Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Christelijke vereeniging naast de Kerk.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christelijke vereeniging naast de Kerk.

9 minuten leestijd

Het is een opmerkelijk feit, dat steeds rijker naast de geïnstitueerde Kerk zich het vrije vereenigingsleven ontwikkelt. Ging vroeger schier heel de Christelijke arbeid van de Kerk als instituut uit, thans vraagt deze arbeid een eigen organisatie en het is juist aan dit zelfstandig optreden dat meerder energie en rijker ontplooing van dezen arbeid te danken is.

Dr. Hermanides heeft in de Openings rede van de vergadering van Christelijke Natuur-en Geneeskundigen, die in dit jaar te Amsterdam gehouden werd, de aandacht op dit feit gevestigd en getracht een verklaring ervan te geven.

De vraag, die hij stelde, luidde aldus:

Hoe komt het toch, wat is de oorzaak, dat zich in den laatsten tijd in de maatschappij een arbeid ontplooid heeft van christelijken aard — een christelijk maatschappelijken arbeid van zulk een omvang — naast en buiten de kerk om?

Hoe komt dat?

En het antwoord was:

Wij meenen een verklaring te kunnen geven — let wel, H. M. I onder „verklaren" verstaan wij „ophelderen" — meer niet.

Het is niet te ontkennen, dat in de laatste eeuw de ontwikkeling der maatschappij en de ontwikkeling der kerk geeu gelijken tred hebben gehouden. De maatschappij heift extentiet en intensief een verbazende ontwikkeling ontplooid; de kerk heeft min of meer een kwijnend leven vertoond. Het is best mogelijk, dat deze kwijning niet zoo groot is, als zij schijnt; meer relatief is dan volstrekt, , d. i. meer in het oog springt, vergeleken bij het weelderig tieren van de maatschappij, waarin zij staat. Toch mag er niet aan getwijfeld worden, dat de kerk van haar invloed op de maatschappij in den laatsten tijd heeft ingeboet.

Gevolg van deze ongelijke ontwikkeling is, dat de kerk niet meer voldoen kon aan haren plicht, om de maatschappij christelijk te voeden. En toch heeft de maatschappij behoefte aan voeding — krachtens de algemeene genade, waarmede God op geloovigen en ongeloovigen werkt. Zij hongert, trekt evenzeer naar voedsel, als ieder organisme, hetzij plant of dier. Indien de oude bronnen opdrogen, indien het natuurlijk voedsel ontbreekt, dan zoekt een organisme naar nieuwe bronnen; het neemt wat het krijgen kan, waar het het ook van daan halen moet. In de spreuk: „Qaand on n'a pas ce qu'on aime, on aime ce qu'on a", ligt ook een biologische waarheid. Het leven wil leven. Het zuigt levenskracht uit wat het krijgen kan. De maatschappij is een organisme, dat leeft. De kerk kan de maatschappij niet voorzien van wat zij voor haar onderhoud behoeft. Deze schept zich nieuwe bronnen door auto-organisatie.

Deze aute-organisatie kan men zich niet beter voorstellen dan door wat de natuurlijke historie omtrent dit evolutionair proces leert. De biologie nam. leert, dat er allengs bij de ontwikkeling der hoogere organismen scherper differentiatie van functies en organen tot stand is gekomen. Hoe hooger georganiseerd een wezen, des te meer gedifferentieerd de functies en organen zijn. De eenvoudigste organismen doen alles af met één of enkele organen.

Nu, zoo zien v/ij hetzelfde gebeuren in de maatschappij. De maatschappij is een organisme, dat leeft. God — want deze ontwikkeling gaat niet buiten Hem om, integendeel, Hij is de groote bewerker van deze dingen — God acht blijkbaar den tijd rijp, om de vele en velerlei functies, die oorspronkelijk door de kerk, als in een eenvoudig organisme, werden verricht of welke te verrichten haar taak was, in verschillende organen vast te leggen, d. i. verschillende maatschappelijke Vereenigingen te scheppen, onder welke de functies verdeeld en aan welke zij opgelegd zijn.

Gelijk wij zeiden, is oorspronkelijk de kiem, het beginsel dezer heilige functies in de kerk neergelegd; doch thans zien wij als 't ware uit het kerkelijk leven, dat in de praktijk met het maatschappelijk leven samenvloeit, nieuwe loten uitbotten, die vrij geworden als nieuwe organismen zich zetten naast de kerk — geen eigenlijke filialen, maar zelfstandige wezens, filiae, die zich krachtens haar zelfstandigen arbeid als tot sorores hebben ontwikkeld, aan de moederkerk niet meer gebonden —, tenzij nog door een geestelijken draad.

Wij herhalen wat wij reeds gezegd hebben; deze differentiatie gaat niet buiten God om; evenals de groei en de ontwikkeling van het plenten-en dierenrijk aan Hem gebonden zijn, zoo leidt Hij niet minder den groei en de ontwikkeling van het christen-maatschappelijk leven.

En opmerkelijk, M. H.! dat al die christelijkmaatschappelijke lichamen bloeien! Van de kerk uit, ging het niet; dat heeft óf de ervaring geleerd óf de kerk zag a priori dat het niet zou gaan. Zij durfde het niet aan. Onafhankelijk van de kerk toonen die organismen een weelderigen groei en bloei.

Ik herinner u aan de geboorte van „Veldwijk" — nu 19 jaren geleden. Er was een oproeping geschied van kerken en particuliere christenen. Een kleine honderd broeders waren samengekomen in het Militair Tehuis te Utrecht. De eerste vraag die aan de Vergaderde broeders werd voorgelegd, was, of men den tijd rijp achtte voor een Vereeniging, die de christelijke verzorging van krankzinnigen beoogde. Deze vraag werd door allen bevestigend beantwoord.

De tweede vraag luidde: Of de Vereeniging zou uitgaan van de kerken of van het particulier initiatief; m. a. w. of de Vereeniging een kerkelijke of een christelijk-maatschappelijke Vereeniging zou zijn. Onder de kleine honderd mannen die bijeengekomen waren, bevonden zich 38 vertegenwoordigers van kerken. De Voorzitter stelde deze laatsten het eerst in de gelegenheid om uit te maken, of zij wenschten dat de Vereeniging van de kerken zou uitgaan, d. i. een kerkelijke Vereeniging zou worden. Gedurende het debat staat de Heer W. van Oosterwijk Bruyn op. Deze broeder deelt mede, wat hij het vorige jaar had vernomen op het internationaal congres van jongelingsvereenigingen te Londen. Nagenoeg alle beschaafde landen waren daar vertegenwoordigd. En algemeen was de ervaring, dat alle christelijkphilanthropische vereenigingen, van welken aard ook, in welk land ook, die op de kerk stoelden, kwijnden, terwijl alle anderen die van het particulier initi.itief uitgingen, welig tierden.

Met dit woord was het lot van-de tweede vraag beslist. „Veldwijk" zou uitgaan van het particulier initiatief, en „Veldwijk" staat daar als een inrichting die aan menige andere tot model gediend heeft.

Nu, die honderden werken van barmhartigheid, de christelijke scholen, de zondagsscholen enz. enz., staan daar als een levend bewijs, dat God nieuwe banen heeft geopend, om het heerlijk werk van Zijn genade op aarde te voltooien.

Zij bloeien thans als zelfstandige stammen, eenmaal in tak zichtbaar of in kiem verborgen in de kerk, thans van haar afgesplitst, als gedifferentieerde organismen.

En dit schijnt ons goed, goed en wijs. Zóó is men van meer en beter v/erk verzekerd. De geloovigen van verschillende kerken slaan de handen ineen tot een gezamenlijk werk, wat één kerk op zich zelve niet vermag. „Veldwijk" ware nimmer door één kerkgenootschap tot stand gekomen, of hadde ten minste nimmer zulk een bloei ontplooid, als zij doet. Vele christelijke scholen bloeien, die niet tot stand gekomen zouden zijn, of een kwijnend leven zouden lijden indien zij van een kerk waren uitgegaan. Zoo zijn vele goede zaken tot stand gekomen, die anders zouden uitgebleven zijn.

Men kan de wenschelijkheid der verdeeling van arbeid in verschillende organen niet beter vergelijken dan met die van de splitsing der wetenschap in meerdere takken. Hoe meer de wetenschap zich ontwikkelt, des te grootere splitsing in onderdeelen, des te meer differentiatie. En hoe grooter differentiatie, des te meer en nauwkeuriger wordt gearbeid.

Ik weet v/el, daar staat ook een schaduwzijde tegenover: de nieuwe lichamen loopen gevaar, wat de christelijke belijdenis betreft, te verwateren.

Maar ik zet daar dadelijk de lichtzijde tegenover, d. i. dat die verschillende christelijkmaatschappelijke vereenigingen even zooveel centra van samenkomst en samenwerken van broeders zijn, broeders wel van verschillende kerken, maar toch leden van hetzelfde huisgezin; centra, waar onderlinge liefde wordt gekweekt. Deze lichtzijde laat zich zeker met de genoemde schaduwzijde meten, te meer daar de kerken blijven, wier taak is hunne alumni geestelijk te verzorgen, en op een vast standpunt te bewaren, van waaruit dezen de nieuwe vereenigingen leiden en houden binnen de gewenschte lijnen. Zóó wordt niet heelemaal de band tusscheu kerk en stich'ingen losgemaakt. Geestelijk en indirect blijft hij behouden.

Men make uit het voorgaande niet op, dat het onze meening is dat de kerk afgedaan heeft; zij blijft noodig als verkondigster en draagster en bewaarster van Gods Woord. De arbeid van de gezamenlijke christelijke vereenigingen komt der Kerk secundair weer ten goede.

Maar de aigesplitste organismen blijven vrij; ieder organisme werkt in zijn kring, tot vervulling van zijn speciale taak, tot uitvoering van zijn bijzonder program.

Het statuut van , zulk een Vereeniging beantwoorde dan ook volkomen aan de taak, die zij zich voorgesteld heeft. Het statuut van een christelijk-maatschappelijke Vereeniging mag nimmer een kerkelijke formule zijn. Gelijk de Gereformeerde kerken hare belijdenisschriften hebben — de drie formulieren van eenigheid — welke eenmaal dienden en voor een deel nog dienen als accoord van kerkelijke gemeenschap, zoo hebben de christelijk-maatschappelijke vereenigingen haar eigen en eigenaardig program. Nimmer nemen deze het air van kerken aan, ook niet in het stellen van een program. Haar program moge niet zijn: de formulieren van eenigheid: deze zijn en blijven — inzoover zij namelijk geen wijziging behoeven — voor de kerken gereserveerd als kerkelijk program; in het program van iedere particuliere Vereeniging wordt de taak van die werkzaamheid die deze zich voorstelt, omschreven — niet meer, maar ook niet minder; het program ga niet buiten de taak, de taak' niet buiten het program, De kiesvereenigingen voor leden der Tweede Kamer hebben een ander program, dan die voor leden der Provinciale Staten; die voor leden der Provinciale Staten weder een ander formuHer dan die voor leden van den Gemeentaad. Zoo behoort het! Nimmer mogen de formulieren van een ware kerk dienst doen als program voor een maatschappelijke Vereeniging. En dit is helaas! met het program van vele vereenigingen nog het geval.

Ook al moge men elk woord van dit betoog niet onderschrijven, toch ligt er een breede opvatting aan ten grondslag, die tegenover elk kerkistisch drijven waarde heeft.

De Kerk als instituut heeft van God haar ; eigen taak en roeping ontvangen. Zij is

verkondigster, draagster, bewaarster en verklaarster van Gods Woord. Maar naast de Kerk staat de vrije Christelijke vereeniging die gevarieerd naar de rijke verscheiderheid van het menschelijk leven, haar zelf standige taak heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 oktober 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Christelijke vereeniging naast de Kerk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 oktober 1902

De Heraut | 4 Pagina's