„Zoodanig ben ik niet bij mij.”
Zoo zal ik spreken, en Hem niet vreezen; want zoodanig ben ik niet bij mij. Job 9 : 35.
We kunnen over onszelven in den derden persoon spreken.
Als klein kind deden we zelfs nooit anders, en een kind moet al heel wat maanden oud zijn, eer het uit eigen beweging ik zal zeggen. Bij het aanspreken van een klein kind bezigt dan ook vanzelf ieder oudere van jaren den derden persoon, en zegt niet: „Willie, ge moet nu slapen gaan", maar heel anders: Willie moet nu gaan slapen; zal Willie nu zoet wezen; en zoo aldoor. Het duurt lang eer een kind tot zelf bewustzijn ontwaakt, zich zelven van al wat buiten hem is gaat onderscheiden, en zich ten slotte als een ik voelt en dat ik stelt tegenover allen die hem omringen.
In sommige mystieke kringen keert dat kinderlijk spreken van zichzelf in den derden persoon later terug. Men gaat dan zich zelven als bekeerd persoon onderscheiden van den ouden Adam in zich, en bij Antinomianen leidt dat er toe, om alle kwaad dat men uitbroedt en alle zonde, die men doet, op dien ouden mensch te schuiven, en dan van zich zelt in den derden persoon te zeggen: De oude Willem is weer ? an V> et vloeken, aan het liegen, enz. geweest, ci'jt-rmeê goddelooslijk aanduidend dat het bekeerde ik zich niets van wat die oude Willem doet, aantrekt.
Toch ligt hierbij op zich zelf het kwaad niet in dat scherp onderscheiden van zijn ik en zijn persoon. Integendeel, wie dat onderscheid niet maakt, wiegelt zich nog in de oppervlakte en dook nog nimmer in de diepte van het leven onder, om het leven in zijn diepte te leeren verstaan.
Zelfs kan men zeggen, dat we hooger staan, naarmate we dat onderscheid tusschen ons ik en onzen persoon scherper gaan gevoelen en helderder inzien.
Nergens althans komt dat onderscheid sterker uit dan in hetgeen de Christus sprak. Dat onderscheid tusschen ons ik en onzen persoon, drukt ge in onze taal het zuiverst uit door uw ik van ti-zelven te onderscheiden, en op deze onderscheiding rust immers de grondeisch van het Evangelie, dat gij, d. i. uw ik, u zelven verloochenen zult, en rust evenzoo wat Jezus sprak van den Verloren Zoon, die tot zich zelven inkeerde.
De zoo gangbare uitdrukkingen van zeltbeheersching, zelfgenoegzaamheid, zelfvernedering, zelfopoffering, zelfoverwinning, en zoo ook die van zelfzucht en zelfmoord, rusten allen op gelijke onderscheiding.
Het is bij dit alles ons ik, dat ons zelf beheerscht, verloochent, vernedert, opoffert of overwint. Een nadenken van ons ik over onzen eigen persoon, een beeld dat we ons van ons zelf vormen, een voorstelling die we ons van onzen eigen persoon maken, een oordeel dat we over ons zelf uitspreken, een poging die we doen om ons zelf te handhaven of om ons zelf anders te doen worden dan onze persoon is.
Op andere manier nu, nóg teekenachtiger, beoogt Job gansch datzelfde, als hij zegt: Zoodanig ben ik niet bij mij, wat zeggen wil: als mijn ik mijn eigen ik beziet, dan bevind ik mijzelven niet zooals gij waant dat ik ben, maar anders. En dit is daarom zoo veelzeggend, omdat Job niet schroomt dit van zijn zielsbevinding tegenover zijn God uit te spreken.
Als zijn God met hem in het gerichte treedt, handhaaft hij, juist om God niet te verzaken, het recht Gods ook tegenover God, en laat hij niet uit laffe vrees het recht, dat God zelf hem in de ziel heeft gegrift, varen. Als God met mij in het gericht treedt, zoo zal ik spreken en niet uit vreeze zwijgen, zegt hij, want zoodanig ben ik niet bij mij. D. w. z. in de diepste kern van mijn wezen ben ik niet laf om het recht prijs te geven. „De rechtvaardige is moedig als een leeuw." En die hooge moed van mijn innerlijk wezen komt het sterkst uit, als ikzelf voor de vierschaar Gods staande, het recht Gods handhaaf.
Bij verreweg de meesten is, helaas, die onder zoeking, die beoordeeling van hun eigen ik van hun zelf, van hun verborgen wezen nog uiterst flauw. Krachtig voelen ze dat eigen zelf in zich, als ze geprikkeld worden, als ze zich in hun eer of naam voelen aangetast. Tot verheffing van dat eigen zelf zijn ze sterk geneigd. Ze zegenen zich zelf. Soms vergoden ze zich zelf. Maar om van dat eigen ik, van hun eigen zelf dege studie te maken, hooger licht op zichzelf te laten vallen, en bij dat helderder licht een klare, zuivere voorstelUng van zich zelf te vormen, daartoe zijn ze te traag van geest.
Liefde, zegt het spreekwoord, maakt bhnd, en 'aar Ie liefde voor hun eigen zelf sterk, tot zelfz'j, - ht toe in hen ontwikkeld isj zien ze schier nooit hun zelf, maar bijna altoos een valsch, opgesmukt beeld, dat ze zich in hun trots van zichzelven gevormd hebben.
Daarom ontbreekt het hun aan zelfkennis. Soms zelfs neemt dit gemis aan zelfkennis zoo schromelijke afmetingen aan, dat dingen die ieder ander terstond in hen ziet en afkeurt, door hen zelven niet worden gezien, ja, weersproken en in toorn geloochend.
Ze laten allerki portretten van zich maken bij den photograaf, rnaar het gelijkend portret van hiin eigen ik, zooals ze innerlijk bestaan, zien ze nooit en willen ze nooit zien. En gebeurt het, dat dit sprekende portret van hun eigen innerlijk wezen soms één oogenblik onder den prikkel van hun conscientie voor hen oprijst in hun geest, dan zet die geest er zich aanstonds toe, om dat min oogelijke portret te retoucheeren, tot er een aantrekkelijk, maar geheel vahich beeld* uit geworden is.
De arts, die, als ze zich onwel gevoelen, geroepen wordt, moet hun alles nauwkeurig van hun lichaam zeggen. Daar zijn ze nieuwsgierig naar. Dat interesseert hen. Én blijkt er kwaad in long en nier te schuilen, dan moet het medicijn den strijd tegen die giftige verschijnselen in hun lichaam aanbinden. Maar omtrent den zielstoestand van hun eigen zelf willen ze niet ingelicht zijn.
Waagt iemand het, hun dien toestand bloot te leggen, dan worden ze boos. Aan het aanwenden van middelen om de giftige bestanddeelen van hun eigen zelf te bestrijden, denken ze niet. Veeleer hebben ze er lust aan, die schadelijke elementen gedurig te voeden. En ook, wie hen daarin vleit, minnen ze, wie hen daarover berispt, mogen ze niet lijden.
Zichzelven te handhaven zooals ze zijn, en hun eigen ik, zooals het bestaat, voor uitnemend te doen doorgaan, is de wonde in hun karakter.
Nu, van de lieden die van de wereld zijn, verstaat men dit.
Wel zijn er ook onder dezen, die op zelfkennis bedacht zijn, en die enkele wilde loten aan den stam van hun wezen besnoeien, maar hun eigen ik, als zoodanig, veroordeelen, kunnen zij niet. Maar wat wel verbaast is, dat deze zelfkennis ook onder de belijders des Heeren nog vaak zoo pover en zoo armelijk is.
Een belijder van den Christus is een bekeerde. Wie niet bekeerd is, kan wel anderer belijdenis naspreken, maar niet zelf belijden. Wie niet wedergeboren is uit water en geest kan het koninkrijk Gods zelfs niet zien.
Doch wat is nu bekeering anders dan een geestelijk opwaken, waardoor de wortel van het geestelijk gif uit ons wordt uitgesneden. \^ie achter mij wil komen, verloochene zich zelven. Zulk een moet dus tusschen zijn ik en zijn eigen zichzelf scherp hebben leeren onder scheiden. Zijn ik moet bij het licht van den Heiligen Geest dit zijn eigen zelf hebben gezien, zooals het is. Hij moet het principieel hebben veroordeeld. Hij moet er zich in den grond van hebbeu losgemaakt. Dien ouden mensch van het eigen zelf moet hij hebben uitgetogen, en den nieuwen mensch hebben aangedaan in Christus Jezus.
Alle bekeering en alle belijdenis van den Christus rust altoos op de klare onderscheiding, waarmee ons ik, door hooger licht bestraald, ons eigen zelf heeft ontdekt zooals het is, het veroordeeld heeft, én veranderd.
Maar is dit zoo, hoe het dan te verklaren, dat zoo tal en tal van Christenen zich zoo bitter weinig om dit eigen zelf in hun ziel bekommeren, zoo weinig over zich zelven nadenken, zoo weinig met zich zelven bezig zijn, zoo weinig oog hebben voor den worm die nog aan hun binnenste knaagt, en zoo zelden zich inspannen, om critisch en medisch tegen hun eigen ik op te treden.
Wat zulk een bederf onder de Christenen brengt en zoo bedroeft, is juist, dat ge mannen en vrouwen van zeg veertig jaar vindt, die nog precies zoo zijn als ze waren toen ze dertig jaar telden, en die alzoo tien jaren om niet geleefd hebben, zonder in zelfkennis, in zelfverootmoediging, in zelfgenezing of zelfverbetering, ook maar één schrede verder te zijn gekomen.
Daarom is er zoo weinig karakter. Wie karakter heeft, onderscheidt terstond, als anderen hem prijzen of laken, den schijn van de werkelijkheid.
Merkt een man of vrouw van karakter, dat een ander hem voor beter houdt dan hij is, dan laat hij zich hierdoor niet vleien, maar ziet terstond klaar en helder in, dat hij dien lof niet verdient, en ontleent er geen ander motief aan, dan om, door dien lof beschaamd, er naar te streven, om zoo te worden, als anderen dachten dat hij reeds was.
En omgekeerd, als anderen hem laken, en belasteren, en hij weet bij zich-zelf dat hij zoo bij zichzelf niet is, dan prikkelt hem dit niet tot toorn, maar onderzoekt hij, waardoor hij aanleiding gaf, om zoo averechtsch beeld van zijn ik bij anderen te doen postvatten. Wie zichzelf kent, weigert te pronken met valsche veeren, en heeft omgekeerd te veel achting voor zichzelf, om zich door anderer blaam te laten verschrikken.
Levensdoel is voor zulk een, eiken dag met zichzelf bezig te zijn, om achter de juiste waarheid van zijn eigen zelf te komen, de kwade van de goede elementen in zich zelven te onderscheiden, en alsnu die goede elementen te voeden en te sterken, en die kwade elementen te bestrijden, en óf ze te genezen óf uit te bannen.
Voor wie zoo leeft, is er vooruitgang van jaar tot jaar. Winste na eiken nieuwen strijd. Een steeds klaarder uitbeelden van het kind van God in zijn binnenste.
Denk u nu, dat in een gemeente, indien al niet alle, dan toch de meeste broeders en zusters tien jaar lang dien weg opgingen, alzoo aan zichzelven arbeidden, en in die mate tot zelfgenezing kwamen, hoe heel anders zou niet de gestalte en gedaante der gemeente worden, wat heilige kracht zou er niet openbaar worden, en wat kracht van aantrekking zou zulk een gemeente niet uitoefenen?
Maar dan ook omgekeerd, hoe wil de ge meente des levenden Gods" „een stad op den berg" zijn, indien ge jaar in jaar uit de prikkelbaren even prikkelbaar, de hoogmoedigen even hoogmoedig, de tragen even traag, de zinlijke naturen even zinlijk vindt, en indien aan het eind van elk jaar de droeve klacht is en blijft dat zooals men het jaar inging, men zoo ook het jaar weer uittreedt, 'even arm aan zelfkennis en daarom even arm aan kénnisse van de ge nade Gods?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 oktober 1902
De Heraut | 4 Pagina's