Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eeredienst.

11 minuten leestijd

TWEEDE REEKS.

V.

Zoo is dan het karakter van den Heiligen Doop veranderd. Van bekeerden-doop werd hij kinderdoop, althans in hoofdzaak, en vooral bij het bespreken van de eischen die de Eeredienst stelt, is het noodig daarop te letten, omdat de Heilige Doop eerst dank zij dit veranderd karakter onder den Eeredienst valt.

Johannes de Dooper doopte niet in de vergadering der geloovigen, maar in de woestijn, en de kamerling van Moorenland werd door Philippus gedoopt niet in het midden der gemeente, maar op den weg naar Gaza.

Hiermede is niet gezegd, dat een bekeerden-doop niet óók in de vergadering der geloovigen kan worden toegediend, maar het is geen vast beding. Toen Da Costa gedoopt werd, had de plechtigheid in een kerk plaats. Men ziet dan in zulk een bekeerdendoop tevens een teeken van de opneming in de gemeente van wie er eerst buiten stond. Daarin werkt het gebruik, de gepastheid, doch daarom nog geenszins de werking die uit den wortel van den Doop zelven opkomt.

Bekeerden-doop heeft nooit anders dan een individueel, persoonlijk uitgangspunt. Er was iemand die buiten de gemeente stond, als Jood, Mohamedaan of Heiden, en die nu persoonlijk tot bekeering en tot de overtuiging kwam, dat Jezus is de Christus. Hier is alzoo uitsluitend sprake van een individueele werking van den Heiligen Geest op een-bepaald persoon; en voorzoover de Doop niet inlijvingssyaibool is, maar zegel van de afwassching onzer zonden, kon Philippus den Kamerling doopen na van den wagen te zijn afgeklommen.

Doch geheel anders komt dit te staan zoo men tot den kinderdoop komt. Men heeft dan te doen, niet met een nieuw geslacht dat aankomt, maar met een tweede geslacht dat opkomt. In het kind zelf vindt men dan , geen ^anknoopingspunt. Zulk een kindeke zegt niets, uit niets, geeft niets te merken. Zooals het daar in de v/ieg ligt, venschilt het voor het oog in niets vaneen kindeke geboren uit een ongeloovig echtpaar. En, ' meer nog, er ontbreekt elk middel en elke mogelijkheid om het kindeke geestelijk te onderzoeken. Alle geestelijk besef schuilt nog. God ziet het wel en weet het wel, wat in zulk een kindeke is, of niet is, maar wij, menschen, verkeeren in volstrekte onzekerheid. Van bekeering kan er bij zulk een onbewust wicht nog geen sprake zijn, en of het zaad der wedergeboorte in het hart van dat kindeke indaalde, is Gods geheimnis. Niet wij die het weten. Elk middel van waarneming, onderzoek en controle ontbreekt ons. We kunnen te doen hebben met een uitverkorene, we kunnen ook te doen hebben met een mensch, die straks den naam van Jezus lasteren zal. Met één die straks koud of heet zal zijn, of ook met een die lauv/ is, en dien Jezus uit zijn mond zal spuwen. Op zichzelf zou er dus geen enkele reden of oorzaak zijn, om dat kindeke den doop toe te dienen. Let men alleen op dat kindeken zelf, dan komt het voor den Doop zelfs niet in aanmerking.

Wel sloop hier een andere meening in, gelijk men die bij de Lutherschen, bij de Roomschgezinden en bij de Grieksche kerk vindt, doch dan gaat men uit van een beschouwing van den Doop zelven, die niet die der Gereformeerden is. Onze belijdenis was en is steeds, dat de Doop zelf de genade niet aanbrengt, en dat alzoo de wedergeboorte niet door den Doop als middel tot stand komt. Buiten den kring der Gereformeerden daarentegen oordeelen velen zoo wel. Op verscheiden manier leert men dan, dat de Doop niet een teeken en zegel is van een ontvangen genade, maar instrument van een genade die pas door en onder het Sacrament tot stand komt. Hoe dit verder uitgeplozen wordt, kan hier buiten beschouwing blijven. Niet allen doen dat op dezelfde manier. Maar het gevoelen is en blijft dan toch, dat men niet behoeft te vragen wat in het kindeke is, maar aan het kindeke door den Doop zelf de zaak des heils toebrengt. Een voorvereischte is er dan niet. Het is genoeg, dat het kindeke dat gedoopt zal worden, zich niet verzet, wat het niet kan, en dat er een is, die het ten Doop brengt, en die den Doop voor dat kindeke zoekt.

Stond nu zoo metterdaad de zaak, wat zou dan beletten elk kindeke dat werd aangebracht, te doopen 1 Wie een levend wezen begenadigen kan, en het niet doet, is de liefdeloosheid zelve. Niets dus natuurlijker, dan dat men dea regel opstelde, om alles te doopen, wat in het doophuis werd ingedragen, en tevens om elk kindeke onmiddellijk te doopen. Het kon sterven, en dan stierf het buiten genade, en dat door onze schuld. Vandaar dan ook, dat de Roomschgezinden onmiddelijk het pasgeboren kindeke naar het doophuis brengen, en dat zij zoowel als de Lutherschendennooddoophuldigen.Dat alles hangt saam, en vloeit uit het ééne gronddenkbeeld voort. Al zulke Doop staat dus vanzelf buiten de vergadering der gemeente. Men kan en mag niet wachten. Of de gemeente vergaderd is of niet, de Doop moet onverwijld doorgaan, en ontbreekt de tijd om naar het doophuis te gaan, dan wordt het kind aan huis gedoopt. En ook, is er geen predikant of pastoor of pope, dan doopt de vroedvrouw of een ander. Op die wijs staat zoowel de bekeerdendoop als de kinderdoop buiten den Eeredienst, althans zoo men dezen opvat als da orde van den dienst in de vergadering der geloovigen.

Maar voor ons. Gereformeerden, staat de zaak geheel anders. Belijdt men dat de genade, dat is de genade van wedergeboorte, niet door den Doop als instrument komt, raaar bij den Doop zóó ondersteld wordt, wmmm dat de Doop er slechts het teeken en zegel van is, dan heeft men behoefte aan een regel om te weten, welk kind men wel en welk men niet zal doopen. En overmits nu hiervoor in het kindeke zelf geen onder­ o scheidend teeken aanwezig is, moet deze regel gebonden zijn aan een geheel andere voorwaarde. l h

Dezen regel nu ontleent de Gereformeerde m belijdenis aan de besnijdenis. Aangezien de oop in de plaats der Besnijdenis gekomen w is, zoo zal men ook de jonge kinderen der k geloovigen doopen, als erfgenamen van het d verbond Gods.

Bij het hooren van dien regel, zij men intusschen tegen misverstand op zijn hoede. Bij Israël had men te doen met een nationaal verbond, met de aanhoorigheid tot een bepaald volk. Men was Jood of men was het niet. En ook ieder die Jood was, ook al was hij geheel vervreemd aan het heil in Israël, ontving toch de besnijdenis. De grondslag van dat verbond lag in het vleesch en de vleeschelijke geboorte uit Abraham. En natuurlijk, in dien zin ging de verbondsgedachte niet op het Nieuwe Testament over. Slechts werd er deze gedachte uit opgenomen, dat God de zijnen veelal ook genealogisch in de opvolging der geslachten verbindt. De genade volgt niet per se het stroombed der natuur. Geestelijke genade is geen erfgoed. Maar toch heeft het Gode behefd zijn uitverkorenen veelal zóó te doen geboren worden, dat hun vader of moeder of grootvader of grootmoeder, of misschien nog liooger op, reeds den Heere toebehoorden. De voortplanting van de natuur en de voortgang der genade zijn niet 'tzelfde, maar beider lijn is door God in aanraking gebracht. En hieraan is de regel ontleend, dat het kindeke, uit geloovige ouders geboren, in die geboorte geheiligd is. Verder onderzoek is hierbij van zelf uitgesloten. De regel is aan de afstamming ontleend, aan de afstamming alleen, en in geen enkel opzicht, aan wat ge in het kindeke zelf ontdekt of waarneemt. Het is dan ook een regel, dien geen mensch kan waarmaken, en dien veel min een mensch zou kunnen stellen. Het is God de Heere die ons dien regel gegeven heeft, en wij hebben dien regel zonder nader onderzoek te volgen. We weten dat die regel volstrekt niet alle kinderen hoofd voor hoofd dekt. Het staat krachtens de ervaring vast, dat lang niet alle kinderen, uit geloovige ouders geboren, geloovigzijn of worden. Er wordt van ons hier blinde gehoorzaamheid gevraagd, in dien zin dat de verantwoordelijkheid voor dien regel niet op ons rust en niet voor onze rekening komt.

En het is nu uit dezen regel, dat als noodzakelijk gevolg de verplichting voortvloeit, den kinderdoop in het midden der gemeente te bedienen.

Wat toch is het geval.?

Moet elk kindeke, dat uit geloovige ouders geboren wordt, geacht worden „als een lidmaat van Christus geheiligd te zijn", en alzoo cp den Doop recht te hebben, dan gaat men voor de bepaling wie al dan niet te doopen is, van de kinderen op de ouders terug. De vraag is dan niet, of er geloof in ihet kindeke, maar of er geloof in den vader, of c. q. in de moeder is.

Ook dit echter is geen wiskundig vaststaand gegeven. Er ^ijn ook hypocrieten. De vraag of er in vader of moeder geloof is, is dus voor hem die den Doop bedienen zal, niet uitgemaakt met een verklaring van den vader of moeder. Er moet hier een oordeel worden geveld, niet door die personen zelve, maar door een ander over hen. Wordt aan den Dienaar des Woords opgedragen, aan het kindeke uit geloovige ouders geboren, den Doop te bedienen, dan moet de kerk die hem dit opdraagt, hem ook aanwijzing doen van de ouders die hij als „geloovig" te beschouwen heeft. Het staat niet aan hem, dit zelf alleen te beoordeelen. Voor dit oordeel is heel de Kerkeraad, en met den Kerkeraad heel de gemeente zelve verantwoordelijk.

Zette God aan een waarachtig geloovige een uitwendig teeken, op wat wijs ook, dan had men dit oordeel van den Kerkeraad of van de gemeente niet noodig. Ieder kon het dan zien, ook de Dienaar des Woords, en geen aarzeling of onzekerheid ware mogelijk. Doch dit is niet zoo. E^r is geen uitwendig kenbaar teeken. En evenmin bezitten wij het middel om op onbedriegelijke wijze in iemands hart te gluren, om waar te nemen, of hij van binnen dood is, dan wel leeft.

Men kan dus niet anders afgaan dan op wat hij zelf uit in woorden, gedragingen en werken, of gelijk het kortweg heet, in belijdenis en leven. Daaruit moet het blijken. Daaruit moet het oordeel worden opgemaakt. En het is de hoogernstige taak van den kerkeraad voor alle leden der gemeente dit niet slechts éénmaal te constaleeren, maar steeds op de geheele schare toezicht houden, of het eens gevelde oordeel niet later weersproken wordt. Dit nu kan de kerkeraad in een gemeente van duizenden zielen onmogelijk zelf volbrengen. En dan al'een heeft het oordeel van den kerkeraad zedelijke waardij en beteekenis, zoo de geheele gemeente daarin meewerkt, en zoo er onderling toezicht en opzicht over elkander is. Hierdoor nu is er vanzelf een band gelegd tusschen de bediening van den kinderdoop en de geheele gemeente, en het is uit dien hoofde dat noch nooddoop, noch doop in een apart vertrek buiten de gemeente, toelaatbaar is.

De gemeente moet weten, aan welke kinderen de Heilige Doop wordt toegediend, en hij die voor zijn kind op den Doop aanspraak maakt, moet in het midden der gemeente verschijnen, om voor aller oog daar te staan als iemand, die zegt den Heere te belijden en bij de schare der geloovigen te willen gerekend worden.

Alle verantwoordelijkheid hangt dus aan de vraag, of hij die met zijn kindeke alzoo voor de gemeente treedt, door die gemeente mm als een broeder gekend is, en als een geoovige bij haar te boek staat. Niet, alsof ierbij een geestelijke goudschaal ware aan te leggen. Men kan en mag niet anders ordeelen dan naar uitwendig tcekenen, lettend op het voorafgaand oordeel van den kerkeraad.

Maar op dien eisch als eisch kan noch mag iets worden afgedongen.

Heel ons stelsel van den kinderdoop wordt beheerscht door den regel, dat het kindeke uit geloovige ouders geboren, op den Doop recht heeft; en elke verslapping in het daarbij letten op het geloof van de ouders ondermijnt de Doopsbediening, en daarmede den grondslag der gemeente.

Het Verbond Gods moet heilig gehouden worden, en het is juist dat afscheiden van geloovige en ongeloovige ouders, waarin het Verbond als heilig moet uitkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 mei 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 mei 1902

De Heraut | 4 Pagina's