Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„God beschikte een worm.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„God beschikte een worm.”

8 minuten leestijd

Maar God beschikte eenen worm des anderen daags in het opgaan van den dageraad; die stak den wonderboom, dat hij verdorde. Jona 4 : 7.

Iets nieuws, iets vreemds ligt er niet in, dat zelfs een worm in Gods hand is.

Wie het oprecht en wezenlijk gelooft, dat tot zelfs zijn haren van God geteld zijn, verstaat en doorziet met volle zekerheid, dat al wat leeft of bestaat, tot in de allergeringste nietigheid, in Gods hand is, en dat niets, volstrekt niets, aan zijn bestuur en bestel is ont­ trokken.

En toch maakt het altoos weer indruk, als we in het boek Jona lezen van dien worm, dien God er op uitzond, om den wonderboom te steken, dat hij verdorde.

Om den wonderboom te doen verdorren, stonden Gode de machten der elementen ten dienste. Felle zonnehitte had hem kunnen verschroeien, een geweldige windstoot hem kunnen vellen, desnoods had een wilde buffel of rhinoceros den wonderboom kunnen omloopen.

Maar zie, die elementen roept de Heere ditmaal niet op. Als instrument verkiest de Heere zich een worm, en nu blijkt dat zelfs een worm bij zijn kruipen door de aarde niet vrij is en eigen koers kiest, maar door God gezonden, door God in zijn kruipen bestuurd, door God op een bepaalden boom wordt afgestuurd, om dien te steken, dat hij verdorren zou.

Hier komt de majesteit uit juist door de tegenstelling. Het zijn niet de engelenkoren die hem dienen, het zijn niet de serafs die op zijn wenk vliegen, - niet de cherubs die zich wentelen naar den wil des Heeren, zelfs niet de wind en de storm, het onweder en de bliksem die de grootheid en almacht des Heeren verkondigen, — instrument voor dat alles is hier een worm, die wroetend door den grond zijn weg vond; en het is door dat nietig dierken, dat God niet alleen aan Jona zijn Almacht liet prediken, maar waardoor Hij sinds twintig en meer eeuwen nog aan heel zijn kerk zijn grootheid verkondigt.

Was de Schrift in onzen tijd te boek gesteld, het instrument zou nog kleiner zijn gekozen.

Wij kregen door den microscoop kennis van nog veel, veel kleiner wormpjes, wier bestaan en aanwezen niemand met het bloote oog ontwaren kan. Zoo klein zijn die bacteriën en microben, dat men een microscoop noodig heeft, die omstreeks 800 maal vergroot, om ze 4e kunnen waarnemen, en zelfs dan nog doen ze zich miniem klein voor. Kon een worm van .een palm lengte door zulk een microscoop worden waargenomen, zoo zou het een gedrocht worden van tachtig meter lang, d. i. de lengte hebben van tien woonhuiüen.

Bij die bacteriën en microben vergeleken, is een worm dus een reusachtig monster, en toch, ook van die kleinste bacteriën geldt het, dat ze zich niet anders kunnen bewegen dan God ze stuurt.

Keer op keer hooren we van een krachtig man, die door zulke bacteriën aangestoken, bezweek aan giftige krankheid. Welnu, ook dan was het God de Heere, die de beweging van zulk een bacterie beschikte, die zulk een microob op den persoon afzond, die het schadelijke wezen in hem Uet dringen, en na korte worsteling den reus velde door een instrument dat hij niet eens zag.

En zelfs hiermee is de zaak nog met uitgeput.

Best mogelijk, dat, kon men deze microben en bacteriën nog veel nader en fijner onderzoeken, er nog weer een heel andere wereld van nog kleinere wezentjes zou te voorschijn komen; en ook dan zou de regel doorgaan, dat God ook deze nu nog niet eens gekende wezentjes in al hun bestaan, gang en uitwerking bestuurt naar en door zijn wil.

Duizenden en nogmaals duizenden mannen, die krachtig en gezond waren, zijn gevallen als de wonderboom van Jona, omdat God zulk een giftige microbe of bacterie voor hen beschikte, op hen afzond, hen steken deed, en hen deed wegzinken in den dood.

Hierdoor valt al het dwaze deelen van het leven tusschen God en zijn menschenkind weg. Alle jongere ontdekking en wetenschappelijke vondst strekt telkens opnieuw om de belijdenis der Gereformeerden te sterken, en hun tegenstanders van ongelijk te overtuigen.

Men beeldde zich in, dat God en mensch gelijk op deelden. Een stuk van ons leven hadd«n we in onze eigen macht; dat hing af van onze eigen wilkeur, en werd door ons zelven bepaald. Daaronder viel heel ons gewone leven, al het kleine en onbeduidende dat in ons leven voorviel, al die duizend en nogmaals duizend kleine beshssingen, die verder geen beteekenis hadden en waar niets bijzonders uit voortkwam.

En God de Heere en zijn bestel kwam eerst aan de orde, als er iets grootsch, iets gewichtigs voorviel. Als er een schip verging, als een aangrijpend ongeluk ons trof, als er een kind geboren v\rerd, of een kranke in onze woning stierf, dan ja bevond men zich op het terrein der groote dingen, en die werden natuurlijk bestuurd door God.

Zoo bleef aan ons ter beslissing het vele, aan God vergelijkenderwijs het veel mindere; maar omgekeerd kwamen voor onze rekening alleen de kleine, gewone dingen, en werkte God in het groot door dood en leven, door krankheid en ongeval.

En hiermede samenhangend, was er in het kleine geen gebed en geen dankzegging, maar werd daarentegen, als het op de groote dingen in het leven aankwam, de lang vergeten God weer aangeroepen.

Maar juist heel deze door en door valsche voorstelling is door de jongste ontdekkingen voor goed en voor altoos in haar ongerijmdheid ten toon gesteld.

Als God een bacterie op u of op uw kind afzendt met dreigend doodsgevaar, hoe zult ge dan nog zeggen, dat God alleen in het groote groot is, en het kleine aan ons liet ?

Toch is er in dat beschikken van dien worm nog iets anders dan de heerschappij van God in het kleine. Ook op dit beschikken zeli valt nadruk.

Het is niet zoo, dat er een algemeen bestuur is, en dat volgens de wet van dit bestuur dan de wormen kruipen, en dat het nu toevalUg zoo uitkwam, dat de weg van dien worm op den wonderboom uitliep. Het is ook niet zoo, dat de dingen zoo vanzelf gaan, en dat God ze zoo toelaat. Neen, er is hier een beschikking. God heeft het oog op den wonderboom, en God heeft ook wormen doen in den grond kruipen, en nu is het of die worm een order van God krijgt: Gij, worm, kruip zoo dat ge bij dien wonderboom komt, en steek hem zoo dat hij verdorre.

En juist dat is het hooge standpunt van waar de Schrift heel het Godsbestuur doorziet.

Hagel, stormwind en bliksemschicht zijn Gods dienaren, die wachten op Zijn bevel. Het is of ze hooren en opmerken kunnen, en na hun order, hun bevel ontvangen te hebben, het nu gaan uitvoeren overeenkomstig Gods wil.

Het is nooit en nergens een eentonige, doode natuurwet, die als door mechaniek de wereld in beweging houdt; maar het is overal, en op alle punten, de levende, willende, bevelende en alle ding ordenende God, Die al zijn schepselen stuurt en aanwendt naar zijn welbehagen.

Het is niet een wetgever ver en hoog, wiens wet werktuigelijk werkt; maar het is overal de levende en alomtegenwoordige God, Die op elk punt zelf spreekt, beveelt en zijn wil doorzet, en als het oor maar geopend is, de sprake van zijn Goddelijke almachtigheid doet uitgaan.

En dit juist is het, waar het voor alle religie, voor alle dege vroomheid op aankomt.

Niet Gods tegenwoordigheid alleen voelen in de gewaarwordingen van het mystiek gevoel, noch ook Gods nabijheid enkel in de verzoe ning van Christus genieten, maar Gods tegen woordigheid voelen, merken en als met handen tasten in heel de wereld die ons omringt.

We belijden den Drieëenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, en zeer zeker is de mystiek des Heiligen Geestes een onpeilbare diepte die alleen Gods kind kent, en is er in het verlossingswerk van den Zoon een rijkdom van genieting, die alleen de verloste doorgrondt; maar gezond, natuurlijk en opbouwend, is die mystiek des Geestes en dat inleven in den Zoon dan alleen, als in heel ons levensbestand, en dus ook in ons natuurlijk leven, de Alomtegenwoordigheid van den Vader gevoeld wordt.

Dat nu brengt de Schrift u aan.

Die Schriftuur, die stout en majestueus u Gods alomtegenwoordige kracht en alomtegen woordig bestel tot in het kleinste doet bevroeden, en die zoo hier ook bij Jona het u toefluistert, dat die worm, die naar den wonderboom toekroop, er niet uit zichzelf naar toekroop, maar gezonden werd door God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 maart 1902

De Heraut | 4 Pagina's

„God beschikte een worm.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 maart 1902

De Heraut | 4 Pagina's