Dr. Bouwman's Repliek.
I.
Gelijk men zich herinneren zal, heeft de Heraut eenigen tijd geleden in een breede reeks van artikelen getracht het door de Vrije Universiteit ingenomen standpunt te verdedigen tegen de critiek, door sommige broeders, met name door Dr. Bouwman, in zijn referaat op den Kamper schooldag gehouden, daarop uitgebracht.
Dr. Bouwman heeft in een drietal artikelen in de Bazuin ons van repliek gediend, en wij stellen er prijs op, voorzooverre dit antwoord metterdaad de onderhavige strijdvraag raakt, het onder de oogen onzers lezers te brengen, opdat dezen oordeelen kunnen in hoeverre het Dr. Bouwman gelukt is, zijn critiek ten opzichte van Art. 2 der Statuten te handhaven.
Wat Dr. Bouwman schrijft over de verhouding tusschen de Kerk als organisme en als instituut laten wij daarom ter zijde, evenals de vraag, of de geïnstitueerde Kerk de bevoegdheid heeft eene geheele Universiteit op te richten. Hoe belangrijk deze quaesties ook zijn op zich zelve, ze raken slechts zijdelings het in geding zijnde geschil, en ze hierbij te betrekken benevelt de helderheid van blik, die bij deze ernstige quaestie vóór alle dingen van noode is.
De hoofdvraag is dus, of alle Gereformeerde beginselen, die voor den opbouw eener Gereformeerde Universiteit noodig zijn, in de Confessie zijn te vinden.'' Zoo ja, dan kan de Universiteit volstaan met al haar hoogleeraren aan die Confessie alleen te binden. Zoo neen, dan moet een Universiteit, naast de Confessie, die Gereformeerde beginselen voor de andere wetenschappen ook uitdrukkelijk als grondslag vermelden.
Het eerste standpunt werd door Dr. ouwman ingenomen. Heel zijn referaat iende juist om aan te toonen, dat alle beinselen, die voor de Gereformeerde wetenchap noodig zijn, in de Confessie aanwezig aren, hetzij dan duidelijk geformuleerd of n nuce (in kiem). Zelfs ging hij zoover an te zeggen, dat als deze beginselen niet n de Confessie stonden, ze dan soek waren. en uitdrukking, die in gangbaar Hollandsch eggen wil, dat ze buiten de Confessie niet e vinden zijn. En de grondgedachte, die eel dit betoog beheerschte, was, dat de Kerk alleen de macht had om deze beginselen vast te stellen. Eerst doordat de Kerk ze in haar belijdenis dogmatisch fixeerde, konden ze op den naam van Gereformeerde beginselen aanspraak maken.
Tegen die stelling hebben wij ons verzet. Vooreerst hebben wij met de stukken aangetoond, dat de beginselen, die Dr. Bouwman uit de Confessie haalde voor de niét-theologische wetenschappen, wel zekere algemeen christelijke grondbeginselen waren, waarmede ieder Christen zich vereenigen kon, maar geen den minsten waarborg boden voor het gereformeerd karakter van den opbouw dier wetenschappen. Ten tweede hebben wij aangetoond, waarom het karakter eener belijdenis, waarin de Kerk haar geloof uitspreekt aangaande de fundamenteele leerstukken, niet gedoogt, dat daarin een program van beginselen voor heel de wetenschap gegeven wordt. Ten derde hebben wij er op gewezen, dat de stelling, dat de Kerk voor heel de wetenschap de beginselen moet aanwijzen en afwijking daarvan beoordeelen moet, in strijd is met wat onze Gereformeerde vaderen steeds aangaande de roeping der Kerk geleerd hebben, en ons den Roomschen weg opvoert. En eindelijk protesteerden wij tegen de voorstelling, dat buiten de confessie de Gereformeerde beginselen zoek waren, omdat dit in nominalistischen zin het reëel bestaan dezer beginselen scheen te ontkennen, zoolang ze niet in de Confessie dogmatisch waren vastgesteld.
Dr. Bouwman heeft het tegenover dit viertal ernstige bedenkingen zich gemakkelijk gemaakt. Het zwaartepunt van zijn betoog ligt ook nu weer in de practische bedenking, dat er buiten de Kerk geen wettig orgaan is om deze Gereformeerde beginselen vast te stellen en afwijking daarvan te beoordeelen. Ook op deze quaestie willen wij het antwoord niet schuldig blijven, maar de aandacht mag daardoor niet afgeleid worden van de hoofdvraag, waarom het ging, nl. of in de Confessie de Gereformeerde beginselen voor heel de wetenschap te vinden zijn.
Wat onze bedenking betreft, dat het door Dr. Bouwman ingenomen standpunt nominalistisch is, antwoordt hij:
a. Ons standpunt heeft met het nominalisme niets te maken. Wij erkennen de realiteit der algemeene begrippen en gaan volstrekt niet uit van de gedachte, „dat de Gereformeerde beginselen, zoolang zij in een kerkelijke confessie niet geformuleerd zijn, er niet zijn", zooals de Heraut 1244 zegt. In onze rede van 3 Juli is door ons uitgesproken, dat er geen Gereformeerd grondbeginsel is, dat als uitgangspunt voor het denken kan gelden, of het is, hetzij dan wel omschreven of in nuce, (in kiem), reeds in de belijdenis aangegeven. Niet alle beginselen worden breed en duidelijk geformuleerd in onze belijdenis gevonden, maar wel de grondbeginselen, die uitgangspunten zijn van ons denken. Bedoeld zijn die beginselen, die erkend, uitgesproken en geformuleerd zijn, waaraan iemand mag gebonden worden, zonder dat zijne vrijheid in het onderzoeken belemmerd wordt. Verder is het door ons niet tegengesproken, dat er ook in het object van onderzoek gedachten, of wil men beginselen zijn, die moeten opgespoord worden. Neen, wij erkennen, dat er in het wezen der dingen, in de verschijnselen en feiten eene gedachte Gods gelegen is, omdat alles uitvloeisel is van den Raad Gods, omdat elk voorwerp is een schepsel Gods. Het is niet tegen te spreken, dat ieder voorwerp naar zijn aard en levenswijze moet worden bestudeerd, maar welke de gedachte Gods is, in ieder schepsel gelegd, kan eerst geformuleerd, nadat het is onderzocht, nadat men daarover tot helderheid gekomen is. Natuurlijk zal ieder ernstig onderzoeker rekenen met de gedachte, die in het object van onderzoek is nedergelegd. Maar aan datgene, wat men niet weet, kan men toch iemand niet binden, zooals reeds duidelijk is uiteengezet.
Wat heeft nu zulk een standpunt met het nominalisme te maken? Het kan zijn dat de Htratit deze beschuldiging ook meer in nominalistischen zin bedoelde en er slechts een flatus vocis in zag. Het is tenminste te hopen. Maar laat ons toch voorzichtig zijn. Wij gelooven wel, dat Dr. Kuyper de beschuldiging niet zoo ernstig meent, maar de woorden van de voormannen in de kerk worden door het volk niet als klanken beschouwd, maar ernstig-opgevat.
Ongetwijfeld brengt dit antwoord ons een schrede verder. Natuurlijk heeft niemand uit onze critiek afgeleid, dat wij Dr. Bouwman op philosophisch gebied voor een nominalist hielden. Indien het echter in het debat niet geoorloofd is, het standpunt, dat iemand in een bepaalde zaak inneemt, voor nominalistisch te verklaren, dan wordt de vrijheid, waarvoor Dr. Bouwman met zooveel warmte opkomt, geheel aan banden gelegd. Trouwens, Dr. Bouwman, die zelf het standpunt der Vrije Universiteit als „onwetenschappelijk" en „tyranniek" qualificeerde, moet niet boos worden, wanneer wij op onze beurt hem een lichten lansstoot toebrengen.
De hoofdzaak is echter, dat Dr. Bouwman hier toegeeft, dat er buiten de Confessie ook beginselen zijn, die door de wetenschap moeten worden opgespoord. Hoe het met deze uitspraak te rijmen is, dat hij in deze artikelen telkens den spot drijft met de beginselen, die„achter, boven en naast de Confessie" zouden liggen, laten wij aan hem zelf over. De erkenning, dat deze beginselen bestaan, is voor ons voldoende. Feitelijk wordt daarmede de bewering in zijn referaat, dat buiten de Gereformeerde Confessie de beginselen „zoek" waren, teruggenomen. Wat bestaat en door wetenschap-
pelijk onderzoek ie vinden is, is niet zoek. De vraag, of men een hoogleeraar bij voorbaat binden mag aan deze „op te sporen beginselen", raakt een geheel andere quaestie. Alleen in zooverre zouden_ wij met Dr. Bouwman verschillen, dat hij m het bovenstaande in het geheel niet rekent met het feit dat het Calvinisme een historie van vier eeuwen achter zich heeft en het onderzoek naar deze beginselen dus met pas nu te beginnen heeft.
Onze tweede bedenking, dat het laten vaststellen der beginselen voor de wetenschap door de Kerk, een Roomschen bijsmaak heeft, beantwoordt Dr. Bouwman aldus:
b. Evenmin is ons standpunt Roomsch. We erkennen geen kerk of Synode of Paus, die een onfeilbaar gezag bezit, wij buigen alleen voor God en zijn Woord. De Roomsche kerk berooft trouwens den onderzoeker niet van alle vrijhfcid. De Roomsche geleerden betoogen altijd in den breede, dat de kerk wel dogmata voor leer en leven vaststelt, maar overigens de wetenschap volkomen vrij laat. De voorbeelden, die Dr. Kuyper aanhaalt, zijn trouwens niet heel gelukkig. Dat de zon draait om de aarde, is volstrekt geen onfeilbare leer der Roomsche kerk, want de Roomschen leeren dat tegenwoordig niet meer; maar het was vroeger de algemeene meening, ook van de Lutheranen en van de Gereformeerden, op grond van Jos. lo : 12, 13.
Dit enkele feit bewijst dus evenmin iets, als dat de Gereformeerde kerken in Zwitserland in 1675, in haar Formula Consensus, het als dogma uitspraken, dat de Masoretische tekst, zoowel wat de consonanten, vocalen en punten betreft, door God was ingegeven; een besluit, dat volstrekt niet met algemeene instemming genomen is.
Ook hetgeen Dr. Kuyper zegt, dat de uitspraken van den Paus in bullen en encyclieken onfeilbaar zijn, is niet geheel juist. Wanneer de Paus een bul of encycliek uitvaardigt en zich over een of andere kwestie uitspreekt, b.v. tegen de legitimisten in Frankrijk, of over het sociale vraagstuk, dan heeft die uitspraak van den Paus wel groot gewicht, maar het is geen onfeilbare uitspraak, niet met goddelijk gezag bekleed, zooals Dr. Kuyper (Heraut 1242) zegt.
c. Maar dit alles daargelaten, ons standpunt is niet Roomsch, ook niet in zijne consequenties, zooals Dr. Kuyper (Heraut 1242) belieft te zeggen: „dat de geïnstitueerde kerk, ook volgens hen, de roeping heeft om op elk gebied aan te wijzen en vast te stellen uit Gods Woord, wat de ware Christelijke beginselen zijn"; „dat de school aan de kerk, als met autoriteit bekleed, deze beginselen heeft te vragen en daaraan al hare hoogleeraren heeft te binden." Hiervan is niets waar en het kan ook niet uit onze rede worden afgeleid.
Wij erkennen ten volle, dat de kerk, in hare vergadering van ambtsdragers, niet bevoegd is, om de methode voor het wetenschappelijk onderzoek vast te stellen, en geen program van wetenschappelijke beginselen kan en mag geven. De vrijheid der wetenschap moet gehandhaafd worden. Zij mag niet geknecht onder een onnatuurlijk juk.
Wij zijn het er voorts mede eens, dat de Gereformeerde kerk zich daarvan ook altoos onthouden heeft en onderschrijven alles, wat de Heraut daarvan zegt. Daarom is het betoog van Dr. Kuyper in No. 1242 van de Heraut, in de huidige kwestie, niets anders dan een vechten tegen windmolens.
Over de vraag, of de Roomsche Kerk den wetenschappelijke onderzoeker geheel vrij laat of niet, zullen wij met Dr. Bouwman niet strijden. Het feit, dat de Paus nog pas een Commissie benoemd heeft om vast te stellen, hoever de roomsche geleerden met de nieuwere bijbelcritiek mogen meegaan, spreekt duidelijk genoeg. Ook doet het natuurlijk niets ter zake, dat de Roomsche Kerk thans de veroordeeling van Galilei niet meer handhaaft en dat het besluit der Zwitsersche Kerk, dat de masoretische tekst van het Oude Testament als Goddelijk geïnspireerd moest worden beschouwd, niet algemeene instemming vond. Wij beriepen ons op beide sterksprèkende voorbeelden om aan te toonen, hoe gevaarlijk het is als de kerk op zuiver wetenschappelijk gebied aan de geleerden de wet wil voorschrijven. De opmerking van Dr. Bouwman snijdt dus in het minst geen hout.
Toch zijn dit bijkomstige quaestles. De hoofdzaak is, dat Dr. Bouwman ook hier op het hoofdpunt ons volkomen gelijk geeft. De Kerk kan en mag volgens hem geen program van beginselen voor de wetenschap geven. Gaarne laten wij ons het verwijt aanleunen, dat wij hier tegen windmolens gevochten hebben. Dr. Bouwman had in zijn referaat gezegd, dat de grondbeginselen voor alle wetenschap door de Kerk in de Confessie waren vastgesteld. Voor wie met deze beginselen niet tevreden was, werd de troost er bij gevoegd, dat de Kerk deze beginselen nog nader had uit te werken en te formuleeren, en dat dit de taak der toekomst was. Zooals men ziet, was het gevaar dus niet zoo geheel denkbeeldig'. En eerlijk gezegd zijn wij zelfs na deze pertinente tegenspraak nog niet volkomen gerustgesteld, dat hier geen misverstand plaats grijpt. In zijn slot-artikel zegt Dr. Bouwman, dat de Vrije Universiteit het recht niet heeft om de Gereformeerde beginselen voor de wetenschap te formuleeren, en dringt dit aldus aan:
Uit de Heraut blijkt duidelijk, dat de Vrije Universiteit zich ten doel stelt, om voor de verschillende wetenschappen beginselen op den duur te formuleeren. Dus krijgen wij dan een dubbele belijdenis, eene belijdenis door en voor de geïnstitueerde kerk, maar daarnaast eene belijdenis van wetenschappelijke beginselen door de Vrije Universiteit. Wie waarborgt, dat deze twee zullen overeenstemmen? En als er conflict is, wie beslist dan? Welke is de rechtbank, die moet uitmaken welke van beide gelijk heeft? Zullen de hoogleeraren uitspraak doen, of de Vereeniging, of de kerk? Wie beslist?
Natuuriijk trekt de kerk dan aan het kortste einde. Want zij kan immers ^over de wetenschappelijke beginselen niet oordeelen. Zoo zou dan de kerk onderworpen worden aan de wetenschap. De Gereformeerde kerken aan de Viije Universiteit. Maar dat zou nog erger zijn dan omgekeerd. Hoe hoog wij ook de wetenschap achten, aan zulk een knechting van de kerk aan de wetenschap zouden wij niet mede kunnen werken.
Daargelaten nu, dat de gedachte, dat de Universiteit door de Gereformeerde beginselen op te sporen en te formuleeren voor de medische, literarische en juridische faculteit de Kerken „knechten" zou, ons onbegrijpelijk is, blijkt uit deze passage duidelijk genoeg, dat Dr. Bouwman van de Souvereiniteit der wetenschap in eigen kring al heel weinig weten wil, omdat hij daardoor een conflict met de Kerken vreest. Een Universiteit, die de Gereformeerde beginselen niet eens zou mogen formuleeren, uit vrees, dat daardoor een conflict met de Kerken en haar belijdenis zou kunnen ontstaan, kan toch waarlijk niet gezegd worden tegenover de Kerk een zelfstandige positie in te nemen. Waar nog bijkomt, dat zulk een conflict alleen dan denkbaar zou wezen, wanneer de Kerk in haar Belijdenis voor de onderscheidene wetenschappen reeds een program van beginselen gegeven had. Een conflict met wat niet bestaat, is een onmogelijkheid. Een van tweeën dus: of Dr. Bouwman is het met ons eens, dat de Kerk noch het recht noch de bekwaamheid bezit om een program van wetenschappelijke beginselen te geven, maar dan is de hier geuite vrees geheel overbodig. Of deze vrees is wel gegrond, maar dan kent Dr. Bouwman ook aan de Kerk ten opzichte van de wetenschap een macht toe, die naar hij zelf toestemt geheel in strijd is met wat de Gereformeerde Kerken steeds hebben gewild.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1902
De Heraut | 4 Pagina's