INGEZONDEN STUKKEN.
(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie)
Aan mijne vrienden!
Het is mij eene behoefte, mijn hartelijken dank uit te spreken aan alle kerkeraden, die zoo goed waren, mij in de gelegenheid te stellen, om in hunne kerken op te treden. Ook wensch ik mijne vertalers. Dr. Wielenga van Westmaas, den heer Bokhout, hoofdonderwijzer aan de Christelijke school te Sliedrecht, den heer De Hoog, hoofdonderwijzer aan de Christelijke school te Goes, den heer Vuyk van Rotterdam, den heer Postma, student aan de Vrije Universiteit, Dr. Lindeboom Heerengracbt 490 Amsterdam, hartelijk te bedanken voor de hulp die zij mij verleerd hebben; zij hebben mij aldus in de gelegenheid gesteld, de Christenen hier mededeelingen te doen over het werk, waaraan ik mijne krachten ga wijden. Den heer Lindeboom wensch ik niet slechts te bedanken voor zijn tijd, dien hij mij gegeven heeft, maar ook voor zijn geldelijkén steun.
Geen woorden kunnen mijne dankbaarheid uitdrukken aan den heer L. v. d. Boom, Rotterdam en zijne familie, voor de gastvrijheid, waarmede zij mij ontvangen hebben in hun gezin, en evenzoo aan den heer Lindeboom te Amsterdam, die, zoowel als zijn zoons, mij zoo vriendelijk geholpen heeft. Ook wensch ik - het daartoe gevormde comité te bedanken, dat zoo goed was mijne spreekbeurten te regelen. Ik bedank al de vrienden, die mij op eenige manier geholpen hebben.
Ik hoop en geloof, dat zij mij nog zullen blijven gedenken in hun gebeden, en mij ook met geldelijke hulp zullen ondersteunen, opdat ik een werktuig in Gods hand zal kunnen zijn, om de banier van Jezus op te heffen in het nu zoo donkere Perzië, en er het Evangelie der verlossing aan velen te verkondigen.
En ik wensch niet minder mijn dank te betuigen aan de broederen, die in Nederland een voorloopig comité wilden vormen, de heeren Prof. Biesterveld, J. A. v. d. Boom van Rotterdam, Ds. Feringa van Zaandam, J. A. Lindeboom van Amsterdam Ds. v. d. Linden van 's Gravenhage, Ds. Rudolph van Leiden, Dr. Wielenga van Westmaas, die mij in mijn arbeid met raad en daad willen bijstaan, en, naar mijn begeerte, den arbeid in Perzië in de goede, kerkelijke bedding wenschen te leiden.
Het is mij een oorzaak van blijdschap, dat dit comité, indien eenigszins mogelijk, door persoonlijk bezoek van twee of meer hunner, zich op de hoogte wil stellen van het werk der zending in Perzië, 't geen ik hoop, dat de zaak zeer ten goede zal komen. Een heerlijk werk heeft de Heer mij opgedragen. In Zijne kracht en met Zijne hulp zal ik trachten het te volbrengen, tot uitbreiding van Zijn rijk, en tot eere van Zijn naam.
De uwe, in dienst der Zending,
Den Haag, 24 April 1902.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 mei 1902
De Heraut | 4 Pagina's