Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De Doop.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Doop.

11 minuten leestijd

In onze rubriek „Recensie" vestigden wij reeds de aandacht op de kostelijke uiteenzetting, die Ds. Littooy in tractaatvorm ons van het Genadeverbond schonk.

Om onzen lezers een proeve te geven van dit helder betoog, nemen wij hier over hetgeen door Ds. Littooy wordt opgemerkt tegen de rationalistische veruitwendiging van het verband, die het sterkst uitkomt bij de eerste doopvraag:

„Hoewel onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn, en daarom allerhande ellende, ja de verdoemenis zelve onderworpen, of gij niet bekent, dat ze in Christus geheiUgd zijn, en daarom als lidmaten Zijner gemeente behooren gedoopt te wezen ? " — de geloofsbekentenis daarin bedoeld, aangaande het in Christus geheiligd zijn, is tijden aaneen door velen verklaard en verstaan in uitwendigen zin.

In den zin namelijk .... van geheiligde vaten, geheiligde zalfolie en geheiligde dagen, dagen, die geene innerlijke verandering ontvingen, maar slechts uitwendig van een algemeen tot een bijzonder gebruik werden afgezonderd. Zij, die deze meening waren toegedaan en de diepere opvatting misten en weerstonden, spraken in den regel dan ook over hunne kinderen, gelijk zij over de kinderen der Heidenen moesten spreken, dus, als over onwedergeborene en onbekeerde kinderen, m. a. w. als over kinderen, die alleen uitwendig van die der Heidenen zijn onderscheiden.

Er werd met het Verbond, waarin zij geboren en begrepen waren, niet genoegzaam rekening gehouden; het pit en het merg ervan lieten zij liggen en met het omhulsel werd slechts gerekend.

Dat de opvatting onzer gereformeerde vaderen en kerken van het „geheiligd in Christus" eene geheel andere was, blijkt ontegenzeggelijk reeds uit het formulier van den doop zelf

In de eerste plaats uit de vraag zelve. Immers, zij zegt: dat de kinderen in zonden ontvangen en geboren, en daarom allerlei ellende, ja de verdoemenis zelve onderworpen zijn. Deze geloofsbekentenis nu aangaande hunne doemwaardigheid slaat tegenover de bekentenis, dat zij in Christus geheiligd zijn.

Doch dit dekt elkander niet, wanneer met het laatste slechts eene uitwendige afzondering wordt bedoeld.

Nemen wij het als volgt:

Ze zijn innerlijk verdorven en de verdoeme nis onderworpen, maar ze zijn tijdelijk en uit wendig van de Heidenen onderscheiden — zie, dan is er geene evenredigheid tusschen het eerste en het laatste, dan heeft het laatste geene beteekenis, die tegen het eerste opweegt, dan ligt in de laatste geloofsbekentenis geen genoegzamen troost tegen de eerste bekentenis.

Door de aanbiddelijk rijke en blijde geloofsbekentenis, dat ze in Christus geheiligd zijn, wilden echter onze Gereformeerde vaderen en kerken op grond van de Heilige Schrift, de eerste schrikwekkende geloofsbekentenis voor de geloovigen en hun zaad, van haar schrik ontdoen.

De laatste welft over de eerste heen, want het is: diep ongelukkig zijn zij in zichzelven, maar onuitsprekelijk gelukkig in Christus Jezus.

Dat onze Gereformeerde vaderen en kerken dit bedoelden met de vraag: „Bekent gij, dat zij in Christus geheiligd zijn? " blijkt in de tweede plaats uit de woorden van gelijke strekking, die, vóór de vraag gedaan wordt, gebezigd zijn. Ze luiden: „Aangezien zij zónder hun we ten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzoo ook wederom in Christus tot genade aangenomen worden."

Immers, dat „zij der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, " neemt niemand der Gereformeerden in bloot uitwendigen, maar allen in innerlijk wezenlijken zin; doch, naar alle regels der uitlegkunde, moet men dan ook hetgeen er tegenover gesteld wordt, in dien zin opvatten. Zij worden in Christus alzoo ook lot genade aangenomen, gelijk zij in Adam der verdoemenis onderworpen zijn.

En dit is, zegt het formulier: Gelijk God spreekt tot Abraham den vader aller geloovigen, en over zulks mede tot ons en onze kinderen, Gen. 17 : 7 zeggende:

En ik zal Mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uwen zade na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond: om u te zijn tot een God, en uwen zade na u." In de derde plaats blijkt het, dat wij het „geheiligd in Chiistus, " alzoo moeten opvatten, uit de dankzegging, die op de vragen volgt en onder meer aldus luidt: „Almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken en loven U, dat Gij ons en onzen kinderen, door het bloed Uws heven Zoons Jesu Christi, al onze zonden vergeven, en ons door Uwen heiligen Geest tot lidmaten Uws eeniggeborenen Zoons, en alzoo ot Uwe kinderen aangenomen hebt, en ons au'lï'e met den Heiligen Doop verzegelt en ekrachtigt." „Opdat zij, " alzoo luidt het verder, in den Heere Jezus wassen en toenemen. Uwe aderlijke goedheid en barmhartigheid die Gij un en ons allen bewezen hebt, mogen bekenen en in alle gerechtigheid onder onzen eenien Leeraar, Koning en Hoogepriester Christus ezus leven mogen."

Begrijpelijk en opmerkelijk is het, dat zij, die e rationalistische opvatting waren toegedaan, óó goed gevoelden, dat het dankgebed de7e itlegging weersprak, dat zij het eenvoudig ter ijde legden en alzoo niet gebruikten.

Met hunne opvatting accordeerde het niet, en n oprechtheid konden zij mitsdien God niet op eze wijze toespreken. Dat kunnen alleen zij, die et „geheihgd in Christus" verstaan, gelijk het erstaan moet worden.

Ongetwijfeld zijn deze dingen niet nieuw. e lezers van De Heraut weten, dat door ns nooit anders over deze quaestie is gechreven of gedacht. Maar waar telkens de aster de ronde doet, alsof dit een nieuwe leer zou zijn, die door De Heraut was uitgedacht, is het goed, dat een oud-strijder der vroegere Christelijk-Gereformeerde Kerk, wien niemand ten laste kan leggen, dat hij op alle punten met De Heraut door dik en dun heengaat, deze dingen zoo onbewimpeld uitspreekt.

De moeilijkheid, dat bij deze opvatting van het „geheiligd zijn" onzer kinderen, de ervaring met ons doopsformulier in strijd is, omdat lang niet alle kinderen bij het opwassen, blijken kinderen Gods te zijn, wordt door Ds. Littooy op de volgende wijze uit den weg geruimd:

Op tweeërlei vestigen wij daarom, naar wij hopen, tot oplossing van de moeilijkheid; de aandacht.

Ten eerste hierop, dat wij, wijl God ons, om wijze en heilige redenen, geen kennis van het getal dat, en de personen die uitverkoren zijn en evenmin van het hart, of hetgeen in het hart aanwezig is, gegeven heeft, alleen kunnen en mogen oordeelen naar hetgeen voor oogen is, m. a. w. naar hetgeen wij hooren en zien; dat wil in betrekking tot volwassenen zeggen: naar hun belijdenis en leven, en in betrekking tot de kinderen: naar het Verbond en de belof ten Gods.

God heeft het zoo gewild, en wij bidden U, laat dat ons genoeg zijn, laten w] vrede daarmede nemen, en er ons aan onderwerpen. In alles, en daarom ook in dezen, is het en moet het wezen: „Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijne oogen."

Wat Hij doet en wil wordt eens volkomen duidelijk.

Dat ook in hetgeen ons bezig houdt alzóó Zijn weg en wil is, blijkt duidelijk uit het Woord des Heeren, en ook uit hetgeen de Gereformeerde vaderen en kerken ons hebben geleerd.

In betrekking tot de volwassenen is het duidelijk, wat het Oude Testament aangaat, hieruit, dat de Heere van den berg Sinaï tot allen, die Hij uit Egypte leidde, zeide: Ik ben de Heere, uw God, " en op andere tijden allen saam genomen aansprak als Zijn volk; alsmede dat allen het Verbonds Gods mochten en moesten bevestigen door het onderhouden van de beide sacramenten des Ouden Verbonds. En wat het Nieuwe Testament betreft, weten wij dat de heilige apostel Paulus onder Geestes leiding aan de gemeente schrijft, als aan geheiligden in Christus Jezus. In Rom. i : 6 spreekt de apostel tot hen, die lidmaten der gemeente zijn, als tot geroepenen van Christus Jezus. Op dat woord „geroepenen" teekenen dan ook onze randteekenaren het volgende aan: Dat is, die niet alleen uiterlijk door het Woord, maar ook door de kracht des Geestes van Christus inwendiglijk tot de gemeenschap van Christus zijt geroepen en gekomen. Waarom hij hen dan ook in het volgende vers „geroepene heiligen en geliefden Gods" noemt. Zie Rom. 8 : 28, I Cor. i : 2. Want hoewel ook in deze gemeente, gelijk als in andere, huichelaars konden zijn, zoo noemt hij die nochtans altijd in het begin zijner brieven, naar den eisch der liefde, naar het beste deel onder hen."

In I Cor. I : 2 luidt het: Aan de gemeente Gods. die te Corinthe is, den geheiligden in Christus Jezus."

Te gelijk echter gaan de apostelen altijd van de gedachte uit, dat er steeds en overal kaf onder het koren is, m. a. w., dat er hypocrieten onder de ware, oprechte geloovigen zijn. Doch omdat zij geen harte kenners zijn en dies over het hart kunnen noch mogen oordeelen, houden zij de lidmaten der gemeenten, op grond van hun belijdenis en leven, voor geheiligden in Christus Jezus, zoolang niet het tegendeel blijkt.

Dat deden dientengevolge en dienovereenkom stig ook onze Gereformeerde vaderen in den bloeitijd van het kerkelijk leven.

Calvijn zegt in zijne Institutie en elders, dat wij naar het oordeel der liefde verschuldigd zijn hen daarvoor te houden, zoolang niet het tegendeel blijkt. En als in art. 29 onzer geloofsbelijdenis de merkteekenen der ware kerk, en daarna die der Christenen worden aangegeven, wordt insgelijks alleen gewezen op belijdenis en leven.

Daarmede in overeenstemming worden, naar het oordeel der liefde, allen zonder onderscheid ook aangesproken in het doops-en avondmaals formulier als „geliefden in den Heere Christus." Als één dier geliefden behandelde ook Jezus Judas, bij het mee aannnemen van hem als Zijn discipel en het mee uitverkiezen en aanstellen tot apostel, bij het mee uitzenden om te predi ken en bij het bedienen van het teeken en zegel des Verbonds.

Genoeg. Volgens het Woord Gods, het voorbeeld van Jezus en de apostelen, de uitspraken onzer gereformeerde vaderen en de belijdenis en de praktijk der gereformeerde kerken moeten wij, die de hypocrieten, d. i. de schijnheiligen, niet kennen, alle lidmaten der'kerk, zoolang het tegendeel niet blijkt, voor geheiligden in Christus houden.

En het tweede punt, waarop hij de aandacht vestigt, is:

Laten wij in de tweede plaats nagaan, op welken grond de ouders kunnen, mogen en moeten bekennen, dat hunne kinderen in Christus geheiligd zijn, in den door onze kerken beleden en door ons straks besproken zin des woords.

De grond, waarop zij deze geloofsbekentenis bij het doopen hunner kinderen kunnen afleggen, ligt niet in hun onderwerpelijk persoonlijk geloof Immers, het is niet zóó, omdat zij het gelooven. Het geloof brengt den grond niet aan, geeft en legt hem niet. Neen, dat doen niet wij door onze geloofswerkzaamheid, maar dat heeft de Drieëenige God in Zijne groote en eeuwige liefde in Christus Jezus gedaan. Door het geloof e zien en erkennen wij den grond door God gelegd, en verlaten er ons op, bij het afleggen onzer geloofsbekentenis.

Wij toonden reeds aan, dat Paulus het op grond van belijdenis en leven, naar het oordeel der liefde van de volwassenen aannam, dat zij geheiligden in Christus waren; maar nu zegt Calvijn met recht en reden, dat wij een vasteren grond hebben om dat aan te nemen in betrekking tot onze kinderen. Van de eerste nemen wij het aan en moeten wij het aannemen, zegt hij, op grond van hunne geloofsbekentenis, maar van de kinderen nemen wij het aan, op grond van Gods bekentenissen, namelijk van de bekentenissen in het Verbond en de beloften Gods gegeven.

Nu is het de Heere zelf, die gezegd heeft, dat Hij ook onze kinderen in Zijn verbond heeft opgenomen. En in belrekking tot de beloften des verbonds is het: Ik ben uw God, en de God uws zaads tot in de geslachten.

En in de bedeeling des Nieuwen Testaments luidt het: „U komt de belofte toe en uwen kinderen, en allen die daar verre zijn, zoo velen de Hjere onze God er toe roepen zal."

Jezus zeide dienovereenkomstig: Laat de kinderkens tot Mij komen, verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods."

Hij, de Heere, noemt ze dan ook meer dan eenmaal ZiJ? ie kinderen, kinderen, zegt Hij, die gij Mij gebaard hebt. Ezech. T6 : 20 en 21.

Op grond nu van dat Verbond, van die belofte, en van die uitspraken des Heeren is het, dat de Gereformeerde Kerken in hunne Artikelen tegen de Remonstranten zeggen: „Al is het, dat God om de erfzonde de kinderen verdoemen mag, nochtans de Christelijke ouders moeten aan de zaligheid hunner kinderen geenszins twijfelen; want hun en hunnen kinderen is de belofte gedaan."

Dit is klaar en duidelijk gezegd, en geheel in overeenstemming met hetgeen in onze belijdenisschriften en bij onze beste theologen wordt gevonden.

Of liever nog, en daarop wijst Ds. Littooy volkomen terecht, dit is hetgeen Gods Woord ons aangaande het Verbond der Genade, ^ dat God met ons en onze kinderen heeft opgericht, leert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1902

De Heraut | 4 Pagina's

De Doop.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1902

De Heraut | 4 Pagina's