Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

OORDEEL NIET TE LICHTVAARDIG.

Op een warmen dag in de maand Augustus, zaten in het oude Griekenland een aantal maaiers in het gras, om uit te rusten van den arbeid. De hitte had bij hen grooten dorst verwekt, en zoo zonden zij dan een hunner uit om water te halen.

De man ging naar een bron. Toen hij echter daar, kv/am, schrikte hij geweldig. Bij het water kroop een groote waterslang, een verschrikkelijk dier. De slang had op den rand van den put zich gekronkeld om den hals van een arend, die zeker, ook een teugje had willen nemen, en beproefde nu den vogel naar omlaag te trekken en te verdrinken.

De arend deed wat hij kon om zich te weren, maar kreeg het toch erg te kwaad, toen juist de man er aan kwam. Zoodra deze zag wat er gaande was, koos hij partij voor den vogel, en zijn zeis opheffende, sneed hij den slang zoo netjes midden door, dat de arend heel niet gewond werd. De helften vielen bezijden en de arend vloog weg.

De man haastte zich nu om de groote kruik, die hij had meegebracht, te vullen, en naar zijn makkers terug te keeren. Deze dronken allen naar hartelust. Eindelijk wilde de brenger, die alles aan de vrienden verteld had, zelf ook een teug nemen. Maar zie — plotseling schoot een arend neer, denzelfden dien hij gered had, en stiet m2t kracht tegen de kruik. Deze valt om en eer iemand het kan beletten, loopt het overige water er uit en is weg.

Toen werd de man boos en riep uit:

„Verwenscht, ondankbaar beest! Wee u als ik u weder in mijn macht heb."

„Zwijg stil, " riepen de anderen, „weet gij niet, dat de arend is de vogel van Jupiter! Als de vorst der goden hoorde, dat gij op den arend schimpt, zou hij u straffen."

„Dan moest hij veeleer dezen trouweloozen arend straften, zei de man, „of zulke dingen r.icl toelaten, als hij een god is, die wijsheid heelt."

Zij gingen weder aan het werk. Doch na een poos kreeg onze morrende man zulk een dorst, dat hij moest uitscheiden met werken, om een beek te gaan opzoeken, waaruit hij ook zonder kruik wel kon drinken. Dit ge'ukte. Maar toen hij weerom keerde, zag hij in het gras een zijner makkers liggen, met de zeis naast zich.

„Wel vriend, heeft u de slaap overmeesterd? " vroeg de man.

Doch hij kreeg geen antwoord, en weldra bespeurde hij, met een kreet van ontzetting, dat zijn makker dood was.

Hij haastte zich om met een luid geschreeuw de anderen te roepen; tot zijn verbazing echter kreeg hij geen antwoord. Nu spoedde hij zich verder 't veld in, en weder vond hij een zijner makkers dood liggen. Weldra nog een, en, helaas, den een voor den ander na, vond hij levenloos uitgestrekt in het gras.

Wat mocht daar de oorzaak van zijn?

Hij zette zich neder, peinsde en weldra werd hem de zaak duidelijk. Hij was onschuldig de oorzaak van hun dood. Het water dat hij uit de bron geschept had, was ongetwijfeld door de slang vergiftigd, en had zoo de lieden gedood.

En even onwetend voorzeker, had de arend hem een grooten dienst bewezen, door de kruik om te stooten, die het vergiftigde water bevatte. • Van al de maaiers was hij de eenige die de dood ontging.

„Ik zie nu, " sprak de man, „hoe dwaas ik deed.

„Ik noemde den arend ondankbaa, r en hij vergold mij ten volle de weldaad die ik hem heb bewezen.

„Ik noemde Jupiter dwaas, en toch gaf hij juist zijn vogel een zeer wijs bevel, al begreep ik het niet."

Zoo verhaalt een oude Grieksche dichter, een heiden. Hij geeft ook ons die meer weten een goede les. Des Heeren wegen en doen begrijpen wij dikwijls niet. Dan willen wij het beter weten of morren en klagen. Doch als wij dan later het heerlijk einde zien, dan gaat het ons als Asaf, den vromen zanger uit het Oude Verbond.

Die zei ook eens: Hoe zoude het God weten, en zoude er wetenschap zijn bij den Allerhoogste ?

Doch toen het hem later duidelijk werd, sprak hij van dien tijd zijner onverstandigheid: Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.

De Heere alleen weet. Bij Hem is de wijsheid en het licht en de raad. En allen die gelooven, dat is vertrouwen, weten dat Hij het weet, en alles zal doen medewerken ten goede, hun die hun betrouwen zetten op Hem en Hem alleen.

AAN VRAGERS.

Onze lezer M. F. J. te A. vraagt: Zijn er in den hemel rangen of standen? hetwelk door vele Christenen (mijns inziens verkeerd beweerd wordt, naar aanleiding van een gezejde van koning David, psalm 84: i ib. Ik koos iever aan den dorpel in het huis mijns Gods te vezen.

We merken allereerst op, dat het gezegde hier uit psate 84 : II genomen geen bewijs is.

David zegt daar eenvoudig: Ik was liever een wachter aan den drempel van Gods huis, bekleea'de daar de laagste plaats, dan dat ik zou v, > rtoeven in de weelderige, weivoorziene woningen der goddeloozen.

Gods huis was toen ook nog een tent, de ark woonde nog „te midden der gordijnen, " en staat hier dus tegenover de tenten der boozen. Vsn den hemel is hier geen sprake en daarbij spteekt David hier veronderstellend, zoodat hieruit toch geen vast besluit zou zijn te treiken.

Terecht acht onze inzender dus dit bewijs van geen kracht.

Wat nu de vraag betreft, zoo zijn er zeker in den hemel geen „rangen of standen" gelijk wij dat begrip hebben. Doch dat er wel rangen zijn, d. w. z. verschil in hoogheid en heerlijkheid is zeker.

Reeds heel de schepping Gods, zoover wij die kennen, toont zulk een verschil in rang. Wat wij van de hemelsche dingen weten, toont dat het daar ook zoo is. We lezen van aartsengelen, d. i. eerste of opperste engelen. De aartsengel Michael heet een der eerste vorsten. De satan is een der hoogsten geweest onder de engelen, ge lijk uit de brief van Judas blijkt. Bepaald wordt ook (ie duivel van zijn engelen onderscheiden.

We lezen in Col. i : 16: ant door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden hetzij machten, alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.

Daaruit blijkt dat ook onder de engelen rangen zijn.

Wat de menschen die zalig worden betreft, zoo doen plaatsen als 1 Cor. 15 : 37, Dan. 12 : 3, benevens de gelijkenis der talenten en die der ponden ons verstaan, dat ook onder de verlosten verschil van heerlijkheid zal wezen. Er is ook voor ons begrip, hoe verborgen deze dingen ook zijn, toch wel iets van te vatten, dat b.v. een man' als Paulus blinken zal, meer dan ieman»^. die nog op het laatst van zijn zondig leven door God ah éen brandhout uit het vuur wordt gerukt.

HOOGENBiRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 mei 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 mei 1902

De Heraut | 4 Pagina's