Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Eeredienst.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eeredienst.

10 minuten leestijd

TWEEDE REEKS

VI.

Staat alzoo vast, uit wat hoofde met name de Kinderdoop in de vergadering der geloovigen moet worden toebediend, dan moet ook in de wijze van bediening des Doops deze beweegreden, die hier heerscht, tot haar recht komen. Inlijving in de gemeente van een van elders ingekomen broeder gaat, in plaatselij ken zin, zonder eenig ceremonieel toe. Een opzettelijke ontvangst of verwelkoming heeft nergens plaats. De inlijving daarentegen van een kindeken greep, naar Gereformeerde ordening, steeds in het midden der Gemeente plaats, en zulks niet ter eerster instantie, omdat de Doop in de Gemeente inlijft, maar omdat voor het kindeken het recht op den Doop opkomt uit zijn ouders, voor zooveel deze tot de Gemeente behooren. De Doop is Verbondsztgcl en dit zegel wordt daarom alleen op het voorhoofd van zulk een kindeken gezet, welks ouders in die bepaalde Gemeente in het Verbond Gods besloten zijn.

Vandaar, dat bij den Kinderdoop in de eerste plaats de aandacht der Gemeente gevestigd moet zijn op hen, aan wie het kindeke het Dooprecht ontleent, en eerst daarna zich op het kindeken kan richten. Dit gaat zoover, dat kerkelijk nooit eenige maatregel verordend is, om te voorkomen dat men geen kindeken onderschoof. Men neemt aan, dat het aangebodene kindeken metterdaad het kindeken van dien man en die vrouw #, al ware in een groote gemeente misleiding zeer wel denkbaar, en al laat zich zeer wel een beweegreden voor de eigenlijke moeder van het aangeboden kindeke denken, om niet zelve voor de vrucht van haar schoot op te komen. Want het is wel zoo, dat voorlegging van het geboortebriefje gevraagd wordt, maar wie weet niet hoeveel geboortebriefjes in een stad als Amsterdam beschikbaar voor gebruik gereed liggen, van kinderkens die kort na den doop stierven. Zulk een moeder, die zich schaamt over haar zonde, en toch haar kind niet ongedoopt wil laten, kan op die wijs haar doel bereiken zonder haar eigen naam bloot te geven. De naam van haar kindeke staat dan wel niet in het boek, maar zij weet dan toch, dat haar ongelukkig wicht tenminste gedoopt is.

Doch gelijk gezegd, op de identiteit van het kindeken heeft zich de kerkelijke zorg nooit gericht, en terecht, want zulke misleiding mag bij „geloovigen", — en alleen de kindekens der „geloovigen" hebben op den Doop recht — zelfs niet ondersteld worden. De eenige zekerheid die de gemeente behoeft is daarom, dat hij, die het kindeke aanbiedt als zijn kindeken, als „geloovige", en dus als lid der kerk bekend sta. Meer kan geen publieke eisch zijn.

Dat hierbij de vader de handelende persoon moet zijn, spreekt vanzelf. Ook de moeder kan desvereischt handelen, of desnoods een toeziend voogd, zoo de moeder niet kan; maar het optreden van den vader moet regel zijn, en alleen zoo hij óf overleed, óf ziek ligt, óf afwezig is, treedt een ander in zijn plaats. Er moet getuigd worden, getuigd dat dit kindeke het kind van hem en zijn vrouw is, en bij al zulke handeling laat men, waar ook, niet de vrouw optreden, om te zeggen: Dat kind heb ik van dien man, maar geldt het getuigenis van den man, dat hij dit kindeke bij zijn vrouw gewonnen heeft. Het voorkomen van geboorte uit een ongehuwde vrouw is en blijft een schande in de gemeente, en moet onder geloovigen zelfs niet genoemd worden. De regel voor den eeredienst en van wat er mede samenhangt, kan noch mag deswege, tenzij men de eereder gemeente te grabbel werpt, niet anders ontleend dan aan de onderstelling, dat het kindeke in wettig huwelijk geboren is, en dat wettig huwelijk brengt naar de ordinantie des Heeren mede, dat niet man en vrouw als twee naast elkander staan, maar dat ze als hoogere eenheid gelden, en dat deze eenheid alzoo bestaat, dat niet de vrouw maar de man het hoofd van het gezin, en ook het hoofd der vrouw is. Zoowel op burgerlijk als op kerkelijk terrein treedt daarom niet de vrouw, maar de man op, zoo dikwijls er omtrent iets het gezinsleven rakende, te getuigen of aan te geven valt. Dat de moeder de eerste dagen in de kraam ligt, en dus niet dadelijk komen kan, is wel waar, maar het is niet de grond voor het optreden van den vader. Die grond ligt alleen daarin, dat hij het hoofd der vrouw en het hoofd van zijn gezin is. Er moet hier getuigd worden voor een geval van herkomst en afstamming, en zulk een getuigenis vraagt men niet aan de vrouw, maar aan het hoofd van huisgezin.

De tegenwoordigheid van den vader bij de bediening van den Doop is daarom als regel vereischte. Hij moet voor het oog der gemeente verschijnen; de gemeente moet weten wie hij is; moet hem als een van haar leden kennen; en de Doop moet aan zijn kindeken in het midden der gemeente worden toegediend op grond van zijn getuigenis, dat dit aangeboden wicht zijn kind is. Natuurlijk komen ook hier uitzonderingen voor. Het kan b.v. zijn dat v/el de moeder, niet de vader lid der kerk is, en zoo zijn er mfer afwijkingen van den regel. Maar naar die uitzonderingen kan de regel voor den eeredienst zich nooit richten. De regel richt zich naar wat in het gewone geval plaats grijpt, en het gewone geval is, dat vader en moeder beiden leden der kerk zijn, en alzoo als geloovigen bekend staan.

Moet alzoo de vader als verwekker van het kind voor het oog der gemeente verschijnen, dan volstaat het niet, dat hij ergens achteraf in een bank wordt gezet. Hij moet optreden, zoodat de vergaderde gemeente hem zie, en wete wie hij is. Meer nog. Als er tegelijk meerdere kindekens gedoopt worden, dan moet hij voor het oog der gemeente zoo met zijn kindeken erbij optreden, dat blijkt voor welk kindeken hij als de vader optreedt. Nu kan dit het duidelijkst zichtbaar zoo geschieden, dat hij zelf het kindeke in zijn armen houdt op het oogenbiik dat het den Doop zal ontvangen. Alleen, dat is geen vereischte. Het is geheel voldoende dat hij er bij sta, en heel de gemeente zie, voor welk kindeken hij als vader handelt. Zelfs mag niet verheeld, dat de vader in den regel niet de meest geschikte persoon is, om het kindeken in zijn arm ten Doop voor te houden. Het is stellig aesthetisch schooner zoo dit door een vrouw geschiedt. Een vrouw heeft daar meer slag van. Een kindeken in de eerste levensjaren is gemeenlijk beter aan de hand van de vrouw dan van een man toevertrouwd. Hiermede is niet bedoeld, dat het juist de moeder moet zijn. Dit raakt de heel andere quaestie van het uitstel van den Doop. In dit verband wordt er alleen nadruk op gelegd, dat de vader, om zijnerzijds te verrichten, wat zijn plicht is, kan volstaan met z'ijn kindeken, onderwijl het gedoopt wordt, bij te staan en dat hij zeer v^rel het kindeken voor den Doop kan laten ophouden door een zuster of andere bloedverwante, door een vriendin of zelfs door een baker. Niet het ophouden bij den Doop, maar het presenteeren voor den Doop is het eigenlijke wat de vader te verrichten heeft. Is de moeder tegenwoordig, dan is het meest natuurlijk, dat man en vrouw, onderwijl de vrouw het kindeken in haar armen houdt, voor het Doopbekken of de Doopvont toetreden.

Liturgisch volgt hieruit, dat de Doopbediening zóó behoort plaats te hebben, dat heel de Gemeente zien kunne wat geschiedt, en vooral hierin schiet men veelszins te kort. Ontbreekt in het Doophek elke verhevenheid, is het Doophek gelijkvloersch met het overige deel der kerk, dan kunnen alleen zij, die vlak bijzitten, door de traliën van het Doophek ongeveer zien, wat plaats grijpt. We zeggen ongeveer, want meestal is er aan de binnenzijde van het Doophek een zitbank, waarin menschen zitten, die het doorzicht belemmeren. Maar al ontwaren zij die vlakbij in het ruim zitten nog iets, zelfs dit gaat teloor voor wie verderafin de kerk zit, tenzij men, gelijk soms geschiedt, opstaat of op zijn stoel klimt, wat dan voor anderen weer alle gezicht afsnijdt. Het is daarom dat we hier herhalen, v/at we reeds vroeger als eisch stelden, dat het terrein, waarop de Doop zal bediend worden, een verheven platvorm zij, zonder banken aan den voorkant, zoodat ieder in heel de kerk klaar en duidelijk zien kunne wat er plaats grijpt. Het in zwang gekomen Doophek is hiermede lijnrecht in strijd, in zooverre hierdoor het gezicht der gemeente veeleer belemmerd dan bevorderd wordt. Dit nu keuren we beslist af, in zooverre het in rechtstreekschen strijd is met de beweegreden, die noodzaakt om den Doop in de vergadering der geloovigen te doen plaats grijpen, en alzoo tegen den grondregel van onze Gereformeerde Doopsbelijdenis vloekt. Alleen indien op een geheel open, eenigszins verheven plaats, de vader met zijn kindeken (door wie dan ook gedragen) voor het oog der gansche gemeente verschijnt, komt de verbondsgedachte tot zijn recht.

Nog iets anders voegen we hieraan toe.

In kleine gemeenten kennen alle leden der kerk elkaar onderling op het eerste zien. In zulk een gemeente is het daarom voldoende, at de man openlijk optrede, zoodat ieder em zien kan, om de zekerheid te geven, at ieder lid der kerk wete, wiens kindeken en Doop zal ontvangen, en de gemeente n staat te stellen om te oordeelen, of de ader tot de gemeente behoort.

Maar dat is zoo niet in grootere geeenten.

In grootere gemeenten treden er herhaalelijk vaders met hun kinderen voor den oop op, die op het eerste gezicht bij geen er aanwezigen bekend zijn. Men ziet een eheel onbekend persoon verschijnen, en eet niet wie hij is. Dat nu mag niet. Op ie wijs wordt aan hetgeen de IDoopsregel ischt, niet genoegzaam voldaan. Hieraan u ware tegemoet te komen, of zoo, dat óór eiken Doop den naam van den vader en de moeder door den dienstdoenden ouderling werd afgelezen; of wel op zulk een wijze, dat bij den ingang der kerk een lijst werd opgehangen, waarop de namen der ouders in uiste volgorde stonden opgeschreven. Het is zoo gansch verkeerd, dat men in de vergadering der geloovigen zoo angstvallig het noemen van namen schuwt. Zoo moest, als er voorbede gevraagd werd of dankzegging, vóór het gebed de naam genoemd worden van wie de voorbede of dankzegging vroeg, en zoo ook moet vóór den Doop de naam bekend zijn van wie zijn kindeken ten Doop presenteeren zal. De indeeliiig van de gemeente, die te talrijk blijkt, in kerspelen zou ook hier voordeel opleveren; maar voorshands ontbreekt alle uitzicht, dat dit denkbeeld practisch zal worden toegepast. We vorderen wel iets. Vooral de groote afstanden brengen wel van lieverlede te weeg, dat men zich almeer went, om in een bepaald kerkgebouw op te gaan, maar dat proces moet nog veel verder doorwerken, zal het ooit tot indeeling van g-oote gemeenten in vaste kerspelen komen. Het dusgenaamde „naloopen" van dezen of genen prediker zit den meesten nog te zeer in het bloed. Toch zal ieder toestemmen, dat ook de bediening van den Doop er bij winnen zou, indien door kerspel-indeeling kon bereikt worden, dat ieder voor den Doop van zijn kindeken voor dat deel der gemeente optrad, waarbij hij meer persoonlijk bekend was. In afwachting hiervan zou aflezen of in lijst ophangen van de namen der Doopvaders voorloopig uitweg bieden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Eeredienst.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1902

De Heraut | 4 Pagina's