Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

11 minuten leestijd

Hoezeer de Zendingsarbeid ook bij het nietgeloovig deel der natie allengs meerdere waaraeering vindt, toch zijn er nog altoos enkele achterblijvers, die in de Zending een hopeloos werk en een gevaar voor onze politieke macht zien.

Dr. Kuyper uit Makkum heelt in de Friesehe Kerkbode op niet onaardige wijze een dezer achterblijvers op zijn plaats gezet. Het is de heer W. Gaüenkamp, die in de Wetenschappelijke bladen van Aug. 1902 een artikel plaatste over de vraag: Kunnen vreemde volken beschaafd en bekeerd worden.

De geleerde schrijver begint er op te wijzen dat het in de laatste tijden allerwege als een «ideale plicht' is beschouwd geworden aan de wilde volken de Europeesche baschaving, en aan de Heidensche volken den Christelijken godsdienst te brengen. En dan wordt allereerst er protest tegen aangeteekend, dat Europeesche beschaving naar andere wereldd elen getransporteerd wordt, op grond daarvan dat elk volk tot zijn eigen bescha ving moet komen in den loop der tijden. Aldus heet het: »wat is dan de cultuur, de beschaving van een volk? Niets anders dan de som' van alle inner lijke en.uiterlijke eigenschappen en karaktertrekken van dat volk, een geestelijk beeld er van, om zoo te zeggen de quintessens van een volk als afzon derlijke menschengroep. Die cultuur, die bescha ving behoort bij dat volk als het eikelblad bij den eikelboom, zij is geen geschenk, niet iets wat ge maakt is, maar wat geworden, uit het karakter van het volk zelf gegroeid is. Beschaving is geen gewaad dat men naar willekeur aan-en uittrekt, maar een organisch deel van het volk als lichaam, een deel van het geestelijke beenderstelsel, dat zich met het lichaam ontwikkelt en groeit. En een zoo danig product van ontwikkeling kan dus n et overgebracht worden op een ander volk. Wij kunnen geen lindetwijg op een eikelboom enten, geen deel van het gebeente van een paard in de plaats van een ontbrekend stuk in een menschelijk lichaam brengen. Wanneer wij het toch beproeven, dan zal het vreemd ingebrachte lichaam in het gunstigste geval toch een dood deel blijven, want het kan nooit organisch met het overige vergroeien. In een ernstiger geval zal het in het organis te, waarin het gebracht is, zulke storingen veroor zaken, dat dit laatste ziek wordt, soms zelfs te gronde gaat.

Heel deze beeldspraak nu moet dienen om het dwaze aan te toonen van »de ideale plicht' de Westersche beschaving aan Oostersche landen op te dringen. En veel, zeer veel ligt In deze woorden besloten waar wij van ganscher harte mee instemmen.

Werd reeds niet voorlang in onzen kring ge waarschuwd tegen de Eenvormigheid als vloek van het moderne leven! Het pogen om de rijke verscheidenheid door den Schepper in de schepping ingelegd, weg te doezelen, moest fiasco maken Bij Babels torenbouw kwam die booze gedachte op van één wereldrijk met één taal, één historie en één beschaving. Maar Hij die in den hemel woont, heeft gelachen en ten allen tijde die voornemens verijdeld.

Ook nu is de heer Gallenkamp weer een sprekend bewijs voor den vloek der Eenvormigheid, waar hij er tegen protesteert om. de beschaving die toch organisch uit een volk opkomt, en innig niet de historie samenhangt, mechanisch te verbinden aan een volkerenwereld, wier leven tot een heel andere beschaving leidt en wier historie zoo gansch anderen loop had. Maar onzer was van oudsher de belijdenis dat de veelvuldige wijsheid Gods zoo heerlijk schittert ook in de rijke ver scheidenheid van het leven der volkeren en der natiën. Daarom doet het ons goed van iemand, die uit jarenlange ervaring oordeelen kan, de open lijke bekentenis te hooren over het fiasco van het Eenvormigheidssysteem:

»Uiterlijk, in taal en kleeding heeft de Indiër een Europeesch vernisje gekregen, inwendig blijft hij dezelfde Oosterling. En zulk een tweeslachtig we; en voelt zich onvoldaan; ontevredenheid en onbeschaamdheid zijn altijd de eerste vruchten van het Europeesche beschavingsproces.

Ja waarlijk — dat zijn de gevolgen als men verkrachten wil de groote levensordinantie «alles naar zijn aard, '' zooals in het eerste hoofdstuk der Schrift ons die is medegedeeld, en niet luisteren wil naar de eenig wijze les voor alle leven, die de Bron van het leven in Zijn Woord ons gaf bij monde van Jesaja, in hoofdstuk 25 : 33 25 voornamelijk bij deze woorden: n Zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem.

En dan ligt de waarheid niet daarin dat wij aan Oostersche landen een Westersche beschaving op dringen. Maar hierin wordt de waarheid gevonden dat men het Christelijk element in de «Oostersche beschaving"' indrage.

Maar dan gaat de schrijver over tot het tweede deel van zijn betoog, waar hij het niet alleen over de «beschaving, ' maar ook over de «bekeering" der heidenen heeft. Hier wil hij volkomen tot de zelfde conslusie komen, dat elk volk maar zijn eigen godsdienst moet behouden, aangezien ook de godsdienst op geheel natuurlijke wijze met het volk één geworden is.

Laat ons maar eens hooren hoe over de vruch ten der Zending door dezen heer, die jaren lang in Indië woonde, gesproken wordt: «Wanneer wij bij ons in een armoedig dorp een hand met goud gevuld uitsteken, waaruit ieder die wil kan nemen, dan zullen de slechtste elementen het eerst en het haastigst toegrijpen. Zoo is het ook met het goud van het Christendom, dat wijden geestelijk armen aanbieden. In het algemeen vindt het Christendom ingang bij de onzuiverste, minste elementen, en niet omdat zij overtuigd zijn, maar bijna altijd uit stoffelijke bijoogmerken. Ik zeg in het algemeen, want er zijn ook uitzonderingen, waar werkelijk uit eerlijke overtuiging gehandeld wordt, maar over het geheel wint het Christendom slechts een wèi nig vertrouwbaren aanhang in de onderste lagen der bevolking."

En na deze beeldspraak wordt dan een feit medegedeeld: «Al wie in Oostersche landen gereisd heeft, weet bij ondervinding dat hem altijd van alle kanten de raad wordt gegeven om geen tot het Christendom bekeerde inboorlingen als bedienden te nemen, omdat die nog minder te vertrouwen zijn dan de anderen. En dat is geen vooringenomenheid, maar een kwestie van ondervinding. De slechte naam die deze aanhangers van het Chris­ tendom hebben, werkt natuurlijk op het Christendom zelf terug, en daaraan is het toe te schrijven dat de hoogere standen, die zich toch reeds meer daii bij ons v, in de lagere afzonderen, eerst recht afkecrjg worden van die Christenen en daarmee van het Christendom zelf, want zij moeten tot de overtuiging komen dat al het gespuis zich achter den naam van het Christendom verschuilt." /

En ten bewijze hoe weinig menig bekeerling vaak van de zaken van het Koninkrijk der heme len begrijpt, wordt het volgende bijgebracht: «Een mijner Indische bedienden, die Christen was, beklaagde zich eens dat hij een bepaalde, voor hem groote som aan de Kerk moest betalen, alleen om «eens in de maand wijn te mogen drinken.' Dat was alles wat hij van het Avondmaal begrepen had! En toch draagt hij den naam van Christen, en wordt als bekeerling in de boeken van de Zending vermeld! En dit voorbeeld van bespotting van Christelijke begrippen staat lang niet alleen.'

Het is zeer zeker goed van deze en dergelijke opstellen eens kennis te nemen. Alleen maar, wij moeten er ons niet door van ons stuk laten bren gen. Hoe veel waars er ook in zij het blijkt evenzeer met een duidelijk uitgesproken vijandige bedoeling alzoo geschreven tte zijn. De conclusie waar de heer Gallenkamp toe komt, bewijst dat maar al te zeer: »Ik zou zelfs willen beweren, dat alle volken voorloopig jtiet tot het Christendom mogen en kunnen overgaan."

Het echte Darwinisme en Pantheïsme straalt heel dit zijn artikel door. Alles wordt beoordeeld naar de eeuwige wet der ontwikkeling.

Langs lijnen van geleidelijkheid zal door ge stadige ontwikkeling elk volk eenmaal als van zelf tot de beschaving en tot den godsdienst ko men, waar wij in Europa nu reeds toe gekomen zijn alleen krachtens den drang van het ontwikkelingsproces. In verband met de beschaving wordt dit onomwonden uitgesproken, wanneer er gewezen wordt op de klove tusschen Oostersche en Westersche beschaving: »Want die door de natuur zelve geschapen kloven kunnen wij niet dempen; alleen de natuurlijke langzame ontwikkeling kan den weg tot toenadering bereiden.'

Maar wat is die methode van langzame natuurlijke ontwikkeling anders dan de methode van het Pantheïsme?

En datzelfde gift komt terug bij de afwijzing van de Zending. Let maar op het verdachte woordje «voorloopig" in den reeds aangehaalden zin. «Ik zou zelfs willen beweren, dat alle volken voorloopig niet tot het Christendom mogen en kunnen bekeerd worden." ,

O neen, zegt de Pantheïst, ge behoeft geen Zen ding te drijven. Als ge de ontwikkeling maar haar gang laat gaan, dan komt elk volk er vroeg of laat van zeil toe, want het Christendom is de thans meest ontwikkelde godsdienst. Lees het maar: «Een volk moet zich ontwikkelen tot het uit zich zelf geschikt wordt om over denkbeelden als b.v. de Christelijke na te denken; om die in zich op te nemen moet het in staat zijn die denkbeelden zóö te verwerken, dat het die als zijn eigene weer voort kan brengen."

Wij zouden hierop maar één antwoord kunnen geven. En dat is dit. Nog nooit is één volk •i> uit zich zelf door ontwikkeling" tot het Christendom gekomen. Ook de volkeren in Europa zijn alle door Zending tot het Christendom gebracht. En als de Zending nooit in Nederland gekomen was, dan zou den wij nu nog Heidenen zijn.

Toch is het goed van dit artikel kennis te nemen. Ook wij kunnen er veel uit leeren. De les om van den Indiër geen Europeaan te maken, is een wijze les, die steeds meer gewaardeerd wordt. In Indië is een Indisch Christendom van noode, en geen Europeesch Christendom. Den Jood een Jood, en den Griek een Griek is hier de methode, die Gods Woord zelf aangeeft.

Ook op de te hoog gespannen verwachtingen heeft zulk een artikel, waar het op feiten wijst, een kalmeerenden invloed. Dit neemt echter niet weg, dat wij voor ons op een en ander wel eens een anderen kijk hebben. Dat een bekeerling, die contributie voor de Kerk geven moest, dacht dat het een soort taxe was, die hij betalen moest om ééns per maand wijn te mogen drinken, laat zich zeer wel verklaren uit het feit, dat er allerwege naam-Christenen zijn, die om vuil gewin zich bij de Kerk voegen.

Wanneer gewezen wordt op vijandschap, die het Christendom aldaar van de hoogere standen ondervindt, dan weten we dat het in Indië niet anders dan hier in ons eigen vaderland is. Het Christendom leeft allerwegen in verdrukking.

Als er smalend over gesproken wordt dat slechts, «de geringsten der wereld' voor bekeering vatbaar blijken te zijn, dan weten wij dat ook hier vervuld wordt de eeuwenoude profetie van het «niet vele wijzen, niet vele inachtigen, niet vele edelen.' En wel kan men zeggen, dat slechts het «gespuis' in Indië zich door de Zending laat vangen, maar dan weten wij dat reeds van ouds af de bruiloft wel bereid was, maar dat de genooden het niet waardig waren, en dat om die reden juist het bevel luidde: gaat uit op de uitgangen der wegen, en zoo velen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.

In al die opzichten brengt dit artikel ons dan niets vreemds, niets dat verrast. Van tittel tot jota komt alles uit naar luid der profetie, en klopt het met wat de H. Schrift ons zegt.

Maar wel brengt het bij hernieuwing ons voor den geest de ontzaglijke moeielijkheden der Zending en roept het ons op, deie zaak bij voortduur in onze gebeden te blijven gedenken, en waarschuwt het tegen het te hoog aanslaan van de waarde van menig Zendingsbericht.

En voorts brengt het ons tot geheel andere conclusie. Want zegt men aan de overzijde: »dring uw Christendom toch niet op aan-de Heidenwereld. Laat dat maar over aan de wetten der ontwikkeling. De Heidenwereld zal door hetzelfde natuurlijke proces als gij tot het Christendom komen. Het Christendom is niets anders dan een volmaak tere vorm van de heidensche godsdiensten." i h m g „ v

Dan zeggen wij: Neen, het Christendom komt niet van zelf. Dwingt ze om in te gaan. Het werk Gods moet weliswaar voorafgaan —dezegen Gods moet onzen arbeid vergezellen. Anders is het altoos vergeefs gezwoegd en geslaafd. Maar naar den geopenbaarden wil van den Heere onzen God hebben wij heen te gaan en alle volken fe onder wijzen, ze doopende in den Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geegtes.

Deze critiek is niet te scherp.

Het is de vijandschap tegen het geloot in den Christus Gods, die tegen den Zendingsarbeid met zulk een afkeer en onheiligen spot optreden doet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 september 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 september 1902

De Heraut | 4 Pagina's