Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Onze roeping teg nover Indië.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze roeping teg nover Indië.

7 minuten leestijd

Kapitein Idenburg, wiens optreden in de Kamer door alle partijen met onverdeelden lof is begroet geworden, heeft bij het kolo niaal debat op treffende wijze uiteengezet, welke roeping onze Overheid tegenover de geestelijke belangen van Indië heeft.

In de Troonrede was op die zedelijke roeping gewezen, en daaraan aanknoopend, zeide de afgevaardigde van Gouda: ^

Nu wordt in de Troonrede verband gelegd tusschen de zedelijke roeping tegenover de volkeren van den Archipel en het feit, dat Nederland een Christelijke Mo gendheid is. Zie ik jvei, dan wordt daardoor de richting aangegeven waarin wij de vervulling althans van de geestelijke zijde van onzen plicht zullen hebben te zoeken. Immers wanneer wij ons als Christenvolk plaatsen tegenover de belijdenis van den islam en tegenover het heidendom en de vraag stellen: /loe wij die volkeren zullen opvoeden, dan kan bij terugblik in eigen geschiedenis het antwoord niet anders luiden, dan door daar den wortel te planten die onze hoogere beschaving draagt, het Christendom. De uitbreiding van het Christendom in Indië acht ik dan ook een noodzakelijke voorwaarde tot de vervulling van onze zedelijke roeping tegenover die volkeren en daarom in denzelfden zin als Dr. Kuyper dit deed, wiens woorden door den laatsten spreker van gisteren blijkbaar verkeerd werden verstaan, een zaak van groot politiek belang.

Ik laat nu het gevaar dat in de uitbreiding van den Islam voor ons gezag ligt, buiten sprake. Ik reken alleen met onze zedelijke roeping als Christenvolk en met het feit, dat blijkens de ervaring Islam noch paganisme hun belijders kunnen opvoeren tot de hoogte van de gekerstende volkeren.

Met dankbaarheid constateer ik dat het politiek belang van de uitbreiding van het Christendom in de Memorie van Antwoord volledig wordt erkend, en ook meer en meer, zooals ook de dag van gisteren ons geleerd heeft, toegestemd wordt door hen die niet met ons uit denzelfden godsdienstigen en staatkundigen wortel leven. Ik herinner er aan hoe met name de thans afgetreden Minister van Koloniën meermalen getoond heeft een open oog te hebben voor het groote belang van de uitbreiding van het Christendom in Indië en daardoor velen, die het wel meenen met het land, ten zeerste aan zich verplicht heeft.

Het inzicht dat de kerstening van Indië u't een politiek oogpunt een wenschelijke zaak is, sluit allerminst in dat men een Christelijke propaganda van overheidswege zou willen.

De Memorie van Antwoord geeft in dit opzicht geen onzeker geluid, en zooals gisteren bleek, is de ongerustheid, die in dat opzicht bestond, daardoor volkomen geapaiseerd.

Ik wensch het ook dezerzijds uit te spreken, dat wij antirevolutionnaren in geenen deele, noch rechtstreeks noch zijdelings, propaganda voor het Christendom van overheidswege wenschen. Mijn ideaal zou eerder zijri, dat het korps ambtenaren, thans in dienst van de Regeering, ten bate van den Protestantschen eeredienst, werd opgeheven, dan dat daaraan nieuwe ambtenaren toegezegd werden. De overheid kan geen godsdienstige propaganda drijven ; zij iitag het niet doen ; het is bovendien in het Regeeringsreglement verboden. Het eenige wat vvij aan de overheid vragen is : dat zij vrijheid late voor de missie, dat de beletselen tegen den overgang tot het Christendom worden opgeruimd, dat het Christelijk karakter van ons volk niet worde verloochend door den schijn aan te nemen alsof wij godsdienstloos, zoo niet nu en dan Mahomedaansch zijn; dat erkend worde, dat, waar het Christendom ons gemaakt heeft wat wij zijn, uitbreiding van het Christendom in het belang van de bevolking moet geacht worden, in den geest zooals dit te vinden is in de laatste zendingscirculaire.

Volkomen vrijheid voor ieder om zijn godsdienstige meening te belijden, sluit evenwel niet in, dat de overheidspersonen zich als godsdienstloos zouden moeten voordoen.

Zulke neutraliteit wordt door het Regeeringsreglement niet gevorderd; zulke neutraliteit strekt allerminst om achting af te dwingen van den inlander, die eigen vrijheid waardeert, maar niet begrijpt dat het hem toestaan van vrijheid, bij ons moet leiden tot verloochening van dezen godsdienst. En inderdaad is dit ook zoo niet. - Indifferentisme op godsdienstig gebied geldt voor velen als het toppunt van koloniaal beleid. Ik bestrijd dit op grond van ervaring van mij en van anderen, die steeds hebben ondervonden dat een Europeaan, die het ernstig meent en ernstig neemt met zijn godsdienst, meer achting ontvangt en vertrouwen geniet van de bevolking, dan iemand die zijn godsdienst wegmofïelt. Ik zou tot staving daarvan interessante getuigenissen van verschillende niet-Christen inlanders kunnen bijbrengen; ik zal dit echter achterwege laten en alleen herinneren aan hetgeen professor van den Berg daarover in 1890 schreef, namelijk: „Men meene vooral niet datmen persoonlijk meer invloed op den Muzelman zal verkrijgen door zich voor te doen als iemand zonder godsdienst, dan door als belangstellend Ch-i-iten aanraking met hem te zoeken. Een Christen staat in zijn oog altijd veel hooger dan iemand die tot geen kerkgenootschap behoort. En wat van het individu geldt, geldt ook van de Regeering."

Met ernst wensch ik er bij den Minister op aan te dringen, dat volledige vrijheid van godsdienst in den Archipel worde gehandhaafd; dat niemand in zijn conscientie geweld worde aangedaan ; dat rechtstreeks noch zijdelings van Regeeringswege propaganda voor eenigen godsdienst worde gedreven ; maar ook dat niet, zooals ik weet dat voor eenige jaren is geschied, door gouvernementsambtenaren in qualiteit bij een Kendoerifeest Mahomedaansche gebeden worden medegepreveld; dat niet door gouvernementsambtenaren bij gouvernementsbouwwerken aan exorcisme worde gedaan ; dat niet bij officieele gelegenheden van overheidswege het gebed tot Allah worde verzoch*".

Dat alles heeft met godsdienstvrijheid niets te maken en verlaagt ons ir, de oogen van den inlander.

En niet minder juist is, wat do r hem werd opgemerkt in betrekking tot de handhaving der Zondagsrust».

In-dit verband wil ik ook verzoeken dat op de gouvernementsbureau's, werkplaatsen, inrichtingen en werken met ernst de Zondagsrust worde toegepast. Ik vraag niet, dat die zal worden voorgeschreven; ik meen dat dit voorschrift bestaat. Ik vraag alleen, dat er de hand aan gehouden worde en dat er niet van afgeweken worde ter wille van zoogenaamd „spoedeischend werk, " dat in den regel zeer wel uitstel gedoogt.

Ik vraag dit uit een sociaal oogpunt. Ik herinner er aan hoe de geschiedenis leert, dat bij de verspreiding der Joden in het begin onzer jaartelling, door vele Grieken en Romeinen Sabbatrust werd ingevoerd, niet omdat zij tot het Jodendom bekeerd werden, maar uitsluitend omdat zij de goede maatschappelijke uitwerking van Sabbatsrust zagen.

Seneca, die dat streng afkeurde, getuigt:

„Deze eigenaardige gewoonte van het vervloekte Joodsche volk • heeft zoo hand over hand zich uitgebreid, dat de Sabbat nu reeds in alle landen door velen gevierd wordt. De overwonnen Joden stelden zoodoende de wet aan hun overwinnaars. En dat terwijl de Joden dan ten minste nog weten waarom zij den Sabbat vieren, maar deze nabootsers weten er niets van." Wat zich in de Romeinsché en Grieksche wereld voordeed zal zich ni. i. ook in de Maleische en Javaansche wereld openbaren, als het Gouvernement ernstig en consequent het voorbeeld geeft van Zondagsrust. Tot toelichting van deze voorspelling herinner ik, hoe nu reeds op de bureau's van Pakoe Alam te Djokja, waar alleen Javanen werken, Zondagsrust is ingevoerd, in navolging van wat voor de gouvernements-bureau's is voorgeschreven en daar ten deele geschiedt.

Ik zou het voor alle gouvernementsambtenaren — Europeesche zoowel als inlandsche — en ook voor de gestraften een v/eldaad, achten, als zij, buitengewone omstandigheden buiten rekening gelaten, elke week vast op één rustdag konden rekenen, en ik meen, dat het maatschappelijk nut daarvan zoozeer zou blijken, dat die gedachte allengs bij de bevolking zelve ingang zou vinden.

Het is een zegen voor Indië. dat zu'ke woorden bij onze Regeering een welwillend oor vinden, en de Minister van Koloniën verklaarde, geheel met den heer Idenburg in te stemmen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Onze roeping teg nover Indië.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 december 1901

De Heraut | 4 Pagina's