„En als hij leed, niet dreigde.”
Die, als hij gescholden werd, niet wederschold, en als hij leed, niet dreigde, maar gaf het over aan Dien, die rechtvaardiglijk oordeelt. I Petrus 2 : 23.
Jezus heeft ons óók een voorbeeld nagelaten; en wel een voorbeeld volstrekt niet alleen om te bewonderen, maar wel ter dege ook ter navolging.
Jezus zelf sprak het, na de voetwassching, in den kring van zijn jongeren uit: „Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs ik u gedaan heb, gijUeden cok doet."
Johannes herhaalde deze diepe gedachte in anderen vorm, toen hij schreef: „Wie in Jezus zegt te blijven, moet ook zelf alzoo wandelen, gelijk hij gewandeld heeft".
Paulus riep het ons toe: „Dat gevoelen zij in u, dat ook in Christus Jezus was."
En Petrus betuigt het met klem en nadruk; „Broeders, hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt navolgen."
Van die viervoudige roepstem is misbruik gemaakt. Niet door Thomas a Kempis, die de hervorming hielp voorbereiden, maar wel door de afvallige naneven der hervormers, die aan de geestelijk verarmde gemeente voorhielden, dat ze niets had aan de bloedtheologie, en verkeerd deed met voor haar Heiland, als God geopenbaard in het vleesch, neder te knielen, en dat al haar Christendom slechts in dat ééne had te bestaan, dat ze Jezus' vroomheid en Jezus' liefderijken zin navolgde.
Wreed werd op die wijze het voorbeeld van Jezus misbruikt, om hem zijn Goddelijke eere te ontrooven.
Maar bij dit ééne kwaad bleef het niet. Er kwam een tweede kwaad bij, dat nu nog onder veel vrome belijders en belijderessen nawerkt
Immers geërgerd door dit averechtsch en eenzijdig dringen op Jezus' voorbeeld, wilden veel geloovigen tenslotte van dat voorbeeld van Jezus niet meer hooren, en trokken ze al hun geheiligde aandacht op dat andere punt samen, om toch den Zoon te eeren, gelijk ze den Vader eerden.
De prediking van Jezus voorbeeld kwam daardoor in opspraak. Wie er nadruk op legde, kwam onder verdenking van met het ongeloof te heulen. En zoo zijn er niet zoo weinige orthodoxe predikers geweest, die, emeritus ge worden, onder hun zee van predicatiën er ter nauwemood één .konden aanwijzen waarin met opzet, met nadruk, en met bezieling onze roeping om Jezus voorbeeld na te volgen, aan de gemeente op het hart werd gebonden.
Vanzelf heeft dat invloed gehad op de stemming der geloovige gemeente, en het oefent dien invloed nog.
Broeders en zusters, die eiken morgen opstaan met de vraag, hoe in de navolging van Christus ijverig en volstandig te zijn; die, eer ze zich te slapen leggen, zich afvragen, of hun voet dien dag wel in de voetstappen van Christus gezet werd, — ze zijn er niet zoo vele.
Bovendien valt hierbij op tweeërlei te letten.
Het eerste is, dat het voorbeeld van Jezus niet is op te vatten, zooals het voorbeeld van een brave, vrome moeder haar kind trekt. Dan toch is het volgen van dat voorbeeld nabootsing, zonder meer.
Bij Jezus daarentegen is sprake van een volgen in de voetstappen, die hij gezet heeft.
Wat dit verscheelt, weet het best, wie ooit urenlang op een sneeuwveld liep. Men zinkt in die sneeuw op de bergen soms tot over de enkels en dieper in. Reeds na een uur begint dit te vermoeien; en moet zulk een marsch vijf, zes uren worden voortgezet, dan is de uitputting ontzettend. Bij de meeste bergklimmers gaat dit ook anders toe. Ze hebben een gids; die gids gaat vooruit, en trapt de sneeuw in; en de reiziger zet dan telkens zijn voet in de hoUigheid die de gids stap voor stap gemaakt heeft, wat de inspanning en vermoeienis tot op een derde vermindert.
En zoo nu is het ook hier. Jezus is onze gids die vooruitgaat. Hij laat een spoor van voetstappen achter, en in die voetstappen treden wij in. Zoo volgen wij Hem, maar alleen doordien Hij zelf ons het volgen mogelijk maakt.
Dat vooreerst, maar nu is er nog een tweede.
Het voorbeeld van Jezus is niet werktuigelijk voordoen van wat wij hebben na te bootsen. Jezus heeft geen aalmoezen gegeven, Jezus heeft geen aardsch beroep waargenomen, Jezus heeft geen huisgezin gehad. Bijna alle gewone levens betrekkingen ontbraken bij Jezus. In dat alles kon hij ons niets voordoen. En als hij na de voetwassching zegt, dat hij ons een exempel heeft nagelaten, beduidt dit allerminst, dat ook wij een bekken water hebben te nemen, om elkander de voeten af te spoelen.
Het voorbeeld van Jezus raakt nooit anders dan het verborgen motief van ons spreken en handelen. Het rust op het beginsel, waaruit we handelen. Het bepaalt de richting, den stuur en het doel van wat we doen of laten zullen.
Zoo ook hier.
Christus heeft voor ons geleden, en ons daarin een voorbeeld nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt intreden, en alzoo hem navolgen.
AVaarop nu ziet dat: „Voor ons geleden f' En bij die vraag denkt bijna een ieder terstond aan het Kruis en aan het Kruis alleen. Maar Petrus zegt het zoo niet, want er volgt op: „die als hij leed niet dreigde."
Dit lijden nu stond Jezus zeer zeker ook op Golgotha door, maar toch, daar niet voor het eerst, en niet daar alleen. Veeleer heeft Jezus dat lijden bij heel zijn omwandeling gedragen.
Bitterheid werd hem van menschen aangedaan. Ze griefden, ze kwetsten, ze tergden Jezus. Soms scholden ze Jezus uit. Daar le.; d Jezus onder. Dat gevoelde hij diep. Dat wondde Jezus en deed hem pijn.
En als hij nu zoo leed, dan dreigde hij niet. D. w. z., dan zei Jezus geen hard woord terug. Dan vergold hij geen bitterheid met bitterheid. Dan kwam het niet in hem op, om nu ook op zijn beurt wie hem wondde, te wonden. Voor het gif der lippen gaf hij geen gif terug, maar hij gaf het over aan Dien die rechtvaardig oordeelt, en vergold keer op keer die bitterheid met te zegenen die hem vloekte.
En zoo, ge gevoelt het, komt het voorbeeld van Jezus u veel nader.
Als ge bij dat: „als hij leed, niet dreigde", terstond, en eeniglijk aan Golgotha denkt, komt onwilkeurig de bedenking op, dat men u niet aan een kruis hangt, en dat dit op u dus niet van toepassing is.
Maar als het ook, en zelfs in de eerste plaats, slaat op verdriet, op bitterheid u door het grievend, kwetsend woord aangedaan, dan voelt ge terstond, dat dit zeggen van Petrus in uw eigen leven indringt.
De tong doet ook nu nog zooveel kwaad, in het uitstrooien van kwaad gerucht, in achterklap, in driftig verwijt, in booze vermoedens te uiten, in kwetsende, grievende woorden, in bittere, wondende taal.
Wie uit één stad als Amsterdam, van één enkelen dag, stenographisch alle giftige, kwetsende, wondende woorden kon opteekenen, die zelfs tusschen man en vrouw, tusschen broeders en zusters, tusschen ouders en kinderen gewisseld worden, en daarbij kon voegen wat tusschen mannen en vrouwen die broodnijd saambrengt, wordt uitgestooten, hij zou ver baasd staan over de afmetingen die deze gifklier zelfs in de hoofdstad van een Christelijk volk heeft aangenomen.
Wie gaat hier vrij uit, welk huis kan zeggen met dit gif niet bespat te zijn ?
Maar nu verder, wat is nu als regel, de uitwerking van deze bitterheid in woorden? Wat anders, dan dat men terugdreigt? Dat het bittere woord een nog bitterder woord over de lippen haalt, en dat woord met woord betaald wordt ?
Het is zoo, niet ieder scheldt terug. Er zijn er die zich bedwingen. Maar uit welk motief? Uit welk beginsel? Is het niet veelal, omdat men er voor past, zich boos te maken? Omdat men geen ruzie wil? Omdat men vooruit weet, dat men teruggevende straks nog erger terug krijgt ? En ook omdat men zich te hoog gevoelt, om tegen zoo lage taal iets terug te zeggen ?
Dan wordt er niet teruggeschoMen, maar is men dan daarom een navolger van Christus ?
Immers niet, want bij Jezus komt het alleen op het motief, op het beginsel aan, en dat motief, dat beginsel bij Jezus was; zijn zaak over te geven aan Hem die rechtvaardig oordeelt, wat bij óns volstrekt niet altcos zeggen wil, dat we vrij uitgaan, of in alles gelijk hebben, maar het ons op het hart drukt: Wreekt uzelven niet, beminden, ook in verband met wat David van Simei betuigt: God heefc gezegd tot Simei: vloek David.
Een heel andere, een veel diepere opvatting derhalve, die onze houding tegenover het bitter woord heel anders opvat, en ons niet trotsch maakt, maar veeleer verootmoedigt. En ook ons bedenken doet: Verleid niet door bittere tegenspraak hem, die zich aan u bezondigde, tot nog erger kwaad.
Vanzelf volgt er dan nog dit andere uit, dat ge uzelven intoomt, om, als uw nieren geprikkeld zijn, niet van uw kant met het bittere woord te beginnen.
Jezus leed onder het bittere, giftige woord der tong. Ook aan uzelven weet ge zeer goed, wat verdriet men er u vaak meê aandeed, en hoe gij er onder leedt.
Maar gij zelf nu, waart gij nooit oorzaak dat anderen leden door het bittere woord, dat van uw lippen tegen hen uitging? Zijn er niet nog litteekenen van wonden, die gij met de scherpte van uw tong geslagen hebt?
Nu, ook van dat aandoen van leed aan anderen houdt hetzelfde motief u terug. Als het u in de nieren prikkelt, om bitter tegen anderen te zijn, wees het dan niet, maar geef het ook dan over aan Dien, die rechtvaardig oordeelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1901
De Heraut | 4 Pagina's