De bezwaren.
IV.
De bezwaren, die tegen het Conceptontract zelf zijn ingebracht, zijn hiermede afgedaan. Gelijk men gezien heeft, zijn de meeste dezer bezwaren te wijten aan miserstand, en kunnen zij dus gemakkelijk uit en weg worden geruimd. De weg, door erscheidene dassen ingeslagen, om door mendeering aan deze bezwaren te gemoet e komen, wordt door ons daarom van harte oegejuicht. De Generale Synode zal daaroor haar taak vergemakkelijkt vinden, en ok de Vereeniging voor Hooger Onderwijs weet dan op haar jaarvergadering, welke veranderingen de Kerken in het Conceptontract wenschen aangebracht te zien.
Want wel is het waar, dat De Heraut van meet af er op gewezen heeft, dat elk amendement, waardoor het compromis zelf werd aangetast, het Concept-contract voor een van beide partijen onaannemelijk zou maken, maar men heeft daaruit ten onrechte afgeleid, dat wij de vrijheid der Kerken aan banden 'wilden leggen, of elk amendement nontvankelijk verklaarden.
Laat ons daarom onze bedoeling nader mogen duidelijk maken, om ook dit misverstand af te snijden. De broeders, die het Concept-contract aanboden, kunnen geacht worden de „beide richtingen" te vertegenwoordigen. Na langdurige en breede besprekingen, zijn deze broeders tot eenstemmigheid gekomen en hebben een accoord opgesteld, waarin naar hunne overtuiging, over en weer de uiterste concessies gedaan waren. Wanneer dit Concept-contract nu door de Kerken, die vóór universitaire opleiding zijn, zoo geamendeerd was geworden, dat de concessiën, die aan de voorstanders der eigen inrichting waren gedaan, er uitgelicht waren, dan hield het daardoor van zelf op een compromis te zijn. En evenzoo gold dit voor de Kerken, die meer sympathie voelen voor de Theologische School; ook zij hadden te bedenken, dat elke principieële verandering van het Contract vanzelf ten gevolge zou hebben, dat het Concept daardoor voor de broeders aan de andere zijde ophield aannemelijk te zijn.
Maar dit wilde daarom natuurlijk niet zeggen, dat de Kerken allerlei bepalingen, die met de beginselen niets uitstaande hebben, niet konden verduidelijken of wijzigen. De pogingen, die daartoe zijn aangewend door verschillende classicale vergaderingen, zijn door ons niet afgekeurd, maar veeleer aangemoedigd. Nu gebleken is, dat verschillende bepalingen tot misverstand aanleiding gaven, was dit zelfs gebiedend noodzakelijk. En zonder nu te veel uit de school te klappen, mag toch wel worden meegedeeld, dat van de zijde der Vrije Universiteit zelve op de jaarvergadering het voorstel zal worden gedaan, het Concept-contract wel aan te nemen, zooals het daar ligt, maar tegelijk aan de Directeuren de volmacht te verkenen, in overleg met Curatoren en Professoren, die wijzigingen in het Contract aan te brengen, die de Generale Synode zal noodig achten, mits éa.3.rAoorprincipieel in het Contract geen verandering wordt gebracht. Van een strak en stijf blijven staan op elke letter en bepaUng van het Contract, is dus geen sprake. Veeleer zal dankbaar elk amendement, waardoor het Conceptcontract nog duidelijker en beter wordt, worden aanvaard. Aan de Generale Synode verblijve dan de taak, om te beoordeelen, in hoeverre deze amendementen werkelijk als verbeteringen te beschouwen zijn, en daarom in het Contract moeten worden aangebracht.
Voordat wij nu tot de bespreking van de principieële bezwaren overgaan, dient nog een tweetal bezwaren besproken, dat slechts zijdelings met het Concept-contract saamhangt, maar toch van niet geringen invloed op de bezwaarde broeders schijnt geweest te zijn.
Het eerste bezwaar, dat vooral thans op den voorgrond wordt geschoven, raakt de
VERMEERDERING VAN UITGAVEN,
die, naar men zegt, uit de voorgestelde regeling voor de Kerken zou voortvloeien.
De becijfering, die men hierbij maakt, schijnt zeer eenvoudig. De Kerken betalen thans aan tractement voor hare hoogleeraren 5 maal 3000 gulden, dus 15, 000 gulden. Gaat het Contract door, dan moeten de Kerken voor 8 hoogleeraren (vijf van de Theologische School en drie van de Theologische Faculteit) hetzelfde salaris uitkeeren, dus 24, 000 gulden. Een vermeerdering van 9000 gulden. Bovendien zouden collegeen examengelden der studenten, die ongeveer 6000 gulden bedragen, voortaan in de kas der Vereeniging vloeien. Feitelijk zouden de Kerken dus, in plaats van bij de samensmelting eenige winst te hebben, 15, 000 gulden per jaar meer hebben op te brengen. Een schrikbeeld, dat genoeg is, om onze reeds zoo zwaar belaste Kerken de angst om het hart te jagen.
Nu hebben de broeders, die dit bezwaar opperden, zeker slag van wat de Franschen noemen l'art de grouper les chiffres. Maar zij vergeten, dat de ofRcieele balans der Theologische School er wel een weinig anders uitziet, dan deze geflatteerde balans zou doen vermoeden.
Slaat men het rapport op, door Curatoren der School op de Synode te Groningen ingediend, dan blijkt, dat de Theologische School, met het daaraan verbonden Gymnasium, een jaarlijksche uitgave vordert van 40, 000 gulden. Aan college-en examengelden staat daartegenover een jaarlijksche ontvangst van 12, 000 gulden, zoodat ^de kosten feitelijk bedragen 28, 000. Om deze kosten te dekken, ontvangen Curatoren uit collecten, giften, opbrengst van De Baztiin, steun uit de uitbreidingskas enz. een rond bedrag van 15, 000 gulden. Er is dus, gelijk de penningmeester op de Synode meedeelde, een j aarlij ksch tekort van meer dan 10, 000 gulden.
Volgens de thans voorgestelde regeling zal het gymnasium worden overgedragen aan een particuliere vereeniging, zoodat de Kerken alleen zullen te zorgen hebben voor de Hoogleeraren in de Theologie. Het normaal getal dezer hoogleeraren is zes en de Kerken zullen dus bijeen hebben te brengen 6 maal 3000 gulden, dat is 18.000 gulden. Hierbij komt dan nog een aandeel in de kosten van onderhoud der gebouwen enz., maar dit zal uiteraard gering zijn. Een geheel afzonderlijk gebouw met al wat daaraan verbonden is, in stand te houden, is altoos veel kostbaarder dan dat men met een ander saam een huis bewoont en pro rato in de kosten bijdraagt. Rekent men dit aandeel met de reis-en verblijfkosten van Curatoren enz. op 2000 gulden, dan maakt dit te zaam een som van 20000 gulden.
Feitelijk zouden de Kerken, die thans 16.000 gulden saambrengen, dus 4000 gulden meer hebben te betalen. Volkomen terecht is er echter op gewezen, dat in de thans voorgestelde regeling geen bepaling is opgenomen aangaande de college-en examengelden. Dit is metterdaad een leemte, die alleen daaruit te verklaren is, dat men de geheele financieele regeling, die natuurlijk veel nauwkeurige zorg vereischt, bij afzonderlijk contract wilde vaststellen en daarom slechts enkele hoofdlijnen aangaf. De billijkheid eischt, dat de Kerken, die voortaan een hooger bedrag aan tractement hebben uit te keeren, niet van een der belangrijkste bronnen van hare inkomsten zullen beroofd worden. Er zal daarom bij de Vrije Universiteit zeker geen bezwaar tegen bestaan de kerken bijv. voor de helft in de opbrengst der examen-en collegegelden van de studenten in de theologie te laten deelen. Stel, dat dit een som van 4000 gulden opleverde voor de Kerken, wat stellig niet te hoog gerekend is, dan zouden de Kerken dus 20, 000 gulden inkomsten hebben. Met andere woorden de balans zou in plaats van met een jaarlij ksch tekort van 10.000 gulden, met een volkomen evenwicht van inkomsten en uitgaven sluiten. Dat wij de inkomsten niet te hoog rekenden, kan daaruit blijken, dat Prof. Bavinck in 1899 berekende, dat de inkomsten 30.000 gulden konden bedragen.
Nu is het volkomen juist, dat deze gunstige toestand niet terstond zal intreden. Bij de samensmelting der scholen zullen er aanvankelijk 7 in plaats van 6 hoogleeraren zijn. Ook zal het overdragen van het gymnasium wel eenige vermeerdering van kosten meebrengen. Maar dit alles is slechts een tijdelijke stijging van het budget, die natuurlijk niet als normaal mag worden voorgesteld.
Ook voor de Vrije Universiteit zou de samensmelting finantieel verre van nadeelig zijn. Wel zou een eventueele verplaatsing der School de Vereeniging op aanzienlijke kosten komen te staan, maar de uitgaven voor haar Theologische faculteit, die haar alleen aan salaris voor hoogleeraren 20.000 gulden kost, zouden dan voor denzelfden post 12000 gulden zijn, wat een besparing geeft van 8000 gulden.
Daar, gelijk de protesteerende broederen terecht opmerkten, het geld voor de Theologische School èn voor de Vrije Universiteit uit deselfde beurs moet komen, nl. uit die van ons Gereformeerde volk, kan men dus gerust zeggen, dat de saamsmelting der beide scholen en de loslating van het gymnasium onze kerken jaarlijks een som van een kleine twintig duizend gulden zal uitsparen. Een niet geringe wiuste als men bedenkt, dat alle collecten voor de Theologische School heel het land door gehouden, van 1896— 1899 nog geen tienduizend gulden per jaar opbrachten.
Ernstiger is de vraag, hoe het met de Theologische School gaan zal bij
OPZEGGING VAN HET CONTRACT.
Vooral op dit punt hebben de protesteerende broederen bezwaar gezien voor de Theologische School. Als de Vrije Universiteit het contract opzegt, zoo heet het, dan hebben de Kerken geen professoren, geen studenten en geen eigen geboutu meer. De Theologische School zou dan in letterlijken en geestelijken zin van den grond af weer moeten worden opgebouwd.
Het valt niet moeilijk ook hier aan te toonen, dat dit bezwaar geheel ongegrond is en bij verbreking van het contract eer omgekeerd is te duchten, dat niet de „School der Kerken", maar de Theologische faculteit aan het kortste eind zal trekken.
Indien het contract voor een zeker aantal jaren vastgelegd wordt, dan kan van een lichtvaardig verbreken van het contract geen sprake zijn. Trouwens, men stelt zich de zaak toch al zeer zonderling voor, wanneer men meent, dat de Vrije Universiteit anders dan om een zeer ernstig, principieel geschil met de Synode tot opzeggen van het contract zou overgaan. Gesteld, dat de Vrije Universiteit verplaatst moet worden, dan zou dit zulke enorme kosten met zich brengen, dat de Vereeniging, die ter wille van de kerken in die verplaatsing had toegestemd, toch al zeer dwaas zou handelen met na enkele jaren den band met de kerken te verbr.eken.
De vraag, wat de gevolgen zouden zijn van het opzeggen van het contract, kan dus alleen besproken worden in verband met een principieel conflict. Een conflict, dat b. V. dan zou ontstaan, wanneer de Generale synode en de Vrije Universiteit geschil kregen over een hoofdpunt der Gereformeerde belijdenis en dit geschil een zoo scherp karakter aannam, dat elke poging tot verzoening onmogelijk bleek.
Wat in zulk een geval de finantieele gevolgen van contractbreuk zouden zijn, wijst Art. 7 der additioneele bepalingen aan. De kerken zouden het door haar betaalde aandeel in de kosten van verplaatsing of verbouwing terug ontvangen. Is de rekening der bezwaarde broeders juist, dat deze kosten 100.000 gulden zouden bedragen, dan zou het aandeel der kerken op 30, 000 gulden getaxeerd moeten worden en de kerken zouden dit kapitaal bij verbreking van het contract terug ontvangen om terstond tot stichting van een rdeuw gebouw te kunnen overgaan i). Daar het contract bovendien één jaar van te voren moet opgezegd worden, zouden de kerken dus een vol jaar den tijd hebben om naar een nieuw gebouw om te zien. In onzen tijd, waarin men in één jaar huizen bouwt als paleizen, zouden de kerken dus gemakkelijk genoeg voor een nieuw gebouw kunnen zorgen. Nog daargelaten dat men voorloopig een huis zou kunnen huren, gelijk de Vrije Universiteit jarenlang bij de Schotsche kerk heeft ingewoond. Meer moeite levert de vraag op, hoe het in dit geval met de hoogleeraren en stu-
I) In de toelichtende Memorie der Utrechtsche broederen wordt deze som op 50.000 gulden gesteld. Dit is echter onjuist. In artikel 7 der add. art. staat, dat de kerken de helft zullen betalen van de kosten na aftrek van de som, die thans in gebruik zijnde gebouwen der Vrije Universiteit opbrengen. Dit laatste werd eenvoudig vergeten! denten zou gaan. Het heeft de aandacht getrokken, dat hierover geen bepaling in het contract voorkomt. Metterdaad is elke regeling daaromtrent met opzet weggelaten, omdat hiervoor geen regeling kan gemaakt worden.
Studenten zijn volkomen vrij, waar zij studeeren willen. Ze laten zich niet „verdeden." En even goed als thans een deel naar Kampen en een deel naar Amsterdam gaat, zou bij conflict een deel met de School der Kerken meegaan, en een ander deel aan de Universiteit hun studie voortzetten. En hetzelfde geldt van de professoren. Bij een conflict, dat zoo ernstig en diep ging, dat het verband moest verbroken worden, zouden de hoogleeraren zelf niet neutraal zijn, en zich als makke schapen laten indeden bij de Theologische School of de Theologische Faculteit, maar principieel partij kiezen vóór of tegen de Vrije Universiteit, vóór of tegen de Synode. Of het Contract al bepaalde, dat de helft der hoogleeraren dan aan de Theologische School moest blijven en de helft aan de Theologische Faculteit, zou daarom niets baten. De hoogleeraren zouden hun ambt aan de eene inrichting eenvoudig neerleggen en aan de andere inrichting een benoeming aannemen.
Hiervoor eene regeling vooraf vast te stellen, is onmogelijk. Men kan zulk een regeling wel maken, maar als er een conflict kwam, zou toch niemand door zulk een regeling zich laten binden.
Maar wel staat vast, dat bij zulk een conflict de Vrije Universiteit, en wat de hoogleeraren en wat de studenten betreft, zeker niet de voordeeligste positie zou innemen.
De Kerken betalen voor de hoogleeraren het volle salaris, dat de hoogleeraren nu te Kampen ontvangen. Als de Kerken wilden, behoefden zij dit salaris dus niet te verhoogen, en bleven derhalve voor haar de uitgaven dezelfde. Vooral wanneer de School in zulk een geval weer verplaatst werd naar een kleinere plaats, waar de levensstandaard goedkooper was, zou men het salaris gerust op 3000 gulden kunnen laten.
De Vrije Universiteit daarentegen zou, krachtens haar statuut, aan eiken hoogleeraar 4500 gulden moeten uitkeeren. Bleven alle hoogleeraren haar getrouw, dan moest zij dus plotseling aan tractementen 15, 000 gulden meer uitgeven. Daar bij een principieel conflict de Generale Synode allicht geen collecten voor de Theologische Faculteit meer zou uitschrijven, zou zij al haar inkomsten uit die bron moeten derven. Voorzoover het finantieele belang den doorslag geeft, zouden de hoogleeraren dus zeker het best er bij varen, indien zij allen met de School der Kerken meegingen, want de Vrije Universiteit zou finantieel buiten machte zijn, haar verpUchtingen tegenover al deze hoogleeraren in de theologie na te komen.
En evenzoo staat het met de studenten. Bij een principieel conflict zou het gevaar bestaan, dat de Kerken niet alleen dit contract, maar elk verband met de Universiteit verbraken en, behoudens het beginsel van vrije studie, aan de candidaten der Vrije Universiteit allerlei hinderpalen in den weg zouden leggen, om tot het kerkelijk ambt te komen. Wanneer de studenten aan de Theologische School dan de poort wijd open vonden, en de studenten der Theologische faculteit eerst na de strengste visitatie zouden toegelaten worden, is het eer te vreezen, dat de hoogleeraren aan de Universiteit hun gehoorzalen leeg zouden vinden, dan dat de School der Kerken gebrek aan studenten hebben zou.
Daarom, laat men ook hier geen spookbeelden oproepen, waardoor alleen ce argelooze menigte zich verschrikken laat. Wie de gevolgen indenkt van een breuke tusschen de Universiteit en de Kerken, zal ons toestemmen, dat in zulk een geval alle kansen voor de School der Kerken en tegen de Theologische Faculteit zouden zijn. Wie er belang bij hebben kan het contract te verbreken, zeker de Vrije Universiteit niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 25 mei 1902
De Heraut | 4 Pagina's