„Laffe spijze”.
Mijne ziele weigert uwe woorden aan te roeren ; die zijn als mijne laffe spijze. Job VI : 7.
Van kanker zeggen we, dat ze voorteet, van het zwaard en den honger dat ze „het volk verteren", en bij Ezechial heet het, dat de profeet een rol of een boeksken dat God hem gaf, moest
Al zulke beeldspraak is doorzichtig en van zelf opgekomen. „Zware kost" heet een moeilijk te verstaan stuk. „Voedsel" voor hoofd en hart strekt om het hoofd voor verarming, het hart voor verdooving te bewaren. Voor Jezus was het zijn „'ipije", te doen den wil van zijn Vader die m de hemelen is. Zelfs rechtstreeks op zichzelven soortgelijk beeld toepassend, sprak hij: „tenzij dat ge het vleesch van den Zoon des Menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelven, want mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Hij zelf was „het brood dat uit den hemel was neergedaald, opdat de mensch daarvan ete en niet sterve". En hiertegenover staan gelijke beelden voor het gemis. Er is een hongeren naar God, er is een dorsten naar de gerechtigheid.
Dit alles nu vindt zijn oorsprong in ons tweezijdig bestaan, naar lichaam en naar ziel. Van ons lichaam is onze ziel in zoo sterke mate afhankelijk, dat onze ziel al haar werking op de wereld, alleen en uitsluitend door het Uchaam tot stand kan brengen. Zonder de zintuigen zien, hooren, ruiken of smaken we niet. Spreken en zelfs fluisteren gaat alleen door het lichaam. En met hand of voet wordt alle kunst, bedrijf en actie uitgevoerd.
Daar nu dit lichaam rusteloos aldoor vergaat, en als er geen voedsel inkomt, zichzelf verteert, is eten hoofdvoorwaarde van existentie. Zooveel als er dag aan dag op allerlei wijs van ons lichaam door verbranding of op andere manier afgaat, zooveel moet er ook weer inkomen, of het vermindert, neemt af en sterft.
Het ware ook anders denkbaar' geweest. God had ons ook een onveranderlijk lichaam kunnen schenken, dat evenals de braambosch op Horeb niet verteerde. Maar zoo verordineerde God ons bestaan niet. In ons wezen legde Hij rustelooze werking door gestadige verandering, en in dat veranderen is ons leven en onze levensuiting. En dat aldoor veranderend karaktervan ons leven ligt in ons lichaam zelf, door wat het verteert en weer in zich opneemt, gegrond. En daar nu onze ziel ten deze er juist zoo aan toe is als ons lichaam, lag het voor de hand, dat de mensch, toen hij tot klaarder bewustzijn ontwaakte, dezelfde woorden die hij voor de instandhouding en verrijking van het lichaam had leeren gebruiken, nu ook overbracht op de instandhouding en verrijking van zijn geestelijk bestaan.
„Komt, koopt en eet, ja, komt koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk.”
Ook voor de ziel, ook voor den geest is voedsel, is spijze noodig. Ook de ziel moet eten en drinken. „Wie drinken zal van het water dat ik hem geven zal, zal niet meer dorsten in eeuwigheid.”
Die spijs, die drank komt aan den geest toe door indrukken, door bevindingen, door mystieke inwerking, maar in volle klaarheid alleen door het woord, dat de mond spreekt en het oor opvangt.
Wie ons in oogenbUkken van geestelijken honger goed toespreekt, reikt ons spijze toe en voedt ons.
Maar dan ook, wie in zulke oogenblikken ons in zijn woorden steenen voor brood geeft, voedt ons niet, maar doet ons walgen van zijn laffe spijze.
En daarom zei Job, toen zijn vrienden hem met holle phrases vermoeiden, dat hij wat ze hem voorzetten zelfs niet zou „aanroeren", want dat hun „laffe spijs" hem tegenstond-
Die „laffe spijs" is nog de wereld niet uit.
Dat merkt ge vooral in dagen van diepe smart en bange rouwe. Dan zijn er, die u deelneming komen betuigen, zonder ook maar één enkel deel van de pijn van uw hart van u af te nemen. Goedhartige lieden, die nooit dieper dan de oppervlakte gaan, en die er zekere algemeene phrases op na houden, die ze voor u opzeggen, of zekere algemeene redeneeringen, die niets zeggen, voor uw oor herhalen.
Die woorden hoort de bedroefde ziel dan ter nauwernood aan. Ze hinderen veeleer. Veelal gaan ze langs de ziel heen. Omdat er het gekruide woord der echte liefde in ontbreekt, zoekt de ziel die lijdt, veeleer van die laffe spijs verlost te worden.
Deelneming moet een deelen van het hartin de smart uwer ziele zijn, zoodat ge voelt en merkt, dat een ander met en om u lijdt; door dat met u lijden zelve in lijdende stemming is gebracht; en nu door die gelijksoortige stemming in staat is, in harmonie met u, een uiting uit de eigen ziel te laten opkomen, die u meetrekt, u ontlast en u daardoor goed doet.
Vooral in de eerste helft der vorige eeuw was die laffe spijs gemeen goed geworden. Holle woorden, zinlooze klanken, zinledige phrasen, een soort preekje, dat de een den ander nazei en waar alle leven onder dood ging.
Dat maakte toen, dat men almeer voor rouwbeklag bedanken ging. Liever alleen met zijn smart, dan al zulk ijdel gepraat, zonder den toon van ernst en liefde.
Gelukkig betert dit thans.
Men heeft zich eindelijk uit dat spinnenweb der phrase losgewoeld, en men werd er zich weer bewust van, dat er eerst gevoel moet wezen, dan verbeelding, en daarna heldenmoed, gelijk Da Costa 't zong, niet alleen om te dichten, maar ook om de poëzie der vertroostende liefde tot een anders hart te kunnen brengen.
Men spreekt minder; de soepterrine met het verwaterde woord wordt in de kast gelaten; het gevoel spreekt weer; spreekt niet meer dan het gevoelt; en juist daardoor doet het weldadig aan.
Toch is het niet enkel in dagen van smart en rouwe, dat de ziel, om waarlijk gevoed te worden, behoefte heeft aan iets anders dan de laffe spijs. Van de predicatie, van het onder wijs, van het lied, dat men ons voorzingt, van de letterkunde die men ons voorlegt, geldt hetzelfde.
Ook de predicatie heeft, door „laffe spijs" te geven, zoo dikwijls zich zelve vermoordt. Dan komt de hongerige ziel ter kerk, en ze ontvangt niets, en wat haar wordt voorgezet, walgt veeleer dan dat het zou aantrekken. Gevolg is, dat men óf uit gewoonte de predicatie nog bijwoont, en langs zich laat voorbijgaan, öf er niet meer komt, en zelf in gezelschap of in een boek iets beters zoekt.
In de vorige 'eeuw is hierin zwaar gezondigd, en die zonde is nog de kerk niet uit. Spijs, voedsel moet er zijn. Spijs voor de ziel. Spijs die de ziel in zich opneemt. Spijs waardoor ze in kracht wint. En ook spijs, zoo gekruid, dat het laffe er af is, en de geestelijke smaak er weldadig door wordt aangedaan.
En ook hier komt het aan op het gevoel. Er moet door wie preeken zal vooraf worden gevoeld wat de ziel noodig heeft. Er moet ver beelding werken, om in het te spreken woord de geestelijke spijs te bereiden, zoodat ze er ingaat. En er is noodig heldenmoed, om niet te vragen, wat de gemeente er van zeggen zal, maar wat God er over oordeelen zal, dat ge aan uw gemeente gebracht hebt.
Geen steen, geen laffe omhaal van woorden, maar brood, levend brood, druppelen van het water des levens.
Bij het onderwijs, hooger en lager, beheerscht hetzelfde mysterie de toekomst.
Men sprak van ontwikkeling, vooruitgang, wilde alles door examens dwingen, bande den geestelijken factor, en meende alles goed te kunnen maken, als er maar voor veel geld kwart-geleerden voor de klasse stonden.
En nu men millioenen, en nog eens millioenen, voor zijn onderwijs heeft uitgegeven, verloopt de goede toon almeer en klaagt men steen en been over teleurstelling.
Dit kon niet anders.
De geest, de ziel van het kind moet in stand worden gehouden, en moet groeien. Daarvoor heeft het kind voedsel noodig. Voedsel dat aansterkt, voedsel dat het in zich op kan nemen, voedsel, waardoor het in kracht kan winnen. En inplaats van dit deugdelijke kinderbrood gaf men aan het kind onverteerbare spijze, die opstopte, die niet in geesteskracht kon worden omgezet, en het eind was dat het hart onvervuld, het karakter ongevormd bleef, en dat het kind straks dwars verkeerd stond voor de practijk en den nood van het leven.
Ook hier is nu beterschap komende. Om te weten wat een kind hebben moet, legt men niet langer den maatstaf van een volwassen man aan. Men begint weer te voelen met en voor het kind, door verbeelding leeft men in het kinderhart en het kinderleven in, en men won den heldenmoed, om zijn eigen dwaze, vroegere opvatting van zich te werpen.
Hoelang toeft de morgen nog, die ons dien keer ook in ons lied en óók in onze letterkunde zal brengen?
Er wordt nog gedicht, saai en taai met de holle phrase aan den éénen kant, en in wilde, tintelende gevoelsspeUng anderzijds, maar het volk walgt van beide, omdat het beide laf vindt. Een dichter die het hart van het volk pakt, en het volk door zijn lied voedt, hebben we niet meer. De heeren zingen voor hun eigen kleinen kring, en laten hun volk verhongeren. Op Cats schimpte men, en schimpen veel domme lieden nog. Maar waar is de man die het Cats nadoet, om als hij zijn poëzie onder het volk te brengen, en ze er twee eeuwen onder te houden ?
En toch ook de volksziel heeft honger, heeft dorst. Ze vraagt, zal ze krachtig kunnen zijn, om spijs en drank die wel gekruid is. Om verheffing, zonder verdamping in het te hoog verhevene.
Laat niemand wanhopen. We vorderden reeds zooveel. Ook daarin is het betere komende. Doe dit ééne slechts: zorg gij, dat ge, waar ook tot spreken geroepen, zelf nooit in het bieden van laffe spijze uw schijnglorie zoekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 oktober 1902
De Heraut | 4 Pagina's