„Als een Kinderen.”
Voorwaar zeg ik u, zoo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins daarin komen. Luk. I8: I7.
Natuurlijk, er zijn uitzonderingen, er zijn óók kinderen waarvan ge u onwillekeurig terug trekt, maar in den regel trekt een kind aan.
Ge moet u dat kind nu normaal en gezond denken. Al is het toch, dat ook een ziekstumperdje iets stil liefs kan hebben, en al heeft ook de kinder-ziekenkamer haar bekoring, ontkend mag niet dat in het pijnlijk lijden der kleinen hun aanvalligheid vaak geheel ondergaat, en ontkend kan evenmin, dat verregaande goorheid en slordigheid reeds aan een kindeken iets afstootelijks kan geven.
Maar laat ge die uitzonderingen nu terzij, en neemt ge onze kleinen in massa, zooals ze, als het klokje van twaalf slaat, een school uitstormen, vooral ten platten lande, dan bezitten kinderen op dien jeugdigen leeftijd nog een aantrekkelijkheid, die er onder hel verder opgroeien van af gaat.
Meer nog, ze hebben een eige? i soort aantrekkelijkheid.Heel anders dan bij de jonge maagd en den jongeling, omdat geslachtsverschil nog bijna niet meespreekt. Maar heel anders ook dan bij den volwassen man en vrouw, omdat alle zucht naar wat indruk maakt aan kinderen vreemd is, en ze eer boeien door leederheid. Mozes noemde in één adem „het zuigende kind en den grijzen man" (Deut. 32 : 35), en het is juist als de kracht van den man vergaat, dat hij naar het kindertype terugkeert, soms zóó sterk, dat we bij oude mannen en vrouwen weer spreken van hun kindschen staat.
Doch van hoe groote beteekenis het eigi^nlijke kind ook voor het leven van het gezin en voor het leven van het volk zij, toch ziet ge het kind in de oude wereld, eer Christus verschenen was, bijna niet optreden. Ge weet dat de kinderen er waren, maar ge merkt er niets van. Onder de heidenen waren ze meest in het vrouwenverblijf verscholen. Een eigenlijk schoolwezen bestond er niet. Van opvoeding in hooger zin was ternauwernood sprake, en het leven van het kind werd gering geacht. Hoe duizenden en duizenden kinderen werden niet om een of ander gebrek kort na hun geboorte door de ouders gedood. In China geschiedt dit nog. En al weet de kenner der oudheid, hoe veel hooger het kind onder Israël stond, toch merkt ge bij het lezen van het Oud Verbond aan alles, dat het kindeke ook bij het volk van God nog op verre na niet die beteekenisvolle plaats innam, die het thans bezit.
Men versla dit niet verkeerd.
Zeer zeker wordt er in het Oud Verbond gedurig van de kinderkens gehandeld. Offeranden waren bij hun geboorte voorgeschreven. Hun geestelijke samenhang in solidaire schuld met hun ouders wordt keer op keer uitgesproken. Aan Israël wordt ingeprent, dat het den kinderkens de heugenis van de groote daden des Heeren zal inprenten. Hun bezit wordt geroemd als een zegen des Heeren. Kinderloos te zijn geldt als een smaad, die diep beweend wordt. En zelfs wordt betuigd, dat de Heere zich uit den mond der kinderkens lof heeft bereid.
Maar wat in het Oud-Verbond nog ontbreekt is het optreden van het kindeke zelf. Ge hoort van Ismaël bij Isaak, ge leest van Samuel en Joas, maar bij dat alles komt toch het kindeke als zoodanig niet aan de orde. Het is meer wat aan hen gedaan en over hen beschikt wordt, dan het eigenlijke kinderleven dat uiten tot zijn recht komt.
Heel anders daarentegen wordt dit, zoodra het Oud-Verbond in het Nieuwe overgaat.
Nog niet bij Joannes. Bij hem hoort ge alleen van de eindelijke verhooring van Elisabeths gebed en van de naamgeving. Doch in Bethlehem keert het. Daar komt het Kindeke Jezus, en van dat Kindeke Jezus leest ge, hoe het ontvangen en geboren werd, hoe het in doeken werd gewonden en in de Kribbe nedergelegd. Ge leest van Maria en de herders, van de wijzen uit het Oosten, van Simeon en Anna. Hier is het Kindeke het middenpunt van een rijk en nieuw leven. Hier gaan van hel Kindeke de lichtstralen uit, die heel het tafereel beschijnen. Ge hoort hoe Herodes, om dit Kindeke te treffen, de kinderkens in Betlehem vermoordt. Ge leest hoe Maria en Jozef met het Kindeke naar Egypte vluchten, en uit Egypte naar Nazareth gaan. En bovenal, ge ziet straks in den tempel van Jerusalem het Kindeke zelf optreden, en ge verneemt hoe het opgroeide en wies, en toenam in grootte en in wijsheid en in genade bij God en bij de menschen.
En aan dit aangrijpend begin beantwoordt wat ge in het Nieuw Verbond al verder van het kindeke als kindeke verneemt.
Ge ziet hier de kinderkens spelen op de markt, en dal spel van de kinderkens trekt Jezus aandacht zoozeer, dat hij aan het spel dezer kinderkens een les voor zijn jongeren ontleent.
Ge hoort in den tempel de kinderkens hosanna voor Jezus roepen, en uw Heiland betuigen, dat dit de vervulling is van wat de psalmist zong, dat uit den mond der kinderkens Gode lof bereid was.
Kind van God te zijn, wordt heel het Nieuw Verbond door de hoogste eeretitel.
En eens zelfs wordt ons verhaald, hoe de moeders met haar kleinen tot Jezus kwamen, opdat hij haar lievelingen zegenen mocht, en hoe toen de discipelen ze wel afweerden, maar Jezus ze tot zich riep, zeggende: Laat de kinderkens tot mij komen, en hun de handen oplegde, en den zegen gaf.
Ten slotte ziet ge zelfs, hoe Jezus, toen al die groote en heilige mannen, die later zijn apostelen werden, om hem stonden, een kin deke naar zich toeriep, dat lieve kind in het midden van die groote mannen plaatste, en toen tot hen dit ernstige, zinrijke woord sprak: Mijn jongeren, indien ge niet wordt als dit kindeke, zoo kunt ge mijn Koninkrijk niet ingaan.
Hoe schijnbaar onbeduidend dit kleine voorval ook zijn mocht, feitelijk bracht het een ommekeer in de wereldgeschiedenis.
Sinds Jezus dat kindeke lot zich riep, is in het leven der gedoopte volkeren het kindeke steeds meer voor ons op den voorgrond getreden.
Niet opeens kwam het te staan, waar het u staat.
De ommekeer, door Jezus in het sociale leven van vrouw en kind en dienstbaren aangebracht, kon niet dan langzaam doorwerken. Het was het gisten van een proces. Het doorgisten van een zuurdeesem. Maar rusteloos werkt het nieuwe beginsel door, en zelfs nu nog is het op verre na niet tot stilstand gekomen.
Het enkele feit, dat Jezus niet alleen, zooals Joannes, de volwassenen tot zich riep, maar ook de kinderkens; dat hij de kinderkens als zoodanig, d. i. als kinderkens, zoo hoog stelde; ja, dat hij niet de kinderkens op de volwassenen, maar, omgekeerd, de volwassenen op de kinderkens als het te volgen voorbeeld wees; heeft eens voor goed aan het kindeke een geheel andere plaats in het leven aangewezen; heeft tot de ontdekking gebracht dat er in het kindeke iets hoogers schuilt, dal zegenend op het gezin en op het volksleven werkt; en zij, verstaam.
Toch zijn het niet enkel de tegenstanders van den kinderdoop, die hier tekort schieten; een tekort in waardeering van het kindeken vindt ge nog steeds bij allen, die wel bereid zijn veel voor het kindeke te doen, maar nog niet begrepen, dat ook zij zelven iets van het kindeke te onti'angen hebben.
Men zorgt voor de kinderkens, en dit is uit nemend. Voor hun opvoeding wordt steeds meer gedaan. Voor hun gezondheid wordt gewaakt. Als ze krank zijn, worden ze met teedere liefde verpleegd. Vacantiekolonies worden uit de steden naar strand en naar bosch gezonden. De schamelen worden gekleed en gevoed. Een eigen leerstof is voor hen ingericht. Spelen worden hun gegund. Uitgangen en kleine fees telijkheden worden voor hen bereid. En bovenal de zucht, om de kinderkens reeds als kinderkens onder de beademing van de Christelijke religie te brengen, vierde op onze Christelijke school en ten deele ook op de Zondagsschool een schoonen triomf.
Maar dit alles is nog heel iets anders dan Jezus bedoelde, toen hij dien kleine lot zich riep, en zijn discipelen op het hart drukte: „ Wordt als dit kindeke.”
Daarmede toch was gewezen op een zegen, dien niet wij aan de kinderkens, maar dien het kindeke als zoodanig ons moet brengen.
Uitgesproken, dat ons in die kinderkens een schat is gegeven, niet alleen om ze vertroetelen, op te voeden en te verzorgen, maar een schat ook, waarvan wij voor ons zelven profijl hebben te trekken.
Uitgesproken, dal de kinderkens, zonder het te weten of te merken, een roeping voor de ouders hebben; dat ze door God in ons gezin, in onze maatschappij, en in ons volk zijn gezet, ons een zegenenden invloed op de anderen te doen uitgaan.
Ja, uitgesproken, dat wij die onszelven altoos aanprediken, dal wij de kinderen door ons voorbeeld moeten beheerschen, het ook hebben in te zien, dat niets nuttiger voor ons is, dan dat we het voorbeeld van de kinderkens op ons laten werken; dal zij op hun beurt ook ons hebben op te voeden; en dal er een ongeraeene schat te loor gaat, zoo we dien vormenden invloed, dien de kinderkens op aarde moeten oefenen, weerstaan.
„Indien ge niet wordt als dit kindeke", hel slaat er zoo klaar en zoo duidelijk; en nog denken wij maai' al-te dikwijls aan dat heel andere: „Indien onze kinderen niet worden zooals wij zijn.”
Nu heeft dit laatste, lot op zekere hoogte, ongetwijfeld óók recht van bestaan, maar toch is er aanmerkelijk verschil.
Van óns voorbeeld mag in den regel gezegd: Indien mijn kind niet wordt als ik, zal het in de wereld niet vooruit komen. Maar Jezus zegt: Indien ge niet wordt als dit kindeke, zuil ge niet komen in hel koninkrijk van God.
En zie nu eens om u, en leg uw oor te luiste ren, ook in den kring van wie Jezus belijden, en hoor dan al die hoogheden, al die geraakt heden, al die eigendunkelijkheden, en oordeel dan zelf, of dat nu is: geworden te zijn als dat kindeke, waarop Jezus u wees.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juni 1902
De Heraut | 4 Pagina's