„Mijn God, wij, Israël, kennen U.
Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God, wij, Israël, kennen U. Hozéa 8 : 2.
Onder fijne, strenge belijders spreekt men met voorliefde van het volk, of van 'sHceren volk, terwijl men onder i7Ün strenge belijders in al zulk spreken een aanmatiging speurt, die men verfoeit. En ook hier is de taal al het volk en verraadt het spraakgebruik den geest die in den mensch is.
Wie zoo altoos van het volk des Heeren gewaagt, verraadt zeker opzet om met dien titel te pronken, en omgekeerd wie dien titel niet zetten kan, verraadt zijn overhelling naar den kant der wereld. Het hart uit zich in de woordkeus. Feitelijk is het dan ook zoo, dat die Christenen, die liefst niet als orthodox, maar bij voorkeur als „ernstige menschen, " of „lieve menschen" te boek staan, voor de strengere belijders eer afkeer dan sympathie gevoelen, en aan persoonlijken omgang met wat in de wereld eere heeft, verre de voorkeur geven boven intiem verkeer met „de fijnen."
Er is kentering, en in die kentering vooruitgang. Zóó scherp als in het midden der vorige eeuw staan beide groepen niet meer tegenover elkander. Maar toch, de klove gaapt nog, en die klove komt ook nu nog altoos daarin het scherpst uit, dat men in de eene groep het besef bestendigt en voedt van tot het volk des Heeren te behooren, terwijl men onder de andere groep er veeleer zijn eere in stelt, als belijders des Heeren op zijn wijze te verkeeren midden in de wereld. Toen steller dezes in 1867 te Utrecht zijn intrede deed, zei in de consistoriekamer een man van hooge autoriteit tot hem: „Van heel de orthodoxie komt niets terecht. Al de fijnen zijn voor den afval bestemd. En Christus zal zijn kerk weer bou wen uit de modernen!" Die dat zei, gold voor een steunpilaar onder de niet-fijne vromen in de vrome stad, en wat hij uitsprak, meenden destijds de meesten.
Stellig sprak hierin een aanranding van de eere van 'sHeeren volk, en in het droef verloop van zijn eigen kring heeft zich ook dit booze woord gewroken.
Alleen maar, het kwaad dat uit hem sprak, kwam niet van hem alleen. Er was in den strengeren kring maar al te veel aanleiding toe gegeven.
Over de aanhoorigheid tot het volk des Heeren werd in dien strengen kring veel te licht gedacht, en die aanhoorigheid werd te veel afgemeten naar uitwendig belijden.
Het stond er ten deele mee, als met Israël in Hozéa's dagen, toen de vijand op Jerusalem afkwam, door Jehovah zelf tegen Jerusalem om zijn zonde uitgezonden, en toen het volk van Jerusalem alle denkbeeld van wezenlijk gevaar van zich zette, hierop steunende, dat ze zeiden: „Ons zal geen kwaad genaken, want wij, Israël, kennen u als onzen God!"
Die tegenstelling, hoe pijnlijk ook, moet onder de oogen worden gezien. Wie het volk vleit, en het zijn zonde niet durft aanzeggen, misleidt de schare. Immers dat juist was het onderscheid tusschen de w^re en de valsche profeten, dat de valsche proleten altoos Israel's eigenliefde en zelfgenoegzaamheid streelden, terwijl de echte profeten, die Jehovah zond, aan Israël elk valsch masker van het aangezicht afrukten.
Zeker, aan den eerenaam van het volk des Heeren moet tegenover de slappere belijders met kracht en klem worden vastgehouden. Er moet aan worden vastgehouden, op grond van de Schrift, die niet alleen in het Oude, maar evenzoo in het Nieuwe Testament dien term van „volk" voor de gezamenlijke „heiligen" bezigt. Er moet aan vastgehouden, omdat wie van geen „volk" wil spreken, daarmee ook den Koning verwerpt, want een koning zonder volk houdt op werkelijk koning te zijn. Er moet aan worden vastgehouden, omdat onze vaderen steeds in die erkentenis van een volk des Heeren hun kracht hebben gevonden. En ook, er moet aan vastgehouden, omdat in dien krachtigen term van het volk des Heeren, èn de saamhoorigheid ' der belijders èn hun onderdanigheid aan het Woord en de ordinantiën des Heeren zoo beslist wordt uitgesproken. /
De tegenstelling tusschen de wereld, die den Heiligen Geest niet ziet en niet kent, en de kinderen Gods, die alleen daarom kinderen Gods zijn, overmits ze den Geest ontvangen hebben en door dien Geest geleid worden, mag geen oogenblik worden prijsgegeven.
Alleen maar, het karakter, het onderscheidend merkteeken, van wat tot dat volk hoort en van wie buiten dat volk staat, mag niet worden vervalscht.
De heilige eerelitcl van volk des Heeren mag niet misbruikt worden, om een schijn van hooge voortreffelijkheid te geven aan wat innerlijk onbekeerd staat.
En ook, van dat „volk des Heeren" mag alleen gesproken werden als het pas geeft, en die heilige titel mag niet een stopwoord worden, waarmee men in geestelijke opgeblazenheid zich zelven en anderen vleit.
Israël riep: „Mijn God, wij, Israël, kennen U, " en zoo riep het in tegenstelling met de Assyriërs en Babyloniërs en Philistijnen en Egyptenaren, die Jehovah niet kenden, en zich bogen een iegelijk voor hun afgod. Nu was dit ook zoo.
Alleen aan Israël had God zich geopenbaard, en de andere volken had Hij overgegeven in hun zelfgekozen weg.
Te Jerusalem wist een ieder van Jehovah te spreken, en ging men er trots op, dat alleen Israël den eenigen waren God aanbad. Maar voor de groote menigte bleef het bij dat uitwendig stamelen van Zijn heiligen naam, en slechts een kleine kern van het volk was tot de wezenlijke kennisse van den Heere doorgedrongen.
Kennen en kennen scheelt zoo alles.
Aan een vreemdeling, die door ons land toog, zal, in zijn vaderland teruggekeerd, gevraagd worden, of hij Nederland kent, en hij zal antwoorden: „O, gewisselijk, ik heb zelfs alle musea in de hoofdstad en in de residentie bezocht." Maar wat kent zulk een vi eemdeling daarom nog van Nederland in al zijn elf provinciën, van Nederland in al zijn rangen en standen, van Nederland in zijn verleden en zijn heden, in zijn karakter, in zijn streven, in zijn bedoelen, in zijn volksaard?
En evenzoo gaat het met het kennen van enkele personen. Kent gij mijnheer Arminius? zou men in de 17e eeuw te Amsterdam ge vraagd hebben, en de man die hem in de kerk had zien zitten, en hem dus van aangezicht kende, zou gezegd hebben: ja. Maar wat ander kennen was dit niet, dan de kennisse waarmee een Gomarus het streven en bedoelen van Arminius doorgrond had.
Er is bij alle dingen een aanvankelijk, een voortgezet en een volledig kennen. Er is een kennen van buiten en van binnen. Er is een kennen onder één enkel gezichtspunt en er is een kennen in vollen omvang. En zóó en niet anders staat het ook met de kennisse van onzen God.
Er is een eerste kennen van onzen God, als we voor het eerst het bestaan van den levenden God in ons bewustzijn opnemen. Er is een nader kennen van onzen God, als vader of moeder, of ook de Dienaar des Woords, ons in de wetenschap van Zijn deugden en heiligheden inleiden.
Dat alles echter blijft uitwendig en in de oppervlakte zweven, en alle deugden Gods kan men in juiste volgorde opnoemen, zonder dat men nog ooit den levenden God ontmoet heeft. Dat ontdekt worden van het aanschijn des Heeren voor het besef onzer ziel is zoo heel iets anders, dan het van buiten leeren van zijn namen en eigenschappen en daden.
In het gebed komt dat het eerst uit. Ieder begint met te bidden, zonder dat hij voelt met wien hij in zijn gebed te doen heeft; en zelfs wie dieper ingeleid is, kent nog telkens de oogenblikken, dat hij ja gebeden heeft en amen heeft gezegd, maar zonder dat hij in zijn bidden waarlijk dè levende gemeenschap met God en zijn majesteit ontwaard heeft.
Het is zoo heel iets anders, of God voor ons nog niets is dan een begrip, een naam, een iets in het vage of zwevende, of wel dat we weten voor God te hebben gestaan, tot God zelven te hebben gesproken, en den vollen indruk van zijn heilige tegenwoordigheid in onze ziel te hebben ervaren.
En nog dieper, nog verder gaat die kennisse Gods, als ze niet maar is een ontmoeten van zijn God voor een enkel maal, maar] als we met ons geestelijk orgaan al dieper in die kennisse indringen, aan onzen God gewend worden, Hem kennen in al onze wegen, en steeds zijn tegenwoordigheid om ons gevoelen, zoodat we Hem kennen in al onze wegen.
Nu is dit genade, en in het uitdeelen ook van die genade is onze God vrij machtig. Hij zal den één die heilige genieting met volle teugen, den ander slechts met enkele druppelen toemeten, en ook kan het Hem believen zich voor een tijdlang van ons terug te trekken.
Wie meer ontving, mag daarom den broeder aan wie minder werd toebedeeld, niet verachten. Alleen maar, dit moet er zijn, dat men zelf uit eigen ervaring die gemeenschap van zijn God kent; dat men ze zalig keurt; dat men er naar dorst als ze ons weer ontging; en dat ons streven en bedoelen er op gericht blijft, om in die geestelijke, die ware kennisse van onzen God verder te komen.
Dezulken alleen mogen zeggen : Mijn God, wij, Israël kennen u. En die alleen zijn besloten in het gekochte en vrijgemaakte volk des Heeren.
Om die kennisse van onzen God moet dan eiken dag onzes levens onze bekommernis zijn, en verloren moet elke dag ons wezen, die ons in die ontmoeting, die gemeenschap, die kennisse van onzen God ons geen hernieuwing van zaligheid en geen vooruitgang gebracht heeft.
Nooit mag wat we van onzen God kennen ons bevredigen, maar steeds moet meer van onzen God te kennen, het heimwee van ons hart zijn.
Geen godsdienst in het belijden, in het gesprek en in de vrome usantie alleen, maar een dienst van onzen God, die steeds meer geestelijk karakter aanneemt.
Niet een Sabbath, om anderen te bespieden, o/ ze ook iets doen, wat ze onzes inziens laten moesten; maar een Sabbath om in de ruste onzer ziele onzen God meer nabij te komen, en Hem meer v/aarachtiglijk te kennen gelijk Hij is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 8 juni 1902
De Heraut | 6 Pagina's