendheid jegens anderen voor de deur van uw hart op de loer om binnen te sluipen.
Wat Jesaia klaagt van hen, die riepen: „Ga van mij uit, ik ben heiliger dan gij", teekent die zelfverheffing en die laatdunkendheid als voor oogen.
Het is zoo: Indien ge een kind van God, indien ge door het bloed van Jezus verlost, indien ge met den Heiligen Geest innerlijk vervuld zijt, dan zijt ge heilig, en de ongeloovige, de geldzuchtige, de hoereerder is onheilig. Dat dubbele feit staat vast, en mag geen oogenblik uit het oog worden verloren.
Alleen maar, al dit heilige, dat u onderscheidt, is bij u bijgekomen, is niet uit u, maar uit God, is niet door u verworven, maar u uit genade geschonken, en in uzelven zijt ge niets beter dan de lieden der wereld; als zij een in zonde gevallen en in zonde verzonken menschenkind.
Dat gij heilig zijt, is alzoo en mag nooit anders zijn dan oorzaak voor nooit eindigenden jubel en dank, van verootmoediging en zelfvernedering. Alle zelfverheffing gaat dus juist tegen dat uw heilig karakter in, vermindert ze, en doel u naar Satan terugkeeren, want de diepste zonde van Satan was juist trots en vermetele hoovaardij.
En dat werkt onmiddellijk. Heilig zijn in Jezus en uzelf op die heiligheid verheffen, kan geen oogenblik saam in uw hart bestaan. Het ééne sluit op elk gegeven oogenblik belandere rechtstreeks uit.
Wie zich-zelf, geestelijk of uit wereldsche motieven, verheft, is in zijn zonde teruggevallen, en weer onheilig.
Wie heilig in Jezus staat, is juist daardoor met al de deernis en al de ontferming die uit den ootmoed opkomt, jegens de nog niet geredden aangedaan.
Een kind van God, een in Christus verloste is een mensch, een gevallen mensch, plus de genade Gods die tot hem is gekomen.
Welnu, een mensch, een gevallen mensch, maar zonder nog die genade deelachtig te zijn, is elk ongeloovige, elk hoereerder, elk geldzuchtige, een ieder die nog altoos de wereld dient; en juist omdat ook hij mensch is, zult gij, die in u zelven niets beter zijt, ook hem of haar als mensch niet gemeen of onrein achten.
Wat verschil maakt, wat hem ontbreekt, is niet dan de genade; en zoodra komt die genade ook niet hem toe, of hij wordt als gij; en nu is het uw roeping, uw hooge roeping die ge van uw God onlvingt, om hem die genade aantrekkelijk te maken, door uw optreden en uw voorbeeld, en ze hem aan te zeggen in het liefelijke woord.
Op medisch gebied pleegt ieder, die een middel gebruikte, dat hem van kwaal of pijn verloste, er lust in te hebben om de voortreffelijkheid van dat middel aan te prijzen, zoo dikwijls hij anderen ontmoet, die aan diezelfde kwaal lijden, of met dezelfde pijn worstelen; soms tot lastig wordens toe. Welnu, die hartstocht om het redmiddel aan te bevelen dat u hielp, moet ook u verteren. Of het is niet één lijden der zonde, dat u eertijds kwelde en nu hem drukt? En moet dan uit die gemeenschap des lijdens niet juist de zucht, de lust om ook hem te red den, geboren worden, zoo althans uw redding wezenlijk en niet een verlossing in schijn was? ,
Zeker, hij is onrein, maar onrein waart gij ook, en onrein zijt gij nog elk oogenblik, dat de genade u weer loslaat; en daarom belet alle laatdunkendheid tegen hem niet alleen zijn redding, maar doet u zelven weer in uw zonde terugzinken.
Het is niet zoo, dat hij nog als drenkeling in het water ligt, en dat gij op den kant staat. Saam ligt ge nog in het water, maar u ondersteunt de arm der genade, die u voor zinken behoedt, en u uw eigen redding waarborgt.
En dit nu is uw heerlijkheid, dat ge alzoo, door den arm des Heeren voor zinken behoed, ook zelf de hand naar uw mededrenkeliug moogt uitstrekken, of ook hij nog mocht gered worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 17 november 1901
De Heraut | 4 Pagina's