Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Kerkelijke vertegenwoordiging.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkelijke vertegenwoordiging.

5 minuten leestijd

I.

Het teekent voor den rustigen gang van ns kerkelijk leven, dat het ernstige vraagtuk der kerkelijke vertegenwoordiging tot usverre zoo weinig de aandacht getrokken heeft.

Hier en daar mag een klacht zijn gehoord over Art. 42 onzer Kerkenorde, waarin beaald wordt, dat alle predikanten met keurstem ter Classis mogen komen, omdat men daardoor tekort gedaan achtte aan het beginsel van de gelijkheid der Kerken en de gelijkheid der ambten, maar over het veel verder reikende vraagstuk, of de geheele regeling onzer kerkelijke vertegenwoordiging past op den huldigen toestand, werd geen woord gezegd.

Men berustte in den historisch geworden toestand. Zóó als de erfenis onzer vaderen op de Dordtsche Synode nagelaten werd, nam men haar over. Men vroeg niet eens naar de motieven, die hen hadden geleid. En nog veel minder werd onderzocht, of deze motieven ook nu nog gelden konden, nu door een ontwikkeling van drie eeuwen de toestand op staatkundig en kerkelijk gebied een geheel andere geworden was.

Ongetwijfeld lag hierin een op zichzelf goede gedachte. De historische lijn was in 1816 geheel los gelaten. Met de woede van 'het Vandalisme was in het historisch gebouw onzer kerkelijke instellingen alles kort en klein geslagen, om plaats te maken voor een geheel nieuwe kerkelijke organisatie. Alle antieke meubelen van degelijk eikenhout gemaakt, waren opgeruimd en vervangen door gladhout meubeltjes, die als spiegels blonken, maar waarin geen stijl te ontdekken viel. Het oude was per se slecht en het nieuwe altijd lofwaardig. En hoe grilliger en bizarrer het nieuwe was, hoe meer het zich in aller instemming verheugen mocht. Wie voor het oude nog opkwam uit historisch besef was een domper, behoorde tot de nachtschool en verdiende niet anders dan met de klompen te worden afgetrapt.

Op zulk een actie volgt altijd reactie. Toen het bleek, hoe in het nieuw-modisch huis de fundamenten verzakten, de muren bedenkelijke scheuren vertoonden, deregen door het dak heen lekte, gingen de oogen open voor de innerlijke schoonheid en soliditeit van het oude, thans tot puin vervallen gebouw. Het bestek, dat eens den architect gediend had, werd onder de geel geworden paperassen weer teruggevonden. De fundamenten werden weer blootgelegd ; een herstelling volgde, die in letterlijke getrouwheid haar hoofdverdienste zocht. Zooals thans onze architecten de oude gedenkteekenen onzer Hollandsche bouwkunst herstellen met kleine in lood gevatte ruitjes, met beschilderde luiken, met nauwe gangen en hooge sombere kamers, zoo ging het bij deze kerkelijke restauratie toe. Wanneer men maar had aangetoond, dat onze Vaderen het aldus gedaan hadden, dan was alle tegenspraak uitgesloten. Het nieuwe werd thans per se slecht, en het oude altijd goed.

Nu denken wij er niet aan, het betrekkelijk recht dezer beweging te miskennen. Onze Kerken, die optraden met de pretentie van de continueering te zijn der aloude Gereformeerde Kerken, moesten wel beginnen met de lijn op te vatten, waar deze afbrak, en daarom terugkeeren tot 1619. Toen waren onze belijdenisschriften en liturgische formulieren het laatste vastgesteld. Toen had de Kerkenordening haar laatste authentieke redactie ontvangen. Toen werd tot den monumentalen arbeid onzer Bijbelvertaling besloten, die eeuwen lang onze taal vormde en ons geestelijk leven beheerschte. Dordt moest dus wel het uitgangspunt zijn.

En evenmin wenschen wij voorbij te zien, dat alle leven een hoogtepunt kent, dat normatief is voor de verdere ontwikkeling.

Onder Gods bestel heeft het Gereformeerde leven in ons vaderland in de i6een 17e eeuw zoo hoog gestaan, zulk een innerlijke kracht ontwikkeld en zoo zuiver de lijnen getrokken, dat het niet alleen een gemis van alle historisch besef verraden zou, wanneer men met de uiting van dit leven niet rekende, maar dat het, nog veel erger, een miskenning zou wezen van de bijzondere genade, die God de Heere in zijn vrijmachtig bestel aan deze helden des geloofs geschonken heeft.

Een staalbad in de historie dezer kerkelij k-klassieke periode kan nooit anders dan goed doen aan ons zooveel zwakker geslacht.

Maar wel heeft de Heraut nooit nagelaten protest aan te teekenen tegen de valsche repristinatie-zucht, die ons kerkelijk leven wilde persen en wringen in het keurslijf van bepalingen en voorschriften, die destijds reden van bestaan hadden, maar op onze toestanden niet meer passen.

Een kerk mag nooit een petrefact worden. Het leven zelf verzet zich daartegen. Niet alleen dat onze vaderen op menig punt genoodzaakt waren concessies te doen aan de praktijk, waardoor de rechte doorwerking van het beginsel verhinderd werd en het dwaasheid zou zijn, deze concessies thans tot regel te willen stellen voor onze Kerken. Maar het kerkelijk leven zelf staat niet stil, het stroomt vooruit, het komt in aanraking met nieuwe toestanden, nieuwe eischen, nieuwe vraagstukken. Ook daarin openbaart zich de leiding Gods, die in de historie nooit repetitie duldde, maar zijn gemeente steeds dieper in alle waarheid leidt en nader voert tot het ideaal der volmaaktheid. Een ideaal, dat niet in het verleden ligt, maar eerst in de toekomst zal bereikt worden, wanneer Christus zijn Bruid onbevlekt en zonder rimpel aan den Vader voorstellen zal.

Met beide factoren moet dus rekening worden gehouden. evenzeer

Eenerzijds met het historische fundament, dat gelegd is geworden onder de leiding Gods en dat ook ons kerkelijk leven dragen en steunen moet.

En anderzijds met de roeping, om op dat fundament voort te bouwen naar de eischen en behoeften van den tijd, waarin God de Heere ons leven doet.

Alleen wie met deze beide factoren rekening houdt, vaart veilig tusschen de Scylla van een beginselloos subjectivisme en de Charybdis van een alles versteenend conservatisme heen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Kerkelijke vertegenwoordiging.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 november 1901

De Heraut | 4 Pagina's