Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit ve Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit ve Pers

6 minuten leestijd

Prof. Bavinck schrijft in De Bazuin nogmaals over het verschil in doopspractijk in onze kerken:

De verschillende doopspractijk in onze Kerken blijft hier en daar nog telkens tot verwarring en oneenigheid aanleiding geven.

Een verschil in beginsel is het gelukkig niet.

In eene welwillende beoordeeling van de bro chure Ouders of Getuigen door Prof. H. H. Kuyper, in de Heraut No. 1224—1226, werd de vraag, waarover verschil rees, aldus gesteld: is de tegenwoordigheid der moeder bij den doop zoo onmisbaar, dat de doop van het kindeke daarop wachten moet?

Indien de vraag zoo wordt gesteld, is er maar één antwoord mogelijk en wel een duidelijk en onomwonden: neen!

Er is niemand, voor zoover ik weet, die het doopen van een kind des verbonds terstond of zoo spoedig, mogelijk na de geboorte principieel af keurt of bestrijdt. Ook bestaat er geen verschil over het feit, dat onze vaderen gewoonlijk den doop aan hunne kinderen lieten toedienen binnen de eerste week na de geboorte. En eindelijk zou het, wanneer de kinderdoop thans voor het eerst moest worden ingevoerd, waarschijnlijk weinig moeite kosten, om allen de practijk der vaderen in het algemeen te doen verkiezen boven die, welke in de vorige eeuw in zwang kwam.

Er bestaat echter nu eenmaal eene zekere usantie, wat betreft den tijd, waarop hij in het algemeen aan kinderen der gemeente bediend wordt. En met die usantie dient door allen gerekend te worden, inzonderheid door hen, die eene andere practijk wenschen in te voeren.

Maar dat is helaas niet altijd geschied. Wanneer voor het eerst, na langen tijd van onkunde en dwaling, zuivere en schoone beginselen worden verkon digd, dan laten velen zich daardoor meeslepen, dat zij met de eischen der werkelijkheid geen rekening houden en niet beter en verstandiger meenen te kunnen doen, dan door ze in eens en tot in de uiterste consequentiën toe in het leven toe te passen.

Zoo is het ook met den tijd van den doop ge gaan. Overdrijving heeft hier groote schade aange richt. De vroegere practijk werd soms verdedigd met argumenten, die voor de rechtbank der Gere formeerde historie niet kunnen beslaan. Als aan de moeder, ooi al was ze hersteld, pertinent geweigerd werd, om naast haar man bij den doop van iiaar kind plaats te nemen, om zelve het kind ten doop te houden, om op de doopvragen te antwoorden enz. dan is dat eene caricatuur van de Gereformeerde leer en de Gereformeerde practijk.

Prof Kuyper is het daarmede feitelijk ook geheel eens. Hij erkent, dat onze Gereformeerde Kerken er volstrekt geen principieel bezwaar tegen hadden, dat de moeder bij den doop tegenwoordig was en de doopbelofte aflegde. De voorstanders van den vroegen doop hebben, zoo getuigt hij met ons, wel eens te veel uit het oog verloren, dat de verandering van een zoo ingewortelde gewoonte met beleid moest geschieden. Men heeft in jeugdigen ijver wel eens met geweld willen doorzetten, wat alleen in den weg van overreding kon worden verkregen. Aan een punt, betrekkelijk ondergeschikt, is een waarde gehecht, als hing er de zaligheid aan. En naar het schijnt, is het beginsel hier en daar zoo op de spits gedreven, en zijn daaruit zoo dwaze con sequentiën getrokken, dat de gemeente recht had, om haar beklag te doen.

Welnu, tegen dat gebrek aan tact, tegen dat niet rekenen met de werkelijkheid, tegen die dwaze consequentiën liet de Schrijver van Ouders of getuigen zijne stem hooren. En hij beriep zich daarbij op de verstandige wijze, waarop de Gereformeerde vaderen hunne beginselen steeds in de practijk hebben toegepast. Zij zijn in menig geval eer te veel dan te weinig met de practijk te rade gegaan. Aan die practische wijsheid der vaderen ontbreekt het echter tegenwoordig nog al te veel. Nog niet zoo lang geleden had een predikant, natuurlijk met de beste bedoeling, de gewoonte, om, wanneer de vader alleen het kind ten doop kwam houden, hem een bijzon der woord van goedkeuring en lof toe te spreken, wat natuurlijk zeer geschikt was, om aan de eene zijde een zekeren geestelijken hoogmoed en aan de andere zijde een gevoel van bitterheid te v, 'ekken. Langzamerhand gingen de oogen voor deze schadelijke gevolgen open en werd de gewoonte afgeschaft.

In eene andere gemeente las de predikant eerst de derde doopvraag, gelijk er staat: ))waarvan gij vader of getuige zijt, " en maakte opzettelijk van de moeder geen melding. Toen er onaangenaamheden door ontstonden, liet hij ook deze woorden; «waar van gij vader of getuige zijt, " weg. En toen ook zoo de vrede niet hersteld werd, keerde hij tot eene vroegere gewoonte terug en zeide zelfs, wanneer de moeder bij den doop van haar kind niet tegenwoordig was, «waarvan gij vader of moe der zijt.’

Nog erger is een ander geval. In zekere gemeente heeft de Kerkeraad op grond van een vroeger genomen besluit nu reeds tien maanden lang geweigerd een kind te doopen omdat de ouders begeeren, dat de moeder nevens den vader voor het aanschijn des Heeren en der gemeente de belofte doe, dat ook zij haar kind wenscht op te voeden in de leer en vermaning des Heeren. De Kerkeraad heeft gezegd, dat de moeder bij den doop van haar kind niet in aanmerking mag komen, niet gevraagd mag worden en niet antwoorden mag. Endaar blijft het bij.

Zulke handelwijzen zijn allerminst geschikt, om de hoogschatting van het sacrament te bevorderen. De Schrijver van Ouders of Getuigen, okchoono^zKch zelf volstrekt geen tegenstander van den vroegen doop, kon en kan zich met dergelijke practijken niet vereenigen. Zij bederven meer dan zij goedmaken. Wat het laatst vermelde geval betreft zou het zeer wenschelijk zijn, dat dit eens langs den kerkelijken weg ter Synode werd gebracht. Dan konden de Kerken er zich gezamenlijk over uitspreken, of een Kerkeraad het recht heeft, om bepalingenen voorwaarden voor de doopsbediening te maken, die noch in Gods Woord, noch in de Gereformeerde belijdenisschriften, noch in de Dordsche Kerkorde, noch eelfs ook in de practijk der vaderen eenigen grond of steun vinden.

Zooals men ziet, vereenigt Prof Bavinck zich in de hoofdzaak met hetgeen in De Heraut over dit punt geschreven werd. Een principieel verschil is er dus niet. Ook Prof. Bavinck verklaart uitdrukkelijk, dat hij een voorstander is van den vroegen doop. Wanneer hij echter meent, dat ieder het met hem eens is, dat de tegenwoordigheid van de moeder bij den doop geen vereischte is, waarop de doop wachten moet, dan kan het bezwaarschrift van den heer Dwarshuis aan de classis Sneek, hem wel toonen, dat er nog broeders genoeg zijn, die hierover anders oordeelen en de tegenwoordigheid der moeder bij den doop wèl een onmisbare voorwaarde ashten.

Wij zijn het echter van harte met Prof. Bavinck eens, dat het gemis aan tact en het drijven van enkele predikanten in deze zaak groot gevaar opleveren voor onze kerken. Het zal daarom goed zijn, dat deze zaak langs kerkelijken weg op de Synode gebracht wordt, opdat aan dit overdreven zelotisme een einde worde gemaakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Uit ve Pers

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1902

De Heraut | 4 Pagina's