Kerkelijke vertegenwoordiging.
II.
Het vraagstuk der kerkelijke vertegenwoordiging, waarop wij in ons vorig artikel de aandacht vestigden, raakt het kerkverband, en wel nader gedefinieerd, de vraag op welke wijze de onderscheidene kerken, die krach tens dit kerkverband in meerdere vergaderingen saamkomen, hetzij dan classicaal of synodaal, daar zullen vertegenwoordigd worden.
De beginselen, die het Gereformeerd Kerkrecht aan dit saamkomen in meerdere vergaderingen ten grondslag legt, zijn onzen lezers bekend.
Het Gereformeerde Kerkrecht kent niet ééne, heel het land omspannende Kerk, met plaatselijke afdeelingen, die „gemeenten" worden genoemd, en onafscheidbare deelen zijn van het geheele lichaam.
Het kent alleen plaatselijke kerken, die elk op zich zelf een volkomen kerk vormen, welke geheel autonoom is, d. w. z. zichzelf regeert en die geen ander gezag boven zich heeft dan dat van Christus Jezus, haar Koning.
Dat wij hierop met nadruk wijzen is, omdat telkens uit de Hervormde Kerk ook in onze kringen weer binnendringt de gansche onjuiste voorstelling van de ééne Landskerk. In allerlei, tot zelfs officieele stukken, vindt men uitdrukkingen en spreekwijzen gebezigd, die bij de ééne gcnootschapskerk hooren, maar niet bij onze Gereformeerde Kerken. Elders in ons blad wordt hiertegen door Ds. Wolf, en volkomen terecht, geprotesteerd.
Het is alsof onze Kerken er nog altijd niet aan wennen kunnen, dat het „genootschap" te niet is gedaan, met wortel en tak in ons midden is uitgeroeid, en dat wij nu niet anders hebben dan plaatselijke Kerken elk met volkomen souvereiniteit in eigen kring.
En toch is de zaak zoo doodeenvoudig
De tegenstelling gevoelt men het best, als men onzen kerkdijken toestand vergelijkt met den politieken toestand vóór en na de omwenteling.
Vóór de omwenteling bestond Nederland uit zeven souvereine provinciën. Elk dezer provinciën vormde een gemecnbest, een republiek op zichzelf. Ze hadden elk haar eigen rechtspraak, haar eigen munt, haar eigen bestuurscolleges.
Wel waren deze provinciën door de Unie van Utrecht in een confederatief verband getreden en traden zij later naar buiten op als de Republiek der Vereenigde Nederlanden, maar dit verband berustte op onderhnge bewilliging en goedkeuring; het raakte enkele te voren vastgestelde punten, zooals het recht van oorlog en vrede, de handhaving der ware religie enz.; en de Generale Staten, die aan het hoofd der Unie stonden, hadden wel de „hooge Souvereiniteit" in handen, maar dan toch alleen, omdat en voorzooverre in dit college de verschillende souvereine gewesten door hunne afgevaardigden vertegenwoordigd waren.
Geheel anders werd het na de omwenteling. De provinciale autonomie viel weg; de provinciën werden opgelost, eerst in de Bataafsche Republiek, daarna in het Koninkrijk der Nederlanden. Het waren thans geen twaalf zelfstandige gewesten meer, maar het werd één koninkrijk, één natie, één geheel. Friesland en Holland, Zeeland en Gelderland zijn onderdeden van dat geheel. En de souvereiniteit berust niet bij de provinciën, maar is door het Rijk opgedragen aan het Huis van Oranje. De Generale Staten zijn niet meer de vertegenwoordigers der souvereine gewesten, maar de vertegenwoordigers van het volk, wier taak en roeping het thans is tegenover het süuverein gezag de rechten en belangen van het volk te bepleiten.
Op staatkundig gebied is voor deze verandering zeker v; el te zeggen. De vroegere provinciale souvereiniteit verbrokkelde de nationale eenheid, gaf tot einddoozen naijver aanleiding en brak vaak onze na tionale kracht. Onze beste Calvinisten hebben dan ook steeds voor de nationale eenheid geijverd, en het was niet de Oranjepartij, maar de Regenten-partij die deze autonomie soms zóóver dreef, dat de band dreigde te breken, welke de zeven pijlen hield saamgesnoerd.
Maar dat nu daargelaten, helpt deze verandering, die onze staatsregeling onderging, om een juist beeld te krijgen van het onderscheid tusschen het gereformeerde en het collegialistische kerkbegrip, ook al behoort men natuurlijk steeds in het oog te houden het verschil, dat tusschen Staat en Kerk blijft bestaan.
Zooals de toestand thans is op staatkundig gebied, zoo vat het collegialisme ook de Kerk op. De Kerk bestaat niet uiteen aantal plaatselijke kerken, maar is één genootschap, dat zich uitstrekt over heel het land, en ieder die tot het genootschap behoort is lid van deze ééne Nederlandsche Hervormde Kerk. Men is niet lid van de Hervormde kerk te Amsterdam of te Rotterdam, maar lid van de Hervormde kerk in Nederland, en slechts voorzoover en omdat deze ééne kerk ook een plaatselijke afdeding, „gemeente" genoemd, te Amsterdam bezit, is men daar als lidmaat ingeschreven. De souvereiniteit bij deze kerk berust dan ook niet bij de plaatselijke kerken, die als onderafdeelingen nauwelijks een schijn van gezag meer hebben overgehouden, maar bij de Synode, het hoogste besturende, wetgevende en rechtsprekende college. Een werkelijke Synode, d. w. z. een vergadering van kerken, is dit college dan ook niet; het is veeleer een Senaat, een bestuurs college, gekozen door de lagere „besturen" en dat met de hoogste macht is bekleed.
Lijnrecht daartegenover staat de Gereformeerde opvatting, die zich het best vergelijken laat met het confederatief verband der zeven souvereine provinciën, mits men in plaats van de provinciën de plaatselijke kerken stelt. Elke plaatselijke kerk vormt in dat stelsel een volkomen zelfstandig geheel, is een kerk in den volsten zin des woords. De geloovigen behooren hierbij niet tot de ééne landskerk, maar zijn lidmaat der plaatselijke kerk. En deze kerk is geheel autonoom, ze wordt geregeerd door haar eigen kerkeraad, die, altijd in afhankelijkheid van het souverein gezag van Christus, de kerk bestuurt, recht spreekt in Christus naam, en daarbij aan niets and: rs dan aan Gods Woord gebonden is.
Er is boven dezen kerkeraad in de kerk geen enkele hoogere macht dan de macht van Christus alleen. De Classis en de Synode s'aan, om het met Voetius eens zeer scherp uit te drukken, niet boven den kerkeraad, maar beneden hem. Het is niet een opklimmende macht, zoodat de kerkeraad de minste macht heelt, de Classis en Provinciale Synode een hoogere macht en de Generale Synode de hoogste macht. Maar juist omgekeerd een afdalende reeks: de hoogste macht berust bij den kerkeraad, en van den kerkeraad daalt die macht af op de Classis, de Provinciale en de Generale Synode.
Hieruit volgt vanzelf, dat het verband tusschen deze vrije en zelfstandige kerken in juridischen zin genomen cp niets anders rust dan op het vrijwillig over en weer aangegaan akkoord. Evenals de souvereine gewesten in 1579 te Utrecht s amkwamen en een Unie sloten tot behartiging van elkanders belangen, zoo hebben de kerken op de Synode van Emden in 1571 zulk Unie of Bond van kerken gevormd, waarbij d; eenheid van Belijdenis den grondslag vormde en in de kerkenorde de regelen werden vastges'.dd, die voor dat verbond zouden gelden.
Door dezen Bond werden de kerken dus allerminst opgelost in één groote Landskerk; zé bleven voor en na geheel zelfstandige en zichzelf regeerende kerken. Dat ze tot dien Bond van Kerken behooren, berust op haar eigen vrijen wil. Juridisch hebben zij het volle recht, den band met dezen Kerkenbond te verbreken, wanneer zij dit noodig achten. Evenals elk geloovige door eigen, vrije verbintenis lid is der plaatselijke Kerk en geen Kerkeraad hem dwingen kan lid te zijn tegen zijn wil, zoo kunnen ook de overige Kerken geen Kerk, die het kerkverband breken wil, dwingen bij dezen Bond te blijven.
Natuurlijk bespreken wij de zaak thans alleen van uit kerkrechtelijk oogpunt. De vraag, of er van Godswege geen roeping bestaat om dit kerkverband aan te gaan, en of het geen zonde is dit kerkverband om lichtvaardige redenen te verbreken, blijft dus buiten spel. Het is ons hier te doen niet om de zedelijke roeping der Kerken tegenover elkander, maar om zoo scherp en duidelijk mogelijk in het licht te stellen, hoe in kerkrechtelij ken zin dit kerkverband moet worden verstaan.
De noodzakelijkheid van dit verband spreekt vanzelf. Al is elke Kerk autonoom, de Kerken hebben toch gemeenschappelijke belangen, die zij alleen gezamenlijk en niet elk op zich zelf kunnen behartigen. Bovendien, door het beroepen over en weer van eikaars Dienaren, het vertrekken van de lidmaten van de eene kerk naar de andere, enz. ontstaat vanzelf de behoefte om zekere regelen en ordeningen voor dit onderling verkeer vast te stellen. In volkomen isolement leeft geen enkele Kerk. Telkens komt ze door het organisch leven met de andere Kerken in aanraking. Er moet dus wel naar een regeling van dit onderling verband worden gezocht, zal er geen wanorde ontstaan en daardoor inbreuk op elkanders rechten worden gemaakt.
Het kerkverband heft dus het recht der plaatselijke Kerk niet op, maar dient juist om dit recht te handhaven en te bevestigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 1901
De Heraut | 4 Pagina's