Uit de Pers.
Ds. Sikkel wijdt in Holland's Kerkblad een ernstig woord aan de „roeping der Universiteit, " dat wij om het hoog gewicht der zaak, waarom het gaat, hier gedeeltelijk overnemen:
Hoe noodig is toch de groei en ontwikkeling der Vrije Universiteit.
Het leven is zonder besliste voorlichting in hoogst belangrijke, diep ingrijpende vraagstukken.
We wezen een vorig maal op vragen, die thans maar door geneesheeren worden opgelost vragen, die over leven en dood gaan en waarin wel een Dienaar des Woords ook zijn oordeel kan hebben en zeggen, maar zonder dat nu daarom de conscientie onder ons er genoeg aan heeft, dat de dokter of dat de predikant het gezegd heeft. De dokter, ook de beste, is vaak niet genoeg in de Schrift thuis, om te vertrouwen, dat hij hier in het volle licht staat, ea de predikant is te zeer vreemdeling op medisch terrein, om juist te onderscheiden, hoe het geval zich in het licht van Gods Woord voordoet. En nu nemen we nog aan, dat de geneesheer heusch zijn vak kent, en dat de predikant heusch de Schrift kent.
Rome oordeelt terecht, dat hier noch de dokter, noch de pastoor, noch de patient over genoegzame gegevens beschikt, om een welgewikte besliss ng te nemen en stelt daarom zijn «heilig Officie» in. Onze Gereformeerden vroegen, en terecht, ook in gewichtige vragen, die de Theologie en de Zedeleer aangaan, zelfs voor de Kerk het oordeel eener Theologische Faculteit, niet om dit voor wet te laten gelden, maar om dit oordeel in zijn waarde te laten wegen.
En nu, tal van levensvragen, die beneden de oppervlakte liggen, hebben aan het oordeel eener Theologische Faculteit lang niet genoeg. De Theo logische Faculteit moge Gods Woord als het licht ook voor het natuurlijke leven bestudeeren, dat natuurlijke leven zelf onderzoeken de andere Faculteiten. Alleen de eenheid eener Universiteit kan hier een oordeel brengen, gelijk het leven dat behoeft.
En zulk een oordeel hebben we broodnoodig, — al moet de vrijheid in het leven naar het recht en de verantwoordelijkheid ook tegenover zulke universitaire adviezen gewaarborgd blijven. Aan de eene zij is er ook onder ons een sterke neiging, om den invloed van alle adviezen »van boven af(( te weren. Men vraagt een vrijheid, waarbij ieder niet alleen kan doen, wat goed is in zijn oogen, maar waarbij ook «zV/wnWop dieoogen het licht mag doen vallen. Op zijn best, zoo lang als het duurt, staat men dan nog critiek toe, nadat de enkele mensch «geheel zelfstandig» in zijn on noozelheid heeft gedaan, wat hij zoo eens wilde. Deze neiging geldt voor het gansche leven. Zoo gaat het niemand aan, hoe de prediker preekt; hij doet dat zoo, en een ander mag zich daar niet mee bemoeien; preeken, dat is zoo iets waarover vooral niet geschreven mag worden; daar behoeft geen oordeel over te bestaan; en in elk geval is zulk oordeel domme bemoeizucht van menschen, die als de schoenmaker zich aan hun leest moesten houden.
Ouderlingen denken al evenzoo over zaken van den Kerkeraad.
Precies zoo gevoelig zijn de dokters in zaken van hun praktijk. De schare, die hier de wet niet kent, is vervloekt.
Juristen, journalisten en schrijvers zijn nog het meest gewoon, zich aan den tand te laten voelen. Zij althans gevoelen, indien ze niet tot de vagebonden op hun terrein behooren, die er maar op toe praten, dat zij publiek verantwoordelijk zijn voor hun oordeel, en de rekenschap niet mogen weigeren, die het leven hun vraagt. Zij kennen nog het meest een waardeeren van het oordeel dat van allerlei kant tot hen komt. Maar ook hier wil het kastewezen doordringen. Met name jongere penvoerders willen zich in naam der kunst aan het publieke oordeel onttrekken. Wat gaat het hun aan, of iemand oordeelt dat »geel hooren« en sblauw wordencc onzin is, zij werpen al de verf potten over één palet en laten alle werkingen in alle kleuren tegelijk uitgaan, in woorden, waaraan gij kop noch staart kunt vinden, en die aan het organisme van het weekdi r herinneren met alle kleuren van het paarlemoer. Och, er is toch geen oordeel over de dingen; elk leven moet maar in zich zelf liggenvoelendoen.
Waar gaat dat heen ?
Een uitspraak., een welgewikte principiëele uitspraak voor het leven is er niet.
Hoe moeten de levensverhoudingen zijn tusschen Leven en Kerk, Volk en Overheid, Staat en Maatschappij ?
Hoe moet de Overheid regeeren? Welk standpunt moet de wetgeving innemen ? Hoe moet het Recht loopen ?
Hoe moet de Arbeid georganiseerd worden? Hoe moet de weg op dat terrein worden gebaand ? Och, de wereld moet maar m het honderd blijven loopen. Wie een plaats weet te krijgen, hier of daar, die doe het, en die is dan heel vrij, om het op zijn manier te doen; hij moet maar eens zien.
Alsof er iemand, een éenig mensch ware, die in staat is, om zoo te werken; die waarlijk heel alleen over alles zelf oordeelen en beslissen kan. Zoo worden we de dupe van willekeur, van de revolutie in het leven, totdat een Napoleon, een man of een menigte, zonder naar een beginsel te vragen, van de verwarring gebruikt maakt, en een tijdlang het leven weer als Farao tot dienstbaarheid dwingt.
Het einde der vrijheid is op aarde altoos weer slavernij, dienstbaarheid — indien de - vrijheid de waarheid en de luijsheid niet zoekt en niet in gemceiischap naar die waarheid en wijsheid haar weg wil kiezen.
Maar juist, waar w'.', Gereformeerden, dit willen, en dus de waarheid en de wijsheid willen zoeken en in gemeenschap willen leven daar gevoelen enondervinden we. hoe droevig arm we zijn, en hoe allernoodzakelijkst minstens één Universiteit is op den grondslag van Gods Woord en gebonden aan de zuivere Belijdenis.
Neem nu eens een zeer ernstig vraagstuk als het Sociale.
Ieder gevoelt er het gewicht van.
Dat we hier in het Socialisme te doen hebben met een machtig beginsel, met een geweldig stelsel, met een kolossale macht; — ieder onzer gevoelt er wat van. Dat we hier met allergewichtigste verschijnselen te doen hebben, die als teekenen der tijden naar Christus' Woord door ons moeten onderscheiden worden, opdat we naar de Schriften zullen waken en wandelen ; — ook dat moet elk, die bij het Woord Gods leeft, zichzelf bekennen.
Maar nu ?
Welke houding hebben wij naar de waarheid en wijsheid Gods in dezen aan te nemen ? Hoe den weg te teekenen ? hoe te oordeelen over den eisch der sociale verhoudingen ?
Wie zegt het ?
Zeker, we hebben een beginsel. En dat is ons geloof. En dat scheidt ons door een afgrond van het Socialisme, en dat verplicht ons, om als christenen positie te nemen en den weg te wijten en daarin organiseerend op te treden.
Maar hoe en waarheen ?
Zeker, we hebben een Lamp voor onzen voet en een Licht op ons pad. We zweren bij het Woord Gods, bij de Schrift. We willen niet anders dan naar Gods Woord onzen weg kiezen. Maar waar is die weg ? hoe loopt het pad ? hoe moet het spoor gelegd worden ? hoe moeten we samen optrekken ?
Wie zegt het ?
Na vervolgens te hebben aangetoond, dat noch de preek, noch de pers, noch de Christelijke vereenigingen voldoende in staat zijn, om dit licht te geven, gelijk ook nu weer nu het geschil van gevoelen bij de staking der diamantwerkers bleek, komt Ds. Sikkel tot deze conclusie:
Maar ook daarover willen we geen debat. We wenschen ons volk, ons belijdend volk, niet tegenover het Socialisme aan het haspelen te brengen, maar vereend te zien en gediend door deugdelijke, gegronde voorlichting.
Daarom kome er, zoo mogelijk, een tijdelijke opschorting.
En een deugdelijk, wel bewerkt, advies van Patr.monium en Boaz onder medewerking van geoefende kenners van den Arbeid, van het Recht, en van Gods Woord.
Doch ook dit is slechts huismiddel zonder een universitair praeadvies, dat het volle gewicht haalt.
We zijn zoo droevig zwak van positie.
Het leven roept daarom om doorzetting van den arbeid der Universiteit voor het leven.
En het is op de noodzakelijkheid van voltooiing der Vrije Universiteit in eenheid en volledigheid, en van haar adviezen voor ons publieke leven, dat we in dit verband den vollen nadruk leggen.
Metterdaad wordt hoe langer hoe meer de behoefte gevoeld, dat ons volk m den strijd met het Socialisme, leiding ontvange van mannen, die de zaken principieel hebben doorgedacht, en daarom in staat zijn, wel gewikte en afdoende adviezen te geven. _
En eveneens stemmen wij van harte in met de gedachte, dat de Vrije Universiteit hierbij in de eerste plaats geroepen is, om met het licht der wetenschap, aan Gods Woord ontstoken, ons volk t§ dienen.
Toch vergete men twee dingen niet.
Vooreerst, dat de goede gewoonte, om bij belangrijke vraagstukken in Kerk en Maatschappij, een officieel advies aan de faculteiten te vragen, thans schier geheel uit de mode is. En „ongevraagde adviezen, " al komen zij van een Hoogeschool, zijn gewoonlijk weinig aangenaam.
En ten tweede, moet een Universiteit, die aan haar adviezen eenige kracht wil bijzetten, be schikken over zulk een aantal Hoogleeraren, dat in zoodanig advies werkelijk gezien kan worden de rijpe en voldragen vrucht van veler wetenschappelijken arbeid op dat gebied. Zoo langde Juridische en Literarische Faculteit elk door één hoogleeraar vertegenwoordigd worden, draagt het advies dezer faculteiten toch steeds ^^-a. per soon lijk karakter. En hoezeer ook, met het oog op deze brandende vraagstukken, uitbreiding met name der Juridische faculteit gewenscht is, — om te kunnen uitbreiden, moet God eerst de mannen schenken, met gaven en talenten, speciaal voor dit terrein der wetenschap, toegerust.
Het is daarom niet overbodig dat de Universiteit steeds op haar roeping gewezen worde, mits men daarbij maar bedenke, dat de krachten en gaven, om die roeping te vervullen, niet in 's menschen hand liggen, maar een gave zijn van God, die ze uitdeelt gelijk Hij wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 9 februari 1902
De Heraut | 4 Pagina's