„Als zij den ganschen dag tot mij zeggen: „Waar is uw God.”
Met eenen doodsteek in mijne beenderen hoonen mij mijne wederpartijders, als zij den gan schen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? Psalm 42 : 11.
Het geloof doorstaat bij het vredegeroep, dat uit Zuid-Afrika ons oor bereikte, een harde proef.
Nu ruim twee jaren geleden botte het geloof, juist naar aanleiding van wat in Zuid-Afrika voorviel, uit in weelde. Een oogenblik scheen het, alsof de tijd der wonderen was teruggekeerd. En wat bovenal streelde, was de erkentenis, die in wereldsche kringen te beluisteren viel, dat het geloof, gelijk bij de Boeren bleek, dan toch een onverwinlijke kracht in den krijg schonk, en dat er dan toch een God bleek te zijn, die het leven van volkeren en staten beheerschte.
Een klein volk, dat niemand kwaad deed, werd door een reuzennatie tegen recht en rede aangevallen. Een ander, nog kleiner volk had den zedelijken moed het voor het bedreigde land op te nemen. Het was een gansch ongelijke strijd, waarin het recht aan de zijde der machteloozen en het onrecht aan den kant der machtigen was. En zie, nu zag men het wondere, dat de overmachtige niet vermocht, dat de aanvaller werd teruggeslagen, en dat de kleine macht die voor het recht stond, overwinning behaalde op overwinning.
Dit trok zoo sterk de aandacht ook in ongeloovige kringen, dat men keer op keer zeggen hoorde: „Nu begin ik toch ook weer te gelooven. Ja, waarlijk, er moet dan toch een God zijn!" Hierdoor voelden dan de geloovigen in den lande zich gestreeld. Die eerebetuiging deed hun goed om hun God dien ze lief hadden. Door dit vreugdebesef gedrongen, hoopten ze vast, dat het van zegepraal tot zegepraal zou doorgaan. En zoo men halsreikend uitzag naar het oogenblik, waarop de machtige zijn prooi los zou moeten laten, werd het geloovige volk daarbij niet het minst geleid door de vurige begeerte, om in den triomf van die twee kleine volkeren, die voor recht streden, den naam huns Gods te zien groot gemaakt.
Er was ook verontwaardiging over het internationale misdrijf; een verontwaardiging die soms tot bitterheid prikkelde.
Evenzoo waakte er ', een liefde vol toewijding en offervaardigheid op voor de stamverwanten, wien men de knie op borst zette.
Maar toch, wat de geloovige kringen op het diepst bij deze worsteKng bewoog, was de stille verwachting, dat de Heere onze God zich ditmaal als in de dagen van ouds^zou opmaken, om als door een wonder van zijn almachtigheid aan de wereld te toonen, dat er toch nog een God, die het recht handhaaft, leeft.
Thans, nu het anders uitkwam, ondergaat men allerwegen den terugslag van deze te sterk gevoede verwachting.
Zelfs gevoelt men zich bitterlijk teleurgesteld.
Het hart krimpt ons inéén om de mannen, wier worsteling op verren afstand de onze was.
En, wat het pijnlijkst is, die zelfde lieden der wereld, die na het eerste verloop van den krijg u toeriepen, dat ook zij nu weer gelooven gingen, grieven u thans, door den spottendentoon waarop ze u wreedelijk afvragen: Waar is nu uw God?
Reeds het feit, dat diezelfde vraag reeds aan de vromen in Israël voor de voeten werd ge-Tvorpen, bewijst intusschen, dat ons hierin niets vreemds overkomt.
In Eva's hart moet, toen ze Abel dood voor zich zag liggen, en ze geen ander kind dan den weêrbarstigen Kaïn, den moordenaar van zijn broeder, overhield, gelijke harde twijfel aan het Godsbestuur zijn opgekomen. En toen op Golgotha het bloed, betere dingen sprekend dan dat van Abel, vergoten was, ging door Maria's ziel een zwaard, dat nóg bitterder wondde.
En tusschen hetgeen de moeder van alle leven en de moeder des Heeren om den triomf van het onrecht in het bloed van een eigen kind, ja, in het bloed van den Heiland der wereld, geleden hebben, ligt de lange lijdenshistorie van het geloovige Israël, telkens klagend: „Gij geeft ons over als schapen ter slachting, om uwentwil worden wij den ganschen dag gedood".
Ja, als ge de wolke der getuigen in Hebreen II naspeurt, wat anders wordt u daar van Abel, van Henoch en Noach, wat anders van de Patriarchen, wat anders van Mozes en het uitgetogen volk verhaald, dan altoos weer dat ze bespottingen en geeselen hebben beproefd, verlaten, verdrukt en kwalijk gehandeld zijnde, mannen welke de wereld niet waardig was, die gedoold hebben in woestijnen en op bergen en in de holen der aarde, en die, hoe vast ze ook geloofden, toch de belofte niet verkregen hebben, maar ze eerst verkrijgen zullen in het rijk der heerlijkheid.
Dwaalt niet. Er is in het Godsbestuur duidelijk herkenbaar tweeërlei leiding., de ééne de regel, de andere de uitzondering.
De regel is, dat het oordeel Gods wordt uitgesteld tot in de eeuwigheid. Dan, maar ook dan eerst, zal Christus zitten als rechter, ook over koningen en staatslieden en veldheeren, opdat een iegelijk hunner wegdrage wat hij in dit leven gedaan heeft, hetzij goed hetzij kwaad.
Zoo is dan ook onze belijdenis. En elke dag toont opnieuw het onrecht dat hier op aarde ongewroken geleden wordt, de ondeugd die zich dekt of zelfs u tart, en de stille deugd die gelasterd wordt en vertreden.
En dan zondigt en lastert de booze voort, en roept spottend uit: God merkt het niet! Of „Waar is de God des oordeels? "
Maar die God liefhebben vertwijfelen daarom niet. Zij weten dat God het toch ziet; dat zijn wrake komt; en dat het alles uitloopt op Zijn oordeel.
Zoo is de regei.
Maar opdat wij onder het looden wicht van dien ontzettenden regel niet bezwijken zouden, geeft God op dien bangen regel ook de uitzondering.
Een enkel maal, denk aan een Achab, openbaart Hij zijn oordeel reeds hier op aarde, als de misdaad achterhaald, de leugen ontdekt, de geweldenaar neergeworpen wordt, en de onschuld heerlijk voor aller oog triomfeert.
Dat doet dan de rockende vlaswiek weer opvlammen.
Als in Stephanus de eerste martelaar, onder steenworpen verpletterd, ter neder ligt, bloedt het hart van al Gods volk; maar als straks Herodes door de wormen opgegeten, een smadelijken dood sterft, jubelt al het volk in den engel des heeren die hem sloeg.
Dan hoeft er niet geloofd, dan ziet men wat God doet, en de bedrukte ziel richt zich op. Zoo is het met personen, zoo is het met staten en volken.
Als de uitzondering invalt is er verademing, als de regel weer komt, is er spanning en benauwdheid.
Immers dan ziet] men niet^ en dan komt het weer enkel op gelooven aan.
En gelooven, enkel gelooven, tegen alle werkelijkheid in, kost aan de ziel zoo ongelooflijke spanning en inspanning.
Zoo ook nu weer.
Toen het in den aanvang van deze worsteling de uitzondering gold, leefde aller hart op. Er hoefde niet meer geloofd te worden. Men zag de hand van den rechtvaardigen Rechter voor oogen. En ieder onzer jubelde in het doen zijns Gods.
Maar nu komt het weer op gelooven aan, nu gaat de bange regel weer door. Nu trekt het oordeel zich weer terug, en een macht die sterker is, slaat den kleine die op zijn God vertrouwde, ter neder.
Nu is wat men ziet, weer enkel donkerheid. Nu hangt weer de sombere, vale sluier uit, die alle doorzien in den raad en in het doen Gods belemmert.
Nu komt het weer eiikel op gelooven aan.
En nu schiet, o, bij zoovelen, juist de kracht om te gelooven te kort.
Ook hiertegen moet gewaakt, gebeden en gestreden.
Wie den eisch stelt, dat God reeds nu, reeds hier op aarde, in elk voorkomend geval, zijn oordeel aan de schuldigen voltrekken, en den onschuldige uitredden zal, weerspreekt de Schrift rechtstreeks; toont niet te gelooven, dat het oordeel eerst met Christus wederverschijning op de wolken staat voltrokken te worden; verraadt hoe hij in het lijden der rechtvaardigen niet is ingeleefd; en doet al te jammerlijk uitkomen, hoe weinig het „enkel" gelooven nog de kracht is die zijn leven bezielt.
Laat elk onzer toch toezien, dat hij ook in deze harde dagen zijn God niet verdenke.
Ge moogt u niet inbeelden, dat gij het recht liever hebt, dan God zelf het heeft. Ge moogt noch bij uzelven noch bij anderen den waan voeden, alsof God minder erbarmen had met de twee hard verdrukte volken dan gij. Ge moogt niet uzelven diets maken, dat wel gij de ongerechtigheden voelt, die de hebzucht van den geweldenaar aandorst, maar dat God, de heilige en rechtvaardige God, hiervoor onverschillig zou zijn.
Hebt ge God lief, en vertrouwt ge op Hem als den heilige en rechtvaardige, dan hebt ge wel te verstaan, dat wat gij bij dat alles voelt, nog van verre niet te vergelijken is bij den toorn GoSs die er tegen uitgaat.
Alleen maar, de vraag: hoe dit nu verklaard moet, en waarop het zal uitloopen, staat niet aan u, maar aan Hem ter beslissing.
U mag en moet het hart van heilige verontwaardiging ineenkrimpen. Mlaar zij het al met een bloedend hart, toch zult ge ook hierin zóó uw God liefhebben, dat ge in uw geloof niet wankelt, en het in vast en onwrikbaar vertrouwen aan Hem overgeeft, hoe Hij hier eens het recht zal uitbrengen, en hoe Hij eens toonen zal, waarom het zóó moest, en zoo alleen naar Zijn heiligen raad was.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 juni 1902
De Heraut | 4 Pagina's