Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Recensiën

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Recensiën

8 minuten leestijd

J. VAN ANDEL. Jlei Evangelie naar de beschrijving van Lukas aan de gemeente toegelicht. Leiden, D. Donner I902.

Gorkum’s Dienaar des Woords gaat voort met zijn uitnemende populaire en practicale toelichting van enkele boeken des Nieuwen Testaments aan de gemeente te schenken. Werden vroeger meer bij voorkeur de voornaamste blieven van den Apostel Paulus gekozen, thans zijn de Evangeliën aan de beurt, en nadat eerst het Evangelie verklaard was, waarin het rijkst de heerlijkheid van den Zone Gods ons tegenstraalt, licht Ds. van Andel thans het Evangelie van Lucas, waarin de nadruk valt op de ontwikkelingsgeschiedenis van den Zoon des menschen. voor de gemeente toe, Goede wijn behoeft geen krans, en de gemeente waardeert te zeer dezen arbeid van haar geliefden leeraar, dan dat een warme aanbeveling van deze exegetische studie noodig zou zijn. In sobere en gekuischte taal, die juist in haar eenvoud het kenmerk van hoogeren geestesadel toont, worden de schatten des Evangelies ons hier ontvouwd. Ds. van Andel bezit in vollen zin wat ook Groen van Prinsterer kenmerkte in al zijn geschriften: de aristocratie des geestes. Niemand is meer atkeerig dan hij van alle plebeïsch marktgeschreeuw, van alle gezwollen rhetoriek, van alle ijdel vertoon van geleerdheid. Juist daarom past zijn stijl zoo uitnemend bij den heiligen eenvoud des Evangelies. Toch wane daarom niemand, dat deze populaire toelichting geen vrucht zou zijn van dege studie. De hoogste kunst is, de kunst te verbergen, en alleen de deskundige weet, hoe deze klaarheid en eenvoudigheid niet te bereiken is, dan doordat met vaste hand een weg gebaand is door den doolhof der verschillende uitleggingen. Onder den doorzichtigen waterspiegel, waarover het scheepke schier spelenderwijze heen glijdt, liggen klippen verborgen, die slechts door een vaste stuurmanshand kunnen vermeden worden. Natuurlijk ligt het buiten het bestek van een weekblad, om op deze exegetische quaesties dieper in te gaan. De vraag, of de naam Jezus juist vertolkt is door Jehova verlost, of bij de verzoeking in de woestijn terecht de antithese met de verzoeking in het Paradijs geleochend wordt enz., zou dan afzonderlijk moeten besproken worden. Ook hier blijkt het weer, hoe noodzakelijk het voor onze Gereformeerde theologie is, dat er een degelijk v/etenschappelijk tijdschrift komt, waarin dergelijke quaesties au fond kunnen behandeld worden. Maar al zouden we hier en daar critiek willen oefenen, toch doet dit niets te kort aan onze waardeering voor den kostelij ken arbeid, dien Ds. van Andel opnieuw voor onze kerken verrichtte. Moge nog menige exegetische toelichting van zijn hand aan de gemeente worden geschonken.

J. D. VAN DER VELDEN. Zonde en Genade. Een twaalftal practische Schriitbeschouwingen. Middelburg. Le Cointre 1902.

Dit twaalftal bijbellezingen vormt een vervolg op „Hanna en haar Lofzang" en behandelt I Sam. 2 : 11 tot het einde van i Sam. 3, de geschiedenis van Eli, zijn zonen en Samuel. Ditmaal werkte de schrijver deze schetsen iets breeder uit, opdat ze ook voor leesdienst in de kerk gebruikt zouden kunnen worden. Het is een eenvoudige, practicale uitlegging en toepassing van een aangrijpend gedeelte der Heilige Schrift. De schrijver toont, dat hij de Schrift metterdaad weet toe te passen op de oms'.andigheden ook van onzen tijd, en heeft zich, naar Gereformeerden trant, vooral toegelegd op het „onderscheidenlijk en ontdekkend" prediken. In vacante kerken zullen deze eenvoudige bijbellezingen zeker niet' zonder vrucht voor de gemeente gebruikt kunnen worden.

A, JONKMAN. De Aanschouwing op de School met den Bijbel. Naamlooze vennootschap „Vada, " Wageningen. 1902.

Ds. Sikkel heeft wil van zijn reis gehad, toen hij zijn paedagogische bijdrage: „De Aanschouwing in het Onderwijs" in het licht zond. Nog altoos is de onderwijzers wereld in rep en roer en wordt in brochure, tijdschrift en krantartikel, het door hem aan de orde gestelde onderwerp behandeld. Wel een bewijs, hoe actueel het onderwerp was en hoe goed het is, dat ook over dit punt door onderlinge wrijving van gedachte meer licht ontstoken wordt. De heer Jonkman, hoofd der school te Hien, neemt hierbij een bemiddelend standpunt in en tracht beide uiterste partijen te verzoenen. Hij erkent, dat in het te sterk op den voorgrond schuiven der aanschouwing een gevaarlijk beginsel school en Ds. Sikkel recht had met aan de brandklok te trekken. Maar aan de andere zijde waarschuwt hij voor een eenzijdigheid, die met het bad het kind zou willen wegwerpen. Naar het ons voorkomt, bestaat er hier over en weer misverstand. Ds. Sikkel houdt van paradoxen en teekent de tegenstellingen liefst zoo scherp mogelijk.

Wie voor een ernstig gevaar waarschuwen wil, trekt allicht wat hard aan de bel. Het is daarom goed, dat, mits het gevaar is ingezien, al het geoutreerde vermeden worde, en de aanval tot de juiste proportiën worde herleid. De heer Jonkman heeft daartoe een niet onverdienstelijke poging gewaagd. Met beroep op de „leer der kennis, " die in de Encyclopaedie van Dr. A. Kuyper Sr., en in de Dogmatiek en Psychologie van Dr. Bavinck en in de verschillende werken van Prof. Woltjer ons geboden wordt, wordt een welwillende critiek geleverd op de brochure van Ds. Sikkel, waarmede deze winste zal kunnen doen.

L. NEVENS. Gode de heerlijkimd in de gemeente.

Leerrede over Ephese 3 : 20, 21; uitgesproken op 12 October 1902, bij gelegenheid zijner veer i^jirige ambtsbediening.

Een veertigjarige bediening van het ambt blijfc een zeldzaamheid, vooral wanneer de Dienaar des Woords in een zooveel tijd en kracht vorderende gemeente als Amsterdam geroepen is. Dat de gemeente, die nog steeds met hartelijke trouw aan dezen haar grijzen Dienaar verknocht blijft en zijn arbeid hoog waardeert, dit feit niet ongemerkt liet voorbijgaan, lag in den aard der zaak. Ds. Neyens heeft door zijn pastoralen arbeid, door zijn curatorschap aan de Theologische School, maar bovenal door zijn rechtschapen en beminnelijk karakter een breeden kring van vrienden zich verworven. Alle enghartige partijschap bleef hem vreemd, en steeds had hij een open oog voor de hoogere belangen, die bij de brandende vraagstukken van ons kerkelijk leven op het spel staan. Het vir integer is de eeretitel, dien zijn veertigjarige bediening hem schonk, en wat trouw aan het beginsel en moed van overtuiging aangaat, rust op zijn blazoen niet een enkele smet. Het v\roord, waarmede Ds. Neyens zijn ambtsfeest herdacht, legt dankbaar getuigenis af van den zegen, dien God hem op zijn arbeid schonk, maar wijst tegelijk van den Dienaar op den Zender en brengt de eere en lof toe aan God alleen. Moge God de Heere dezen trouwen dienstknecht nog lang kracht vèrleenen voor zijn taak en de belofte aan hem vervullen, dat zij „die in het huis des Heeren geplant zijn, in hunnen grijzen ouderdom nog vrucht zullen dragen".

W. F. A. WiNCKEL. Gods leidingen op mijn weg. W. Kirchner, Arasterdam, 1902.

Ook dit woord is een gelegenheidswoord, gesproken bij het zilveren ambtsfeest van Ds. Winckel, Dienaar des Woords te Sloterdijk. Het is geen predikatie, maar een soort autobiographie, waarin de schrijver mededeelt, hoe God de Heere hem in zijn ambtelijke bediening steeds dieper inleidde in de Gereformeerde beginselen en hem genade voor genade schonk. Voor de jongere leden der Geref. kerken, die zelf den strijd niet hebben medegemaakt, welke in 1886 en daarna gestreden is, heeft dit stuk „histoire contemporaine" zeker belang. Het herinnert aan de moeilijke en toch zoo gezegende dagen der Doleantie en brengt menig verrassend feit aan het licht.

JB. VAN OvERSTEnG.Jongelingsvereeniging, Kerk, Huisgezin. Uitgave van de Vereeniging „de Gereformeerde Jongelingsbond."

Het vraagstuk, in welke verhouding de jongelingsvereeniging tot de Kerk en het Huisgezin staat, blijft in onze jongelingskringen nog steeds aan de orde. De verschillende referaten van Prof. Biesterveld, Dr. Wymenga e.a. schijnen het noodige licht nog niet te hebben verspreid, Eenerzijds verlangt men een nauwer band met en toezicht door den kerkeraad en het gezin; andererzijds is men van oordeel, dat de jongelin gen zelf hun weg moeten vinden en vergelijkt men de jongelingsvereeniging liefst met de Vrije Universiteit. De heer van O versteeg, die op den jongsten Bondsdag het punt nog eens toelichten zou, kon wegens de kortheid van den tijd zijn stellingen niet volledig uitwerken en geeft ze daarom met de toelichting thans in druk, opdat er nader debat mogelijk zij. Naar het ons voorkomt, kan er moeilijk twijfel over bestaan, dat er toezicht op onze jongelingsvereenigingen noodig is. Als leden van het gezin staan onze jongelingen onder het gezag hunner ouders. Als leden der Kerk onder toezicht van den Kerkeraad. De vraag is alleen, hoe dit toezicht practisch moet uitgeoefend worden. Aan de beantwoording van die vraag wijde men daarom voortaan zijn kracht. Zoodra een goede oplossing van die vraag gevonden is, zullen de bezwaren tegen het „toezicht" wel vanzelf verdwijnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 november 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Recensiën

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 november 1902

De Heraut | 4 Pagina's