Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Prof. Noordtzij's antwoord.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prof. Noordtzij's antwoord.

19 minuten leestijd

Prof. Noordtzij, die in de Bazuin stelselmatig oppositie voerde tegen het conceptcontract en van alles wat de Heraiit ter verdediging aanvoerde, niets aan zijn lezers meedeelde, komt thans in ons eigen blad het woord vragen om nogmaals zijn bezwaren te ontwikkelen.

Hoe weinig correct deze houding ook zijn moge, toch zullen wij het recht van tegenspraak in geenen deele krenken, en plaatsen wij daarom het ons toegezonden schrijven. Uitvoerig op dat schrijven in te gaan, dunkt ons niet noodig. Wie onze artikelen over de „Bezwaren" las, weet, dat al deze argumenten reeds weerlegd zijn, en het zou monniken werk zijn al hetgeen reeds gezegd is, nogmaals te herhalen. Bovendien, de Provinciale Synodes hebben gesproken, de afvaardiging ter Generale Synode is geschied en voortzetting van dit debat kan dus luttel winst meer afwerpen. We bepalen ons daarom tot een korte opmerking na elk argument.

Indien ik gemakkelijk door prikkeling van uw zijde tol een wederwoord te verleiden ware, dan had ik u in de opleidingskweslie nog al spoedig en dikwerf lastig moeten vallen. Gij hebt mijn naam nog al eens genoemd; soms zelfs geheel ten onrechte. Maar ik heb zwijgen en wachten geleerd.

Thans, nu de prov. Synodes, misschien wel, om een term van u te gebruiken, onder den indruk van , , uwe voorstellingen, " zijn gehouden, acht ik 't mijn tijd om ter zake de opleidmgskwestie u voor dit woord eens beleefd plaats te verzoeken. Ik heb behoefte om, hoewel slechts op enkele punten (mijn schrijven zou anders inderdaad te lang worden !) te wijzen en daardoor eenig licht te laten vallen op uwe eigenaardige wijze van doen in deze materie,

I. Vestig ik de aandacht op uwe vreemdsoortige bewering in uw stuk „de bezwaren, " Heraut van 8 Juni, als zou de kwestie van de „onderteekening van art. 2 v. d. Stat. der Vrije Universiteit slechts een persoonlijk bezwaar van mij en Prof. Lindeboom zijn, dat niet de Kerken geldt." Dat gij „met opzet dit bezwaar onbesproken hebt gelalen, " geloof ik gaarne. Maar ik moet tegen deze uwe bewering met allen ernst opkomen. Het raakt wel degelijk de Kerken. Niet alleen omdat die eisch van onderteekening nu reeds twee Prof. builen 't Concept-contract zet, maar ook later een beletsel voor de Kerken lol benoeming van iemand (en daar zijn er immers niet zoo veel ? ) als Hoogleeraar zou kunnen zijn. En vooral ook, omdat m 't opleggen van die onderteekening aan Iloogl. van „de School der Kerken" meer dan eene beteekenende, beginselkweslie" schuilt. In elk geval hoop ik op de Generale Synode daarover nader te spreken. Alleen herhaal ik nadrukkelijk, dat ik mij, als kerkelijk Hoogleeraar, voor mijn geweten, niet onder den band van een buiten de Kerken slaande Vereeniging laat brengen.

Prof. Noordtzij bevestigt hier alleen wat wij schreven, dat de onderteekening van Art. 2 een zuiver persoonlijke zaak geldt en met de „rechten der kerken" niets uitstaande heeft. Waar in het Concept-contract uitdrukkelijk bepaald wordt, dat de Generale Synode alleen te oordeelen zal hebben over de vraag, of een hoogleeraar voldoet aan den eisch in Art. 2 der Statuten gesteld, daar is alle macht in handen der kerken gelegd. Dit is zeker de sterkste concessie, die van de zijde der Vrije Universiteit is gedaan. Indien iemand desniettegenstaande weigeren zou Art. 2 te onderteekenen, wanneer de Generale Synode bovendien nog verklaart, dat deze onderteekening voor haar dezelfde beteekenis heeft als de onderteekening der belijdenisschriften, dan zou hij daarmede toonen, in het oordeel der Generale Synode al zeer weinig vertrouwen te stellen. Het bezwaar, dat de keuze der hoogleeraren daardoor beperkt kan worden, is juist. Maar dit bezwaar geldt tegen elk compromis. Wanneer een te benoemen hoogleeraar verklaarde geen benoeming van de Vrije Universiteit te willen aannemen, aan geen Universitaire actie tê willen deelnemen, aan de regelingen van de curatoren der

Universiteit zich niet te willen onderwerpen, zou hij evenmin door de Universiteit benoemd kunnen worden. Elke nauwere vereeniging tusschen de Theol. School en de Theol. faculteit der Vrije Universiteit brengt vanzelf mede, dat als hoogleeraren alleen zij benoemd kunnen worden, die op den grondslag van het Contract staan.

2. In hetzelfde stuk van 8 Juni had u de stoutheid uw lezers den indruk te geven, dat bij mij en anderen, nadat gij geschreven hadt, ^fllken het finantiecle bezwaar bestaan bleef." Tegen die grove onwaarheid protesteer ik ten zeerste. Trouwens, zij rust zelve slechts op uwe scheeve voorstelling, dat ik wel op uwe „finantieele becijfering" maar niet op uwe „weerlegging van de principieele bezwaren, tegen 't Concept contract ingebracht, geantwoord had." Maar, hoe kon dat ook anders? In den aanhef van 't zelfde stuk, waarin gij dus schrijft, zegt gij zelf: „Nu vvij de practische en zakelijke bezwaren, die tegen het Concept contract zijn ingebracht, weerlegd hebben, komen wij .thans tot de principieele vraag"'. . . . Maar, hoe ter wereld kon ik of een der bezwaarde broederen dan toen reeds geantwoord hebben op uwe weedegging, die ons nog niet onder de oogen kon gekomen zijn ? 't Is haast al te gek ! En bovendien: had ik niet reeds 8 dagen tevoren {Bazuin 30 Mei) tt-weer o-p aangedrongen, „dat de Heraut, in plaats van over bijzaken en be rekeningen veel te redeneeren, nu eerst eens open haar gevoelen zou uitspreken over de hoofdgedachte (de principieele vraag!) van conclusie 11 der Utrechtsche vergadering" ? En, had ik er niet onmiddellijk op laten volgen, dat ik dat talmen betreurde, wijl daardoor nu de Prov. Synode van Zeeland van uwe opmerkingen evenmin zou kunnen profiteeren, als di volgende Prov. Synodes van mijne, mogelijke, repliek” ? . ..

Prof. Noofdtzij rukt hier een zinsnede uit het verband. Wat wij schreven was:

Opmerkelijk is het, dat noch Prof. Noordtzij noch een der bezwaarde broederen, op onze weerlegging van de „principieele, zakelijke en practische bezwaren, " tegen het Concept contract ingebracht, iets geantwoord hebben. Alleen onze becijfeiing van de finantieele voordeelea aan de samensmelting der Theologische Faculteit en de Theologische School verbonden, lokte tegenspraak uit. Indien ook hier de regel geldt, dat wie zwijgt, toestemt, dan mag dus geconstateerd, dat alleen het financieele bezwaar bestaan bleef, en dat bezwaar mag in Christus Kerk niet den doorslag geven, waar de hoogste geestelijke belangen op het spel staan.

Zooals men ziet, heeft Prof. Noordtzij hier juist de woorden, waar alles op aankwam, weggelaten, nl. : „Indien ook hier de regel geldt, dat wie zwijgt, toestemt". De Heraut had voorts in de voorafgaande artikelen niet alleen de practische bezwaren besproken, gelijk Prof. Noordtzij het wil doen voorkomen, maar ook de zoogenaamde „principieele" bezwaren, die in het rapport ontwikkeld waren. Deze principieele bezwaren, dat de saamgesmolten inrichting „formeel en materieel eigendom zou zijn der Vereeniging voor Hooger Onderwijs", dat het contract „elk oogenblik opzegbaar was", dat de „hoogheid en vrijheid der kerken inzake regeering en bestuur telkens in het gedrang konden komen" en dat de „kerken door dit contract afhankelijk zouden worden van den Staat", waren door ons in artikel I—IV weerlegd. Juist dat waren de „principieele bezwaren", die op pag. 8—14 van het rapport der bezwaarde broederen waren uiteengezet. Op deze weerlegging was noch door Prof. Noordtzij, noch door Prof. Lindeboom noch door een der broederen geantw^oord. De principieele vraag, die wij in ons slotartikel behandelden, was, of de contra-eisch, die te Utrecht werd gesteld, met het Concept-contract te vereenigen viel. De „grove onwaarheid" welke Prof. Noordtzij ons ten laste legt, is dus een beschuldiging, die niet te handhaven valt.

3. In de Heraut van i Juni schrijft gij: „hoe Prof. N. in. de Bazuin schrijven kan, dat het thans reeds vast staat, dat het Conceptcontract door de kerken verworpen is. zal wel een raadsel zijn"; Ik geloof 't gaarne. Weet u waarom? Omdat ik nimmer, en allerminst in de Baznin No. 21, zoo iets heb geschreven. Ik heb er zelfs niet aan gedacht! Bovendien, al wat ik schreef had, gelijk ik nog met dezelfde woorden aanduidde, betrekking op het Conceptcontract „zoo als het daar ligt", doch dat slaat gij maar over! Aangaande dat Concept be weerde ik: a. dat van tnv wachtwoord: aannemen of verwerpen, „zoo wat niets is terecht gekomen" en b. „dat het zeker niet wordt aangenomen." Welnu, bleek dit, uit hetgeen vele Classes met dat Concept-contract deden, niet volkomen juist? En blijkt da' nu no..{ niet veel sterker uit de veranderingen, die verreweg de meeste Prov. Synodes in dat Concept contract aanbrachten, terwijl zelfs die van Noord Holland slechts een vergelijk op den grondslag van 't Contract aanbeveelt?

Indien Prof. Noordtzij geschreven had, dat het Concept-contract zooals het daar ligt, door de meerderheid der kerken niet was aangenomen, dan zou de Heraut zeker tegen die uitdrukking niet geprotesteerd hebben. Maar dit stond er niet. De indruk werd gegeven, alsof de meerderheid der kerken het geheele Concept-contract onaannemelijk had verklaard. Intusschen zijn wij Prof Noordtzij voor deze nadere verklaring dankbaar. Ook volgens hem staat het dus vast, dat de meerderheid der kerken tegen het Concept-contract met enkele amendementen geen bezwaar heeft. Trouwens, de uitslag der Provinciale Synodes heeft dit feit wel boven allen twijfel verheven.

4. Gij kunt daaraan slechts ontkomen door er een onjuist woordgebruik op na te hoeden, lelkens als Gij een poging waagdet (Zie o. a. „Goede hope") of nog waagt om toch uit te laten komen, dat vele Kerken, Classes en Prov. Synodes voor 't Concept-contract zijn, doet Gij 't voorkomen, alsof al wat ge in dit opzicht (de juistheid er van nu eens daar gelaten I) zegt, geldt van het Concept contract zooals het daar ligt. Ik vraag met allen ernst: is dat nu een eerlijke terminologie? Immers, het Concept contract bevat volgens den considerans slechts XII bepalingen of artikelen. Dit wordt, blijkens de daarop onmiddelijk volgende onderteekeningsiormule : „Bovenstaand Concept-contract wordt den Kerken aangeboden" — als zoodanig dan ook alleen door de 25 broeders aanbevolen. Welnu, dat Concept contract namen slechts eenige classes ongewijzigd aan en bijna «? > /ééne Piov. Synode. De meeste vulden het sterk aan in den geest der oorspronkelijke XIV artikelen. Maar daarmede was dan ook het Concept contract geoordeeld en hadt gij niet van het, maar van een Concept contract moeten spreken. Indien toch bijv. art. I en II der achter dat Conceptcontract staande wenschen van zoo weinig beteekenis en belang zijn, als er nu weer de indruk van gegeven wordt, waarom werd er dan in de vergaderingen der 25 broeders uit uwen kring zoo sterk tegen gestreden, en niet gerust, alvorens ze uit het oorspronkelijke Concept waren verbannen? En waarom zal dan nu nog, blijkens de voorstellen aan de algemeene vergadering van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag, een poging worden gewaagdj dat ze niet in 't contract, maar slechts in den considerans worden opgenomen ?

Doch ’t woordenspel was doorzichtig, ook naar strekking. Één staaltje. „In Friesland bleek, behalve op de classis L, , op niet ééne classicale vergadering een belangrijke minderheid tegen het Concept te zijn" .... zoo schrijft gij. Hoe overtuigend door eenvoud, niet waar? En toch, zeg', me eens o. a. hoe vele kerkeraden in de classis Drachten er beslist of minder beslist tegen waren? Was 't niet zeven van de negen? Doch genoeg. Wij blijven herhalen: Van het Concept-contract, zoo als 't daar ligt en vooral door uwe vrienden werd geëischt, is een groot deel van kerken, classes en Synodes niet gediend!

Prof. Noordtzij zou volkomen gelijk hebben, wanneer hij had aangetoond, dat de ingediende amendementen A& n grondslag van het Concept-contract hadden aangetast. Dan ware metterdaad gebleken, dat de kerken het Concept-contract veroordeelden. Maar de classes en Provinciale Synodes, die het Concept-contract wijzigden om aan de bezwaren van vele broederen tegemoet te komen, hebben geen van allen uitgesproken, dat het Concept-contract principieel onaannemelijk was. Met de conclusies te Utrecht gesteld, heeft alleen de Overijselsche Synode zich vereenigd.

Wat Prof. Noordtzij verder over enkele dassen meedeelt, doet weinig ter zake. Het zou niet moeilijk vallen, omgekeerd aan te toonen, hoe in menige classis, die het Concept-contract verwierp, dit evenzeer met een kleine meerderheid geschiedde. De gevallen staan hier over en weer gelijk.

5. Of ik volgens u ook behoor tot de „onverzoenlijke oppositie" (een term van u I) weet ik niet. 't Laat mij koud. Ik ben er reeds aan gewend, dat wie 't met de Heraut eens zijn, worden gevleid, maar wie om des gewetens of der kerken wille meenen te moeten verschillen, eigenaardig worden geteekend en benoemd. Maar, of die oppositie wel zóó „met den dag aan invloed slinkt" als gij er uwen lezers nog op 8 Juni den indruk van zocht te geven, daarvan ben ik nog niet zoo overtuigd. Ik zal u maar niet nitnoodigen bij ons eens andere bewijzen te komen zien. Gij weet echter hoe op de met zooveel ophef aangekondigde 2de vergadering van de classe Rotterdam slechts één stem minder (22 in plaats van 23) dan op de iste tegen 't Concept werd uitgebracht. Ook is 'c u zeker bekend, hoe door kerkeraden als te U., B., H, W. of elders geprotesteerd wordt tegen 't Concept, ook al werd 't gewijzigd. Bovendien is 't u wel niet onbekend, hoe men in de kerken o. a. van Rotterdam A, van Delft en elders van de zijde van talrijke leden reeds bijzondere belangstelling (volgens Dr. A. K. Jr. in de Fr. Kerkbode geoorloofd 1) tegen 't opdoeken van de Theol. School te Kampen in protestvorm doet blijken. Er zal toch, hoop ik, wel geen volkspetitionnement noodig zijn om uwe vrienden te overtuigen van 't ontijdige en van 't gevaarlijke van het doordrijven zelfs van een zeer sterk gewijzigd Concept Contract als dat van Drenthe bijvoorbeeld ? ...

Of Prof. Noordtzij tot de „onverzoenlijke oppositie" behoort, zal op de Generale Synode moeten blijken. Maar dat wij recht hadden van zulk een oppositie te spreken, toont het jongste Bijblad van Wat zegt de Schrift? Prof. Lindeboom verklaart daar uitdrukkelijk, dat er van een compromis geen sprake mag wezen. De Vrije Universiteit is de „twistappel"; de Synode moet alle contract met de Vrije Universiteit verbreken, en de Theol. School tot de eenige opleidingsschool maken. Indien dat geen onverzoenlijke oppositie is, wat is het dan ?

6. Intusschen moet ik u tot mijn leedwezen zeggen, dat gij ook mij niet overtuigd hebt door uw Vde stuk, waarin gij eindelijk „de principieele vraag” behandelt.

Weet gij, waarom niet ? Ik tracht het u, zoo kort doenlijk, te zeggen :

a. Omdat gij ten onrechte beweert, dat door mij in den eisch van al de Hoogl. van de Theol. school van Maart 1901 betreffende de benoeming etc. van Hoogleeraren, en waaraan Concl. II der Utrechtsche vergadering zich houdt, 't woord tiitslnitend is ingeschoven.

Dat is echter een beschuldiging, die gij zeker niet kunt bewijzen (al voert gij in plaats daar van enkele onderstellingen aan!) Ik deed zoo iets nimmer !

b. Omdat het mij evenmin als Dr. Bavinck ooit in 't hoofd is gekomen aan Overheid of Vereeniging, als zoodanig, 't recht te ontzeggen tot verkiezing of benoeming van Professoren in de Theol. buiten de kerk. En als gij dan, in verband met uwe valsche onderstelling, weer komt aandragen met de „versleten wapenen" van „Roomsch" en „Seminaristisch", waarvan Dr. Bavinck, in zijn beide brochures van '99, toen hij nog in sterker vorm dan wij thans het zeggenschap bij benoeming etc. voor de kerken vroeg, 't ongepaste aantoonde — dan halen wij slechts de schouders op.

c. Omdat gij zelf geheel willekeurig in dien eisch: benoeming van Hoogleeraren door de Kerken — de onderscheiding tusschen keuze en benoeming invoert, om van de keuze „de helft" voor de Vrije Univ. te kunnen eischen. Doch die onderscheiding is formeel in strijd met de formuleering van de benoeming bij beurten in Art. 3 van 't Concept-contract zelf, en het tweede zakelijk in strijd met uwe eigen definitie van den eisch van Maart 1901, dat ül. de kerken, bij benoeming enz. „hare his­ torisch verkregen rechten behouden zullen"'' Immers hebben deze, naar ordening der Gen. Synode, juist tot dusverre de verkiezing en de benoeming van de Hoogleeraren. Willen zij, in Gen. Synode vergaderd, in de wijze van verkiezing of benoeming morgen verandering brengen, niemand kan haar dat beletten. Maar als zij 't Concept contract inzake de benoeming, d o b elijk het is aangeboden, aannemen — dan d zijn zq gebonden en hebben zij haar zeggenschap in deze gedeeld en verkort!

d. Omdat, als gij ter ondersteuning, uwer meening beweert „dat de benoeming der Hoogleeraren te Kampen nu reeds niet meer uitsluitend door de kerken geschiedt" — dit inderdaad niet meer is dan een sofisme, om de inmenging van nu buiten de kerken staande en als zoodanig haar vreemde elementen in 't organisme der kerken binnen te loodsen en haar een deel van haar werk en haar zeggenschap te kunnen ontnemen; een sofisme, dat uitloopt op de vermakelijke veorstelling van Holland's Kerkblad van 21 dezer, dat als „de curatoren der Theol. School" naar ordening der Gen. Synode wettig vergaderen, zij dan geen kerkelijke vergadering houden, zij dan ook niet als kerkelijke Deputaten een last uits'oeren" ... Is het niet scherpzinnig ?

e. Omdat juist in den eisch van al de hoogleeraren der Theol. Sc'nool van Maart 1901 beoogd werd „dat hel volledige zeggenschap over deze School onverkort en ongedeeld aan de Kerken gewaarborgd zou blijven." Uw beroep (en dat nog al als „het afdoende bewijs" !) op 't feit, dat de Prof. Bavinck en Biesterveld nu ook „onder dat Concept contract de hand hebben gezet", is, tegen deze onze verzekering, niets meer dan een spinrag. Want i. kunnen zij sinds veranderd zijn „om eene concessie te doen aan de tegenpartij", zoo als 't wel eens genoemd is; 2. weten wij zeker, dat zoodra hunnerzijds de voorwaarde werd gesteld van benoeming van hoogleeraren bij beurte, wijlen Prof. Wielenga in onze hoogleeraren vergadering met alle kracht daartegen opkwam, als in strijd met onzen gemeenschappelijken eisch. Iets dat toen evenmin door ons, zijne collega's kon weersproken worden, als later in Utrecht toen prof W. er weer zoo sterk tegen toornde. Trouwens, in de Verklaring van Maart 1901 staat op bl. 4 uitdrukkelijk: „de Kerken hebben over de School alle zeggensc/tap" .... en op blz. 15 : „Samenwerking dan alleen, ... luanneer de Jheol. Faculteit aan de Vrije Univet siteit in dezelfde verhouding tot de Geref Kerken kome te staan als thans de Theol. School“.

Is die eisch nu Roomsch of Seminaristisch? Welnu, dan vragen wij: Waren Dr. A. Kuyper Sr. en zijne mededeputaten dan ook van dat allooi, toen zij in '93 dien zelfden eisch van „onverkorte en ongedeelde zeggenschap" formuleerden (Acta Gen. Synode blz. 82)? Was de geheele Synode dan ook van die fatale beginselen, toen zij zich in hare acta bl. 122 in dien zelfden geest uitsprak? De jongelui waren er niet bij.

De logica van het eerste gedeelte ontsnapt ons. Indien Prof. Noordtzij niet den eisch stelt, dat de berioeming, salarieering, schorsing en ontslag idtsluitend van de kerken moet uitgaan, welk bezwaar bestaat er dan tegen het voorgestelde Concept-contract?

Over de salarieering, schorsing en ontslag 'oewaart Prof. Noordtzij voorts wijsselijk het stilzwijgen. Alleen over de benoeming gaat dus het geschil. Dat deze benoeming volgens Art. 3 bij beurten geschiedt, is onjuist. De aanhef zegt precies het tegendeel: „De benoeming van eenen nieuwen Hoogleeraar in de Theologie geschiedt aldus, dat deze Hoogleeraar zoowel door de Kerken als door de Vereeniging voor Hooger Onderivijs aangesteld wordt". Onze voorstelling was dus volkomen correct, dat er een dubbele benoeming vereischt v/ordt en alleen de keuze bij de benoeming beurtelings aan de kerken en aan de Universiteit staat. In hoeverre het zeggenschap der kerken daardoor verkort wordt, heeft Prof. Noordtzij ook nu weer vergeten aan te toonen. Evenzeer als elk bewijs ontbreekt, dat de benoeming der hoogleeraren aan de Theologische School thans uitsluitend in de handen der kerken zou zijn. Een „sofisme" is een fraai woord, maar het bewijst niets.

7. Ten slotte nog dit. Als g\]ondtï „Trouw" in de Heraut meent te mogen toornen tegen sn 't vertrouvven uitspreekt, dat de Gen, Synode geen gelijk zal geven aan hen, die, door het „drijven" tot opzegging door de Kerken van haar contract met de Vrije Universiteit inzake het verband, 't er op toeleggen om 't fundament der Vereen., in 1892 aan te tasten." — dan doe ik u deze dubbele vraag: . Waarom worden zij dan, die opkomen voor 't met even zoovele woorden vastgestelde beding van vereeniging, dat er een School voor de opleiding zou z\]Vi gehee en alleen van de Kerken uitgaande en door haar besiutcrd; zij, die naar Ps. XV:4^ aan 't houden van beloften herinneren als een eisch van Gods Woord ook voor de Kerken —• waarom worden dezen dan in uw blad en Kerkbodes zoo dikwijls beschimpt als „revolutie"-, als „oppo3itie"-mannen, als „onverzoenlijke oppositie" ? En b is dit geen meten met twee maten van de ergste soort? Omdat, terwijl niemand het beding van de Theol. School kan of zal ontkennen, aangaande 't door u bedoelde „fundament der vereeniging in '93", zeer zeker moet herinnerd aan de verzekering van Dr. Bavinck ten vorigen jare: Nooit is deze stichting (de „Vrije Universiteit) of zelfs een zeker verband „met haar tot conditie van de Vereeniging der kerken gemaakt.”

Dit onderscheid tusschen beide stichtingen niet te achten — is de groote fout in 't uitgangspunt uwer redeneenngen; is de bron van zooveel twist en beklag, en misschien, zoo God 't niet verhoedt, van nog meer!

Het antwoord op deze beide laatste vragen vindt Prof. Noordtzij elders in ons blad, en wij behoeven daar dus niet verder op in te gaan.

Voordat wij echter ons antwoord aan Prof. Noordtzij besluiten, zij ons de ernstige vraag geoorloofd, of een dergelijke wijze van polemiek voeren beantwoordt aan den eisch, wij zeggen niet van de Christelijke liefde, maar van den toon, dia in de pers onder mannen van ernst voegt ?

De Heraut heeft zich beijverd met opzet, om al het persoonlijke en prikkelende uit dezen strijd verre te houden. Tegenover de bezwaarde broederen hebben wij de meegt conciliante houding aangenomen. Prof.

Noordtzij zelf gaf ons in de Bazuin den lof, dat wij zijn persoon niet hadden aan­ getast.

In plaats, dat deze tegemoetkomende houding bij Prof. No-!rctzij eenige erkenning f waardeering .heeft gevonden, worden vi'ij eschuldigd van grove onwaarheden, woorenspel, sofismen enz.

Op deze wijze debat te voeren, is uiterst pijnlijk voor het broederhart. Tegenover zulk een polemiek wordt men p den duur gedwongen het stilzwijgen te bewaren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juni 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Prof. Noordtzij's antwoord.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juni 1902

De Heraut | 4 Pagina's