Vu cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Vu te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Vu.

Bekijk het origineel

De Evolutie in nieuwe banen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Evolutie in nieuwe banen.

8 minuten leestijd

I.

De rede, die de rector magnificus der Utrechtsche Hoogeschool, Dr, A. A. W. Hubrecht 20 Maart j.l. hield over „de Evolutie in nieuwe banen, " is ten onrechte in de pers gekarakteriseerd als een tegenhanger van de oratie, waarmede de rector der Vrije Universiteit in 1899 de evolutie als het dogma der nieuwere natuurwetenschap bestreed.

Geen der ernstige bezwaren, door Dr. Kuyper tegen de evolutie ingebracht, wordt genoemd, veel minder weerlegd. De mechanisch-materialistische wereldbeschouwing, waarvan het evolutiedogma uitgaat en waarmede het staat of valt, wordt geen oogenblik in bescherming genomen. Al wat Prof. Hubrecht beoogt, is de hooge beteekenisin het licht te stellen, die. naar zijn overtuiging, de jongste ontdekking van Prof. De Vries te Amsterdam voor de evolutietheorie heeft.

Zelfs aarzelt Prof. Hubrecht niet, aan Dr. Kuyper den lof toe te zwaaien, „dat hij met forsche hand, door helderen blik geleid, menig subjectieve opvatting van bekende voorstanders der evolutieleer aan flarden rukt". Eigenlijk is er, volgens den Utrechtschen hoogleeraar, niet anders dan een misverstand tusschen de voorstanders der evolutieleer en Dr. Kuyper in het spel. Het grondbeginsel der evolutie wordt volgens hem door Dr. Kuyper toegegeven „onder (een) reserve van zuiver subjectieven aard, " nl. dat men daarbij God als schepper mag blijven erkennen. Aangezien de wetenschap alleen vraagt naar de feiten en deze tracht te verklaren, is het voor haar onverschillig, of iemand daarbij voor zijn eigen persoon wil uitgaan van een mechanisch-materialistische wereldbeschouwing, dan wel gelooven blijft aan een „Oppersten Bouwmeester van het Heelal."

De tegenstelling tusschen het dogma der evolutie en het dogma van het kerkgeloof door Dr. Kuyper gemaakt is daarom volgens Prof. Hubrecht onjuist. De hevige aanval van Dr. Kuyper, zoo zegt Prof. Hubrecht,

was gericht tegen de evolutie als dogma, dat men zou wagen te plaatsen tegenover andere dogma's waarop het kerkgeloof rust. Hij wraakte het, dat het persoonlijk ingrijpen van de geopenbaarde Voorzienigheid in 's menschen voorstelling zou worden verdrongen door de werking van natuurkrachten, zooals geschiedt wanneer de mechanisch materialistische natuurbeschouwing de almacht van een liefhebbend Vader door eene blinde noodzakelijkheid vervangt. Hiertegen strijd te voeren acht.hij christenplicht. Toch zal, naar ik durf vermoeden, deze hevige beschuldiging, die daar ginds door het auditorium der Vrije Universiteit als een wapenkreet moet geklonken hebben en waarvan de schoone taal, die haar draagt, zelfs op den lezer een pakkenden indruk maakt, er alleen toe bijdragen om bij vele met den spreker gelijkgezinden onjuiste begrippen omtrent wezen en streven der natuurwetenschap te vestigen. In het gemoedsle^fen van een onbevangen natuuronderzoeker zal nooit de behoefte rijpen, een dogma op te stellen of een geloofsartikel voor te schrijven zonder welks aanvaarding gelukzaligheid niet te bereiken zou zijn. En al mogen ook onder levende en welbekende natuurvorschers, sommigen gevonden worden voor wie het „dwingt hen om in te gaan", een drijfveer was bij hun lofwaardig streven om hunne medemenschen ook met de onderdeden der evolutieleer bekend te maken, zoo blijft niettemin de natuurwetenschap voorzeker wel de meest onvruchtbare bodem tot het kweeken van bekeeringsijver. Rustig en zwijgend bewandelen de natuurwetenschappen de baan harer eigene evolutie; hare dienaren — mogen zij tot eenig kerkgenootschap behooren of zich daarvan hebben losgemaakt — gevoelen zich alleen dan harer dienst waardig, zoolang het hun volledig vrijstaat al die gevolgtrekkingen te maken, welke zij meenen dat hun door haar worden gedicteerd, zonder daarbij te vragen naar eenigerlei ' traditie, naar eenigerlei voorschrift, hoe eerwaardig ook.

Hoewel deze oratie dus veeleer een conciliant dan een militant karakter vertoont, is toch terecht gevoeld, dat Prof. Hubrecht hier wel degelijk als pleitbezorger voor de Evolutie is opgetreden. De indruk, dien de rede van Dr. Kuyper gemaakt had, moest worden uitgewischt. Eenerzijds door de aanklacht, dat de evolutietheorie niet anders was dan een hypothese, een onderstelling, maar die door geen feiten bewezen kon worden, te ontzenuwen. En anderzijds, door deze evolutie-theorie als zoo onschuldig voor te stellen, dat zelfs de strengste geoovige tegen haar aanvaarding geen beewaar kon hebben.

Prof. Hubrecht heeft natuurlijk tot dit pleidooi het volste recht. Of de beide door hem aangevoerde middelen van verweer steek houden, zullen wij een volgend maal onderzoeken. Wat echter niet mag, is dat door hèm de voorstelling wordt gegeven, gelijk dit tot tweemaal toe geschiedt, alsof Dr. Kuyper wel bezwaar had ingebracht tegen enkele extravagante voorstellingen der evolutie-theorie, maar toch in beginsel bereid was geweest de evolutietheorie zelve te aanvaarden.

Eerst zeide Prof. Hubrecht:

Toch gaf de man die bedoelde oratie hield, en die thans niet alleen van de Vrije Universiteit maar van het schip van staat het roer in handen heeft, ons te verstaan (p. 46) dat hij de evolutie als verklarende factor van het leven op aarde wel wilde erkennen, mits als openbaring van den wil van den „Oppersten Bouwmeester van het Heelal."

En daarna werd hetzelfde nog eens herhaald:

Trouwens het grondbeginsel der evolutie wordt, zooals wij zagen, door Dr. Abr. Kuyper, onder reserve van zuiver subjectieven aard, aanvaard, evenals zulks vroeger door dien anderen staatsman-geleerde, den ultra-conservatieven Lord Salisbury, bij eene memorabele plechtigheid gedaan werd.

Zooals men ziet, is de eenige plaats, waarop Prof. Hubrecht zich voor dit beweren beroept, p. 46 der genoemde oratie.

Reeds een oppervlakkige lezing van wat Dr. Kuyper zeide, toont aan, hoe onjuist deze bewering is:

Een geheel ander is natuurlijk het met name in Engeland zoo vaak verhandeld vraagstuk, of de Religie, als zoodanig, een spontane ontplooiing van de soorten in het organische leven uit de cytode of uit de kerncel toelaat. Die vraag toch moet zonder voorbehoud in bevestigenden zin beantwoord worden. Niet onzen stijl zullen we aan den Oppersten Bouwmeester van het Heelal opdringen. Mits Hij, niet in schijn, doch in wezen de Bouwmeester blijve, is Hij ook in de keuze van den bouwstijl de Vrijmachtige. Had het dus God beliefd niet zelf soorten te scheppen, maar soort uit soort te doen opkomen, doordat Hij de voorafgaande soort op de productie van het hooger volgende had aangelegd, de Schepping zou er even wonderbaar om zijn. Alleen maar dit zou nooit ; de Evolutie van het Darwinisme geweest zijn, want het vooruitgestelde Zweck ware dan niet uitgebannen, maar albeheerschend geweest, en niet de wereld had dan zichzelvê mechanisch, maar God haar uit door Hem zelven daarvoor bereide elementen opgebouwd.

Reeds uit den slotzin blijkt, dat de evolutie, waarvan hier sprake is, een gansch andere is dan die welke de tegenwoordige natuurwetenschap verdedigt. Verba valent usu. Wie van de evolutie spreekt, bedoelt daarmede de evolutie-theorie van het Darwinisme; een theorie, die zich juist daardoor kenmerkt, dat zij de mechanische wetten, die de anorganische natuur beheerschen, consequent wil doorvoeren bij de organische natuur; en die daarom alle doel principieel loochent en alleen de causaliteitswet heerschen laat. Indien Prof. Hubrecht onomwonden tegen deze theorie partij had gekozen en een definitie der evolutie had laten voorafgaan, waardoor deze mechanische opvatting werd buitengesloten, dan zou hij met een schijn van recht zich op dit woord hebben kunnen beroepen. Nu hij dit niet deed en juist omgekeerd eindigde met de hoop uit te spreken, „dat de twintigste eeuw het door Darwin gestrooide zaad recht welig zal zien ontkiemen en daarvan rijpe vruchten plukken, " was het niet billijk de voorstelling aan zijn hoorders te geven, alsof Dr. Kuyper principieel aan dit Darwinisme gelijk gegeven had.

Maar ook dan nog ware het niet meer geweest dan een schijn van recht. De vraag, die Dr. Kuyper hier beantwoordde, was niet of de evolutietheorie, nu in haar meest gunstigen zin genomen, zoodat men daarbij met Dubois-Reymond e.a. God erkent als den schepper van de moedercel, waaruit door langzame ontwikkeling alle organische wezens zijn voortgekomen, door den Christen als juist kan worden aangenomen, maar of deze voorstelling op zich zelf bestaanbaar is met het religieus besef in den mensch. Het antwoord op die vraag luidde bevestigend. Alle religie rust op de erkenning, dat God de Schepper is van hemel en aarde. Alleen wie dat ontkent, heeft fundamenteel met alle religie gebroken. Maar wie in wat vorm dan ook God nog als Schepper erkent, kan niet gezegd worden met de religie zelve in strijd te zijn.

Geheel anders daarentegen komt de quaestie te staan, wanneer men vraagt, niet of deze opvatting der evolutie bestaanbaar is met de religie, maar of zij te rijmen is met de openbaring, die God ons schonk in Zijn Woord aangaande de wijze, waarop Hij hemel en aarde schiep. De vraag is dan niet, met eerbied gesproken, of God ook op andere wijze de wereld had kunnen scheppen en toch Schepper blijven, maar of wat de Heilige Schrift aangaande de schepping ons mededeelt, door ons als Goddelijke openbaring moeten worden geloofd, en of die openbaring ooit met het grondbeginsel der evolutie, in wat vorm ook voorgesteld, te rijmen valt.'

Op die vraag kan het antwoord niet anders dan ontkennend zijn. De Schrift leert ons niet de langzame ontwikkeling der soorten uit één moedercel door geleidelijke opklimming, maar zegt ons, dat God Almachtig door telkens nieuwe scheppingsdaad de soorten schiep.

Daarom kan wie voor het gezag der Schrift buigt, gelijk Dr. Kuyper dit doet, nooit gezegd worden met het grondbeginsel der evolutie mede te gaan.

Het Scheppingsverhaal en de evolutietheorie, zelfs in haar meest gematigden vorm, zijn njet eikaar in onverzoenlijken strijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 april 1902

De Heraut | 4 Pagina's

De Evolutie in nieuwe banen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 april 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken