GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

Niet duidelijk?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Niet duidelijk?

8 minuten leestijd

In de Maasbode klaagt de bekende Roomsche polemist, die onder den pseudoniem F. A. Maaier schuil gaat, dat ons standpunt in zake de verhouding tusschen Kerk en Wetenschap hem niet duidelijk is.

Aan de eene zijde hadden wij met waardeering het feit vermeld, dat de Paus een Commissie had benoemd om te onderzoeken, in hoeverre de resultaten der nieuwere Bijbel-critiek in strijd waren met het dogma der Kerk, dat de Schrift Gods Woord is.

Zelfs hadden wij de Protestantsche Kerken vermaand zich aan dit voorbeeld te spiegelen. Maar aan de andere zijde was er door ons op gewezen, hoe de nadere uitwerking van dit plan „typisch Roomsch" as, de wetenschap daardoor aan banden erd gelegd en geen man van ernstige tudie zich door een uitspraak der Kerk ocht laten binden, om tegen zijn overtuiing in, wit zwart en zwart witte noemen.

Den heer Maaier is het niet recht duielijk, hoe deze beide uitspraken met elkaar e rijmen zijn. Volgens hem is geen ander ilemma mogelijk dan dit: of de wetenschap oet volkomen vrij zijn, maar dan mag de

Kerk tegen de resultaten der ongeloovige wetenschap zelfs niet protesteeren. Of de Kerk heeft wel de roeping van God ontvangen om dit te doen, maar dan moet de wetenschap zich ook onvoorwaardelijk aan die uitspraak der Kerk onderwerpen. Een derde is er niet.

Gelijk men ziet, geldt ook hier: tout chemin mène a Rome. De aanval op wat we schreven, heeft geen ander doel dan om het Roomsche dogma van de onfeilbaarheid der Kerk ons aan te p-ijzen. Alleen wie op dat standpunt staat heet consequent, en de Protestant, die tegelijk voor het gezag van Gods Woord ijvert en toch de wetenschap niet aan banden wil leggen, lijdt aan inconsequentie, tweeslachtigheid enz.

Nu kunnen we op deze controvers niet ten principale ingaan. Heel de Verhouding tusschen de Kerk en de Wetenschap zou dan aan de orde moeten komen en dit kan men niet terloops in één artikel afhandelen. Voorts is de strijd over de onfeilbaarheid der Kerk zoo oud als de strijd tusschen de Roomsche Kerk en het Protestantisme en zou een herhaling der argumenten over en weer èn overbodig èn doelloos zijn. De heer Maaier, die zich aan het slot van zijn artikel op enkele Schriftplaatsen beroept, weet even goed als wij, dat de uitlegging, door de Roomsche Kerk van deze teksten gegeven, door de Protestanten als onjuist verworpen wordt. Wat zou het echter baten, over de juiste uitleging dier teksten te gaan polemiseeren, waar de Roomsche Kerk zich zelf alleen het recht toekent de Schrift uit te leggen, en de heer Maaier als goed Roomsche dus nooit zou kunnen toegeven, dat die uitlegging niet juist was.' Voor den heer Maaier beslist het Roma locuta, voor ons niet. Daarin ligt de moeilijkheid, die een vruchtbare discussie over de uitlegging der Schrift tusschen een Roomsche en een Protestant schier onmogelijk maakt.

Toch willen wij gaarne den heer Maaier ter wille zijn door nog nader te preciseeren wat wij, en wij niet alleen, in het plan van den Paus als eigenaardig Roomsch kenmerkten en afkeurden.

Met den heer Maaier zijn wij het van harte eens, dat de Kerk „als pilaar en vastigheid der waarheid Gods" getuigenis heeft af te leggen tegen de nieuwere Bijbelcritiek. Het Woord Gods is aan de Kerk toebetrouwd en de Kerk moet daarom dat Woord verdedigen. Zoolang de critiek alleen liep over de juiste lezing van een bepaalden tekst, over de vraag of een bijbelboek aan dezen of genen schrijver moest worden toegeschreven, kon de Kerk deze wetenschappelijke critiek haar gang laten gaan. Maar nu deze nieuwere critiek rechtstreeks het Goddelijk karakter der Schrift aanrandt, heel Israel's geschiedenis onderstboven keert, de wet en de profetie tot een pia fraus verlaagt, de Evangeliën tot sagen en legenden stempelt en de meeste brieven der Apostelen voor onecht verklaart, verzaakt de Kerk haar heilige roeping, als zij niet beslist en openlijk tegen deze critiek partij kiest, haar veroordeelt als opgekomen uit het beginsel van het ongeloof, en tegenover haar het Goddelijk gezag der Schrift handhaaft. Dat de Protestantsche Kerken, in wier midden deze critiek voornamelijk opkwam, dit niet reeds lang gedaan hebben, strekt haar tot schande, en niet genoeg kan in den Paus geprezen, dat hij het initiatief nam om na degelijk en ernstig onderzoek aan deze de Schrift vernietigende critiek paal en perk te stellen

En evenmin bestaat er tusschen ons geschil over, dat de Kerk niet alleen in het afgetrokkene deze nieuwere Bijbelcritiek heeft te veroordeelen door haar ongeloovig beginsel aan te toonen, maar dat zij ook de personen, die met deze nieuwere critiek medegaan, onverschillig of zij leeken, ambtsdragers of hoogleeraren zijn, als leden der Kerk onder de tucht heeft te stellen, en wanneer zij naar de vermaning der Kerk niet luisteren, als 5, heidenen en tollenaren" buiten de gemeenschap der Kerk heeft te sluiten. De sleutelen des hemelrijks zijn daartoe aan de Kerk gegeven. Zij heeft niet alleen op het leven, maar ook op de leer toe te zien. Leervrijheid in de Kerk is oor de Gereformeerden nooit gewild.

Op deze beide punten bestaat er tusschen en heer Maaier en ons geen geschil. Maar wat ij hem niet kunnen toegeven is, dat de man an wetenschap, ook al meende hij dat de erk in haar uitspraak zich vergist had, ich aan die uitspraak zou te onderwerpen ebben en tegen zijn overtuiging in zou oeten leeren, wat hij op grond van zijn etenschappelijk onderzoek voor onwaar ield. Dit geldt niet alleen voor den ongeoovigen geleerde, die vanzelf noch met e Schrift noch met de Kerk rekening oudt, maar evenzoo voor den geloovigen eleerde. Want wel is het volkomen waar at de heer Maaier Qpmerkte, dat de nauurlijke en de bovennatuurlijke Openbaring ods niet met elkander in strijd kunnen ijn, en daarom de geloovige, die door zijn etenschap tot resultaten komt, welke in strijd ijn met de Schrift, zal moeten erkennen, at hij in zijn methode van onderzoek, verameling der feiten of logische deductie gewaald heeft; maar ten opzichte van de uitpraak der Kerk zou dit alleen dan opgaan, anneer de Kerk evenals de Schrift een nfeilbaar openbaringsorgaan van God was, n het gezag der Kerk daarom evenzeer e conscientie bond, als het gezag der Schrift it doet.

Gold het hier nu alleen de vraag, of de chrift het Woord Gods is of niet, dan ouden wij, zij het dan ook op andere ronden dan de heer Maaier, met hem tot ezelfde conclusie komen, dat de „vrijheid er wetenschap" voor den geloovige geen ekmantel mag wezen om deze belijdenis an de Kerk aller eeuwen aan te vallen. aar wanneer de Paus precies zal gaan oorschrijven, ^ wat in de nieuwere critiek als oed móet 'worden erkend, wat inlïaar — d v w v m c moet worden afgekeurd en welke punten als disputabel moeten worden vrijgelaten, dan vreezen wij in verband met de Roomsche leer van de onfeilbaarheid der Kerk, dat de wetenschap daardoor aan banden zal worden gelegd, die haar vrijheid zullen belemmeren en haar verhinderen zullen haar critische taak ook tegenover de uitspraken der Kerk te vervullen.

Op dit punt scheidt ons, de heer Maaier heeft dit volkomen juist gevoeld, bij alle waardeering voor den arbeid des Pausen, een principieele klove. Dat hij op zijn standpunt van oordeel is, dat het gevaar der nieuwere critiek alleen te bezweren is doordat de Paus aan de Roomsche geleerden met bindend gezag voorschrijft, hoe zij over deze quaesties te leeren hebben, is zijn goed recht. Maar hij mag ons niet beschuldigen, dat wij onduidelijk of inconsequent zijn, omdat wij aan de Kerk wel het recht en den plicht toekennen om te protesteeren tegen een critiek, die het Goddelijk gezag der Schrift aanrandt, maar daarom nog niet aan elke uitspraak der Kerk een onfeilbaar gezag toekennen.

Trouwens, de heer Maaier weet ook wel, dat de wetenschap zich niet aan banden leggen laat. Niet alleen in Protestantsche, maar evengoed in de Roomsche landen — men denke aan Italië en Frankrijk — gaat de ongeloovige wetenschap trots alle uitspraken der Kerk rustig haar gang. Met een kerkelijk verbod alleen bezweert men het ongeloof niet. Dan dient bij het woord de daad te komen, bij het anathema der Kerk de pijnbank, de foltering en ten slotte de brandstapel. Dat alleen is consequent.

Of de heer Maaier zóó consequent zou willen zijn.' Wij betwijfelen het. Evenmin als de zonen van Calvijn Servet's brandstapel, zal hij de folterkamers der Inquisitie terug wenschen.

Maar hoe zal hij dan ooit beletten kunnen, dat de ongeloovige wetenschap haar overtuiging uitspreekt}

Alleen de dooden spreken niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 maart 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Niet duidelijk?

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 maart 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken