Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Een tegendeel geworden.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Een tegendeel geworden.”

7 minuten leestijd

Zoo zijt gij tot een tegendeel geworden. Ezechiél 16 : 34c.

Een engel, die valt, wordt niet een kranke geest, maar een demon. Het hoofd der engelen, toen hij viel, werd nii; t een ondergeschikte engel, maar Satan. Hoe hoog ouder menschen de vrouw ook sta, als ze valt, wordt ze duivelin.

Als het rad des levens omgaat, neigt het leven terstond naar een omslaan in zijn tegendeel.

Reeds onder de heidenen had men dit opgemerkt, en daarom zei men: Optimi corruptio pessima, wat onder ons, plomper, maar in geheel gelijken zin pleegt uitgedrukt te worden, als het spreekwoord zegt: hoe grooter geest, hoe grooter beest.

Dit nu noemt Ezechiël: „een tegendeel geworden", en hij past het toe op Israel.

Israel was het volk van het Goddelijk echtverbond. Jehova had Israel getrouwd. En toen nu Israel in trouw te kort schoot, en van zijn God afhoereerde, sloeg het om in erger, dan wat de „vreemde vrouw" ooit placht te zijn. In Israel klom de geestelijke ontrouw op 't hoogst. Het ging Samaria en Sodom in de gruwelijkheid der schande te boven.

Op Golgotha komt dit in Israël uit.

Het is zoo, ook de heidenen hadden een hand in het onheilig werk, dat op Hoofdscheelplaats volvoerd is. Pilatus gaf Jezus over, een officier van het Romeinsche leger voerde op Golgotha het bevel. En toch, welk snijdend onderscheid niet tusschen Pilatus en Caiaphas, en evenzoo tusschen dien officier die ten slotte uitroept: „Waarlijk, deze was Gods zoon", en die priesters, die nog den stervenden Heiland sarden en tergden. Was het ook niet onder den indruk van die tegenstelling, dat Paulus aan de Kerk van Tnessalonika over de Joden schreef als over hen, „welke ook gedood hebben den Heere Jezus en hun eigen profeten, Gode niet behagen, en alle menschen tegen zijn" ?

Israël stond het hoogst, en daarom is uit Israël een Johannes; maar Israël viel het diepst, en daarom was uit Israël ook Judas.

Het mes dat bot is, schrampt u nauwelijks de huid, het scherpe lemmet van fijngeslepen staal dringt met één stoot tot uw hart door. Tegenover den hemel kan niet anders dan de hel staan, tegenover het Vaderhuis met zijn vele woningen is niel anders denkbaar dan de chaos van de buitenste duisternis, waar het weening zal zijn en knersing der tanden.

Een gevalkn Koning zinkt zooveel dieper weg dan een koopman die failleert.

Dit ligt daaraan, dat God de Almachtige is. Iets waaruit immers volgt, dat er geen macht bestaat noch bestaan kan, of die macht moet door God geschapen zijn, en door God in stand worden gehouden.

Omdat God de Almachtige, en deswege de bron en fontein van alle kracht is, kan noch Satan, noch Judas, beschikken over andere kracht dan die ze van God ontvingen.

De sluwe kracht van het zinnen, waarmee de sluipmoordenaar zijn gruwelstuk bedenkt, en de kracht van de hand, waarmede hij zijn slachtoffer de dolk in den rug stoot, zijn niet krachten die hij zelf schept, maar krachten die God hem schonk, en op het eigen oogenbhk dat hij moordt, in hem in stand houdt.

Toen Gods eigen lieve Zoon met geeselen gestriemd, en straks aan het Kruis genageld werd, is de hand die dezen gruwel bedreef, op het eigen oogenblik door God zelf hiertoe be kwaamd.

Andere kracht, dan die uit Gods Almacht welt, is er niet, noch op aarde noch in de hel. Kaïn sloeg Abel dood met kracht door God hem gegeven; en of Nebucadnezar Israels koning de oogen uitsteekt, of Kores Israël verrijkt en naar Jerusalem terug zendt, het was altoos denkkracht en wilskracht, die God in deze vorsten schiep en in stand hield.

Daarom nu wordt alle zonde, alle kwaad, alle ongerechtigheid, alle gruwel nooit anders bedreven dan met kracht die God verleent maar met kracht die „een tegendeel is gewor den", die in zijn tegendeel omsloeg, die aan onzen God ontroofd en tegen God gekeerd werd. En hoe ver en hoe fijn ge de zonde ook in haar diepste roerselen en veielen napluist, en vervolgt in al haar booze vertakkingen, en in haar onheilige ontwikkelingen, ge zult nooit iets anders in haar vinden, dan gaven, krachten, werkingen, die door God verleend, door God besteld, door God beschikt zijn, maar die omsloegen in haar tegendeel.

Het is er mede als met den wachthond, die eerst met aanhankelijke trouw voor u opvliegt, als ge wordt aangevallen, maar die straks dol geworden, u zelf aanvliegt en u poogt te verscheuren.

Zoo nu is het ook met u.

Ook uw hart is niet anders dan door God besnaard, en zoo dikwijls er wanklanken uit uw hart klinken, zijn ook die wanklanken ontlokt aan diezelfde snaren, die God op de harp in uw ziel fpande, om tonen uit te geven van lof en van liefde voor uw God.

Uw boezemzonden waarmee ge worstel't, zijn niet van buiten in uw ziel ingeslopen krachten, maar gaven, krachten die krachtens uw schepping in u gevonden worden, en die nu, ontrukt aan haar bestemming, in haar tegendeel zijn omgeslagen. Het is goudgeld, door uw Vader in de hemelen u toevertrouwd, om er mee wel te doen, en dat gij uitgeeft, om er uw onheilig doel mee te bereiken.

Die gaven, die krachten, die talenten, die uw God, toen Hij u schiep, u meegaf, zijn, zoo ge wilt, op zich zelf neutraal. Het is het ééne zelfde zwaard, dat, recht gehanteerd, u tot een held maakt, maar ook, m sbruikt, u verlaagt tot een moordenaar.

Het zijn gaven, krachten, talenten, die ge of ontheiligen, öf heiligen kunt.

Ontheiligt ge ze nu, zoo zijn ze u ten verderve, maar ook, weet ge ze te heiligen, dan worden ze een offerande aan uw God.

Bekeerd worden tot den levenden God, overgaan uit den dood in het leven, is daarom niet, uw dusver misbruikte gaven, krachten en talenten op nonactiviteit zetten, om nu een afgetrokken gemoedsleven te leiden. Neen, kind van God betoont alleen hij zich, die deze misbruikte gaven, krachten en talenten alsnu heiligt, en zoodoende ze nogmaals in haar tegendeel omzet.

Eerst sloegt gij ze in hun tegendeel om, en werden ze zonde. Nu moeten ze nogmaals in hun tegendeel omgezet, en zoo worden ze Gode tot een liefelijke reuke.

En dat er van zoo menig vroom Christen zoo weinig bezieling, zoo weinig kracht voor de eere Gods en voor zijn koninkrijk uitgaat, is alleen, omdat dit niet verstaan wordt, en men zijn eigen toestand en zijn eigen roeping niet begrijpt.

Er is meer nog.

Het Christelijk element staat onder alle verschijnselen in het leven verreweg het hoogst. Het tart alle vergelijking.

Maar scheidt zich hier het wezen van den schijn, dan wordt die schijn het fataalste dat zich denken laat; iets dat aanstoot geeft, en ergert, en weerzin tegen uw heerlijke religie wekt.

De hypocriet is erger dan de ongeloovige, Zijnzeven voudig„wee u"riep Jezus tegen niemand anders dan tegen de Parizeen uit.

Ook hier toch gaat dat omslaan in zijn tegendeel door. Wie den naam des Heeren aanroept, maar zoo, dat het buiten zijn hart omgaat, en slechts als schijn wordt aangegrepen, ontaardt in den onmensch; en de historie bewijst maar al te droef, hoe de grootste gruwelen van valschheid, wellust, wreedheid en trots onder dien schitterenden dekmantel zijn bedreven.

Wie met het heilige speelt, speelt met vuur, met een vuur, dat anderen aansteekt, en hemzelven verteert.

Niet te ernstig kan dit gevaar onder de oogen worden gezien, ook nu, nu de belijdenis van den Christus weer allerwegen opleeft.

Dit kan en moet land en volk ten zegen zijn, maar het kan ook uitloopen op schandelijke inzinking, zoo vergeten wordt, dat wie Jezus belijdt, niet anders mag leven, dan voor het Koninkrijk der hemelen.

Want ge vergist u, zoo ge waant, dat het aan u staat, om uwe Christelijke macht ongebruikt te laten rusten.

Niet gebruikt voor de eere van uw God, werkt die macht toch, maar dan in haar tegendeel omgezet.

De Heere uw God is een jaloersch God, en wat ge Hem niet in liefde toewijdt, werkt toch, maar dan in zijn tegendeel door, en moet eindigen met uzelven te verderven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1902

De Heraut | 4 Pagina's

„Een tegendeel geworden.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1902

De Heraut | 4 Pagina's