Voor Kinderen.
DE BRIL.
Een eenvoudig jongeling kwam onlangs in een koffiehuis, waar zijn meester hem heengezonden had, om er te spreken met verschillende heeren, die voor hun zaken in de stad kwamen, en in dat koffiehuis op een bepaalde tijd waren te vinden.
Toen de zaken waren afgehandeld ging men nog een poosje zitten praten over allerlei, zooals den schouwburg en andere wereldsche vermaken.
De jonge man, die nog wachten moest op iemand, die straks komen zou, zat er bij, doch zei niets. Eindelijk sprak een der heeren:
„Beste vriend, ge waart daar straks zoo opmerkzaam, en we hebben met plezier zaken gedaan. Praat nu ook eens mee. Dat is zoo gezellig.”
„Ja mijnheer, " zei de ander, „hoe kan ik meepraten over dingen waar ik niets van weet? "
„Maar ge gaat toch ook weleens b.v. naar de comedie? "
„Neen nooit."
„Waarom niet? "
„Omdat ik niet geloof dat een Christen daar behoort. Er gebeurt te veel dat tegen Gods wil is, en ons hart bederft."
„Och kom, ge neemt het veel te ernstig op. Geloof mij, ge beziet die zaken door een bril die alles vergroot."
„Ik wil u wel gelooven, mijnheer, " sprak de jongeling, „maar wilt u 't mij ook doen, als ik u iets zeg."
„Zeker, " zei de heer, en met hem de anderen, die ook hadden geluisterd.
„Nu, " zei de jonge man kalmpjes, „dicht bij ons woont een slachter, die slecht van gezicht is. Omdat zijn oogen al slechter werden kocht hij laatst een bril, die heel sterk vergroot. Den eersten dag den besten dat hij die bril op had, ging hij naar de markt om ossen te koopen, en kocht zooals hij meende, drie zware beesten. Maar toen hij er mee thuis kwam, zei zijn vrouw:
„Lieve man, wat hebt ge gedaan, ge hebt kalveren gekocht."
„Dat was toch erg dom, " zei een der heeren, „en de man had nog wel een bril op."
„Dat was het juist mijnheer, " zei de jongeling. „Ziet ge, die bril vergrootte zoo sterk, dat hij de kalveren voor ossen had aangezien."
„Neem me niet kwalijk, " zei een ander heer, „maar vertel dat wien ge wilt. Ik geloof er niets van."
„En ik ook niet!" riepen de anderen. „'t Kan wel wezen, heeren, " zei de verteller, „en ik neem het u niet kwalijk. Maar houd het mij dan ook ten goede, als ik niet geloof dat ge het aan 't rechte eind hebt, als ge mij spreekt van een bril waardoor ik de dingen te groot zie."
De heeren zwegen stil. Of ze voor zichzelf de toepassing maakten weet ik niet, maar wel dat het gesprek een andere wending nam en de jongeling kon meedoen, tot de komst van den nog verwachten gast er een eind aan maakte.
HoOGENBIRK,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 17 augustus 1902
De Heraut | 2 Pagina's