Buitenland.
Duitschland. Is de Heidelberger het werk van Ursinus alleen ofook van Olevianus?
In de Reformirte Kirchenzeitung vonden wij een belangrijk artikel waarin de vraag behandeld wordt of Caspar Olevianus al dan niet een werkzaam aandeel genomen heeft inde samenstel-Hng van den Heidel bergschen Catechismus, var de hand van Pastor lic. theol. Cuno. In Noord merika is in Duitsche Gereformeerde kringen meermalen deze vraag gesteld; zij is niet van belang ontbloot. Zij die de Gereformeerde leer „hard" noemen, hebben er steeds een behagen n gehad om Toeharius Ursinus als de opsteller van het Gulden leerboek der Gereformeerde kerken voor te stellen, omdat deze een leerling van Philippus Melanchthon was. Olevianus zou an alleen de rol gespeeld hebben van lid eener Synodale Commissie die het door Ursinus pgestelde boek had te onderzoeken én goed te keuren, voordat het gedrukt werd.
Olevianus was een getrouw leerling van Calvijn, ie van af 1560 tot den dood van Frederik en Vrome in 1576, de ziel van alle kerkelijke ewegingen in Heidelberg en van het daar vertoevende hof geweest is, die er naar streefde e gedachten en de leer van Calvijn in Duitschland over te planten.
Om te bewijzen dat Olevianus wel degelijk en werkzaam aandeel nam aan de saamstelling an den Heidelberger, haalt pastor Cuno de mededeeling van Alting aan, welke aldus luidt: „Om ééne en wel eene overeenstemmende vorm der leer in allekerken van de Pfalz in te oeren, waarin zoowel andere kapittels van de eer, als ook en wel voornamelijk, die juist en elder geleerd worden, welke over den persoon van Christus, van de Sacramenten, van den Doop n het Avondmaal handelen, droeg de keurvorst ien arbeid op aan twee Godgeleerden, Olevianus en Dr. Ursinus 1562, als twee geleerde Duitschers, m haar in de Duitsche taal saam te stellen. Ieder van beiden ontwierp in handschrift een ontwerp: Olevianus een populaire voorstelling van het genadeverbond, Ursinus een tweevoudig geschrift: een grooten Catechismus voor volwassenen en een kleinen voor de jeugd. Uit beider arbeid werd de Heidelberger Catechismus saamgesteld welke naar de plaats harer geboorte gewoonlijk de Heidelberger genoemd wordt. Daarin wordt de analytische methode gevolgd, naar de despositie van den Heiligen Paulus in zijn brief aan de Romeinen". Men vergelijke: J. G. Walchii Bibliotheca theologica selecta > Litterariis annotationibus instructa. Tom. I. Jenae 1757, pg. 516.
Deze getuigenis zegt veel. Maar meer nog weegt die van Olevianus zelf als hij in rs63 aan BuUinger schrijft: „Ik zeg u dank, eerwaardigen vader en broeder in Christus, voor het mij gezonden boek, en zend u als tegengeschenk onze Katechismus in het Duitsch en in het Latijn. Wanneer daarin klaarheid en duidelijkheid gevonden wordt, dan danken wij dit voor een goed deel aan u en aan de schitterende talenten der Zwitsers. Maar de roem komt alleen Gode toe. De vrome gedachten niet van één man, maar die van vele mannen zijn hier bijeenvergaderd. — Ik zend u dit boekje uit ons aller naam. Ik verlang zeer naar uw oordeel. Waarlijk, onze vorst predikt met dit boekje tot vele koningen en vorsten, aan welke hij ook eigenhandig begeleidende brieven gezonden hetft.".
Uit dit schrijven blijkt duidelijk dat Olevianus medewerker was van Urzinus. Het aan Bullinger gezonden Duitsche exemplaar was reeds de tweede uitgaaf van den catechismus. De Latijnsche uitgaaf verscheen tegelijk met de tweeae Duitsche.
N.-Amerika. De revisie der belijdenis aangenomen door de Presbyteriaanschekerk.
De kogel is door de kerk! In de Revisiequaestie, die reeds zoo lang in de Presbyteriaansche kerk haiigende geweest is, werd eindelijk eene beslissing genomen. De predikant Flemming van Kissemee, bleef tot het einde toe protesteeren. Onder anderen zeide hij op de jongste algemeene vergadering: „Ik gevoel dat deze herziening slechts het inslaan der wigge is, en hoe ver het zal gaan kan niemand zeggen." Na dit zeggen overmeesterde hem zijn gevoel dermate, dat hij neerzat en weende, zegt De Wachter. En toch is er in den Confession of Faith (geloofsbelijdenis) nog niet veel ververanderd, maar de revisie is toch begonnen, en dat niet in goeden maar in verkeerden zin. Zeker is het eisch voor de kerk des Heeren dat zij de belijdenis steeds toetse aan des Heeren woord, en dat zij haar geloof, ook tegenover opkomende dwalingen, voortdurend uitspreekt. Daarom pleiten wij niet voor een belijdenis, waaraan men nooit raken mag. De Heere heeft immers beloofd dat Hij door Zijn Heiligen Geest de kerk in alle waarheid leiden zou.
Maar in de Presbyteriaansche kerk is er geen sprake geweest van eene nadere formuleering der waarheid tegenover de dwalingen van den tegenwoordigen tijd; ook werd er geen behoefte gevoeld om de belijdenis die God aan zijn kerk heeft geschonken, meer te ontwikkelen en dieper op te vatten. Neen, voor de prediking der algemeene liefde Gods, voor de leer der algemeene verzoening, enz. moest ruim baan worden gemaakt. En daarvoor werd de revisiequaestie gesteld, en ten slotte is die revisie ook aangenomen.
Men heeft in de Presbyteriaansche kerk ook geheel en al over het hoofd gezien, dat de revisie der belijdenis een zaak is, die alle kerken aangaat, welke op den bodem derzelfde belijdenis staan. Waarom dan niet de zusterkerken uitgenoodigd om mede te beraadslagen over de voorgenomen revisie? Onze Dordtsche vaderen hebben geoordeeld, dat niet alleen de kerken hier te lande te beslissen hadden over de leerverschillen, die door het optreden der Remonstranten ontslaan waren, maar zij riepen afgevaardigden van de buitenlandsche kerken mede ter vergadering op. Denzelfden weg hadden onze Presbyteriaansche broeders ook moeten inslaan. Zrj zijn daartoe ook van uit Nederland vermaand, doch zij schijnen zich daaraan niet te hebben gestoord.
Tot ons leedwezen zijn wij nog niet in staat onzen lezers mede. te deelen, waarin de verandering door de Synode der Presbyteriaansche kerk in de Confessie gebracht, bestaat. Wij hopen later daartoe in staat te zijn.
Tot onze blijdschap vernamen we, dat de eerste „Vergadering van Voorstanders van Christelijk onderwijs" te Holland op 2T Mei gehouden werd. Die vergadering was een uitdrukking van een beginsel, namelijk dat Christelijk onderwijs een vereischte is voor de kinderen der Geref. kerken. Van lieverlede begint dit beginsel door Ie dringen en zullen wij straks in de nieuwe wereld van een Christelijk schoolwezen kunnen spreken, gelijk wij dit in Nederland mogen doen. Wel heeft men hier en daar in Amerika Christelijke scholen gesticht, maar dit geschiedde door onze broeders meer om de kinderen Hollandsch te leeren, opdat zij voor de Hollandsche kerk zouden behouden . blijven, dan wel omdat men gevoelde dat ook het onderwijs op de lagere school moet gegeven worden op den grondslag der Gereformeerde beginselen. Zeer juist zeide daarom een der sprekers op genoemde vergadering:
„Wij hebben welonderlegde onderwijzers noodig. ï. Omdat onze scholen meer en meer van karakter veranderen en eene breedere be-"* stemming verkrijgen. Vroeger had men behoefte alleen aan Hollandsch ter wille van de kerk; thans heeft men ook behoefte aan Engelsch. Dat vereischt welonderlegde onderwijzers: geen dresseiirs, maar onderwijzers, opvoeders. 25 uren per week toch is hij gedurende minstens 8 jaren hun voorbeeld en leidsman. 2. Omdat onze scholen met minder middelen en minder krachten moeten kunnen-concurreeren met de Pub. School. 3. Omdat ons Calvinistisch beginsel het erf der wetenschap opeischt voor Christus.
4. Omdat het belang onzer kinderen het vordert." Wij wenschen der jeugdige vereeniging van harte den zegen des Heeren toe.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 20 juli 1902
De Heraut | 4 Pagina's