Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Buiteuland.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Buiteuland.

5 minuten leestijd

Duitschland. De „Fall-Horst.”

De Dui'sche kerkelijke bladen handelen in de laatste dagen bijna alle over de zaak van den predikant Horst. Sedert 1889 is deze heer predikant van degeünieerde gemeente te Mannsbach. Hij bleek een aanhanger te zijn van de piëtistisch methodistische leer, die de zoogenaamde „Gemeinschaftsbewegung" heeft doen ontstaan. Deze beweging heeft ten doel om, bij den dorren, geesteloozen toestand van zoovele kerken, waarvan vele door het modernisme zijn ver woest, de menschen, die bij een vasthouden aan de hoofdwaarheden van het Christendom, den nadruk leggen op de noodzakelijkheid van wedergeboorte en bekeering, bij elkander te brengen. De practische uitwerking van dit streven is, dat men een kerkje in de kerk gaat vormen.

Nu is ook door zijn tegens.tanders erkend, dat de predikant Horst een getrouw, ernstig en krachtig man is. Het Kasseier consistorie, dat een veroordeelend vonnis over hem uitsprak, moet toegeven, dat er op 's mans leven en wandel niets te berispen valt; zelfs wordt zijn weldadigheidszin en zijn ijver om het rijk van God uit te breiden, geprezen. Ook was zijn arbeid niet zonder vrucht geweest; op drinkers en ongeregelde huishoudens oefende hij kennelijk goeden invloed uit.

Maar men kon het pastor Horst niet vergeven, dat bij niet alle leden zijner gemeente onder den invloed van zijn woord brengen kon. Ook werd het hem tot een misdaad toegekend, dat hij iemand, die hij op straat tegenkwam, vroeg, of hij bekeerd was? Maar zijn grootste misdaad bestond in het volgende:

Te Mannsbach is de herbergier tevens burgemeester. Deze had op den 3den Kerstdag in zijn herberg dansmuziek laten maken, om aldus de dorpjeugd in staat te stellen een vroolijken avond te hebben. Nu zien allen die het goede voor het opkomend geslacht zoeken, in zulke gelegenheden om zich te vermaken strikken, die Satan zet om de zielen te verleiden. De predikant Horst zag dit er ook in en toonde dit met der daad, door den burgemeester het Heilig Avondmaal te weigeren.

Om al deze misdaden moest de predikant van Mannsbach getuchtigd worden. Wat had hij dan eigenlijk misdaan ? Wel, hij noodzaakte de menschen elders stichting te gaan zoeken. Bij een man van zijn kaliber kon men toch niet ter kerk gaan. Dat mocht niet van de gemeente gevergd worden. Zulk een predikant was ook niet de herder en leeraar van de geheele gemeente, maar enkel voor een kleine kliek. Daarom besloot het consistorium van Kassei den predikant Horst te veroordeelen om verplaatst te worden, en om de kostenvan het tegen hem begonnen geding te betalen. Maar daar liet dit hoogeerwaarde kerkbestuur het niet bij:

De veroordeelde werd - nog bovendien bedreigd, dat, wanneer hij in zijn nieuwe gemeente bleef voortgaan op den ingeslagen weg, afzetting niet zou uitblijven!

Men ziet hieruit, dat er nog altijd Joodsche raden gevonden worden, die bereid zijn om Christus te veroordeelen.

Tot eer van sommige liberalistcn moet gezegd, dat zij het vonnis van het Kasseier Consistorie niet in bescherming nemen. Zij hadden gewild, dat genoemd kerkbestuur er zich toe bepaald had om den predikant Horst uit Maiinsbach te verplaatsen, zonder eenige veroordeeling. Er wordt dan ook gehoopt, dat het „hoogere" kerkbestuur het vonnis van het Kasseier consistorie zal vernietigen en veranderen in eenvoudige verplaatsing. Laat ons hopen dat het ook tot deze ongerechtigheid niet komen zal. Van hiërarchische besturen is echter niet veel voor de kerk des Heeren te verwachten.

Engeland. Een getuigenis van de Christian.

In de kroningsweek behelsde bovengenoemd blad een artikel over den toestand van het volksleven in Engeland. Na gewezen te hebben op de vrijheid, die in Engeland heerscht, op de rechtvaardigheid, die door de overheid betracht wordt, in tegenoverstelling met de tyrannieke willekeur van vroeger tijden, vestigt het blad de aandacht op den treurigen toestand, waarin de woningen der armen verkeeren; op de pestwalmen, waaronder de jeugd opgroeit; op het aanbidden van den afgod Alcohol; op de manie voor spel en weddingschap, terwijl ook nog de voorhefde voor onzedelijke lectuur, het veronachtzamen der godsdienstoefeningen, de onverschilligheid aangaande de geboden Gods, vermeld worden. Met het oog op dit alles moet volgens de Christian het Engelsche volk wel de vraag stellen: verheffen wij ons als natie, zoodat wij eer en roem kunnen verwachten, of zinken wij in de put van schande en verderf? Wij zullen gezegend zijn, wanneer wij den God des hemels erkennen, niet door uitwendige godsdienstplechtigheden, maar in geest en in waarheid. Wanneer wij Hem in hart en huis verachten, begeven wij ons op een hellend vlak, waarop wij weldra onze plaats vooraan onder de natiën zullen moeten verliezen. In de Schrift is geen kapittel, dat meer op het moderne Groot Brittannië past, dan Ezechiël 27 en 28, waarin de toenmalige beheerscher der zee, het machtige, trotsche, rijke Tyrus meteen diepen val wordt bedreigd, omdat het zijn hart verheven en gesproken heeft: „Ik ben God; ik zit in Gods stoel, in het hart der zeeën". Gelijk deze bedreiging letterlijk aan Tyrus verviüd is, zoo zal het ook aan ons geschieden, wanneer het hart van ons volk zich verheft, en zijn oor doof wordt voor de stem Gods. Immers heeft het Engelsche volk de plaats, die het inneemt, alleen te danken aan het Christendom. Wat zien wij? Hier het juichen der menigte „Rule Brittannia" en „God save the King", een juichen van wege eene overwinning op vreemde volkeren, maar. ginds vallen onze mannen en vrouwen in den bloei hunner jaren op de openbare straat, of worden te gronde gericht in een achterbuurt van de groote stad. Het heilmiddel is niet eene betere regeering, maar God; niet beter politietoezicht, maar beslist en persoonlijk Christendom. Laat, daarom, o volk Gods, uw Ucht schijnen voor de kinderen des volks, opdat zij uv/e werken zien, en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. Alleen daardoor kan het valsche patriotisme verwonnen worden, en daardoor baant men den weg voor het imperialisme van het rijk Gods.

Mochten deze woorden in Engeland weerklank vinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 oktober 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Buiteuland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 oktober 1902

De Heraut | 4 Pagina's