Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Blijven of heengaan?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Blijven of heengaan?

12 minuten leestijd

Het was te verwachten, dat de heeren Bavinck en Biesterveld openlijk rekenschap zouden geven, waarom zij de Theol. School verlieten en de benoeming aan de Vrije Universiteit hebben aangenomen.

De lijvige brochure, waarin dit geschiedt — ze telt bijna honderd bladzijden — geeft eerst een kort overzicht van de verschillende pogingen tot vereeniging der beide scholen voor de Synode, teekent daarna de worsteling, die op de jongste Synode plaats vond, levert vervolgens critiek op het voorstel-Bos en verklaart tenslotte, aarom blijven aan de Theol. school onmoelijk was en heengaan plicht.

Er trilt door heel deze brochure een toon van smart, soms van nauw bedongen verontwaardiging. Indien aan iemand, dan was aan Prof. Bavinck te danken de bloei der school, haar eereplaats, die ze ook op wetenschappelijk gebied innam, haar invloed, die verre buiten den kring onzer kerken zich uitstrekte. Er was een tijd, dat Prof. van Oosterzee er openlijk roem op droeg, dat Kampen de beste afzetmarkt voor zijn theologie was. Thans waren de rollen omgekeerd en menig student aan de Staatsuniversiteit ging bij Prof. Bavinck's Dogmatiek ter school. Wat het Prof Bavinck kosten moet, de school, die hij als kind der scheiding lief had, die hij door zijn onderwijs tot zoo hoogen bloei bracht, te moeten verlaten, omdat naar zijn overtuiging deze school thans een partij school is geworden en een beginsel vertegenwoordigt, waarmede hij zich niet vereenigen kan, gevoelt men op schier elke bladzijde van ditverweerschrift. Waarlijk, de broeders, die door hun onverzoenlijke houding op de Synode tot dit resultaat hebben medegewerkt, hebben daarmede een niet geringe verantwoordelijkheid op zich genomen. Prof. Bavinck's zelfverdediging is tegelijk een acte van beschuldiging, die door haar kalmen toon, haar objectieve mededeeling van de feiten, haar onverbiddelijke logica wel ieder onbevooroordeelde de oogen moet openen voor de ernstige schade, die juist de zoogenaamde voorstanders der school haar hebben toegebracht.

Als historisch document heeft deze brochure blijvende waarde. Ze geeft een helder overzicht van hetgeen op de Synode te Arnhem geschied is, en de thans voor het eerst publiek gemaakte briefwisseling tusschen de beide groepen vóórdat de eindstemming plaats greep, levert wel het meest afdoende bewijs, dat de minderheid van geen verzoening wilde weten en het mislukken van het compromis in zake de opleiding alleen aan haar te wijten is. Wanneer thans in de pers openlijk de Synode er een grieve van gemaakt wordt door de broeders, die tot deze minderheid behoorden, dat de Synode haar besluit niet uitvoerde of het aangenomen concept niet opnieuw aan de kerken ter beoordeeling toezond, dan herinnert Prof. Bavinck hen volkomen terecht aan hun eigen plechtige verklaring, dat zij voor God en hun geweten geen vrijheid konden vinden de mede-verantwoordelijkheid voor dit besluit op zich te nemen, omdat het naar hun overtuiging in strijd was met het in 1891/1902 aanvaarde beding, en constateert hij, dat Eileen daarom de Synode met de uitvoering niet doorging.

Zoo blijkt ook uit deze brochure, dat te Arnhem een historisch moment heeft plaats gevonden, dat voor de verdere ontwikkeling onzer kerkelijke toestanden van de meest ingrijpende beteekenis is geweest. Wie alleen op formeel standpunt zich plaatst, mag beweren, dat door de motie van Schelven al de arbeid der Synode is te niet gedaan en de toestand na de Arnhemsche Synode volkomen gelijk is aan dien vóór deze Synode. Maar wie dit stelt, rekent niet met den nooit stilstaanden ontwikkelingsgang der geschiedenis. De Arnhemsche Synode heeft een beslissing gebracht. Ze vormt een keerpunt in onze kerkelijke historie. En Prof. Bavinck heeft volkomen recht, wanneer hij deze beslissing aldus omschrijft:

En dan geve men zich in de eerste plaats helder rekenschap van - het besluit, dat door de Synode te Arnhem in zake de eenheid van op leiding genomen werd. Daarin toch spraken de Gereformeerde kerken het openlijk uit, dat eene vereeniging van School en Faculteit, in den zin van het voorstel der vier hoogleeraren, haar boven alles gewenscht scheen, en door haar noch in strijd met het beding noch ook in tegenspraak met het recht en de vrijheid der kerken werd geacht. En wel werd daarna door de Synode besloten, om deze vereeniging niet tot stand te brengen. Maar dit geschiedde alleen na verklaring der minderheid, dat zij bij het besluit zich niet neerleggen kon. Zoo weinig was dat besluit dan daarna ook van de baan, dat de Synode in hare laatste zitting bij het nemen van maatregelen in het belang van School en Faculteit door dat besluit hare gedragslijn bepalen liet. Zij veranderde niet van overtuiging, ook al liet zij ter wille der minderheid de' School nog afzonderlijk voortbestaan.

Te oordeelen naar deze door de Synode gevolgde gedragslijn, is het geheel in haar geest, als mijn ambtgenoot en ik, eene benoeming ontvangende aan de Vrije Universiteit, ons bereid verklaren om deze aan te nemen. Want terwijl de Theol. School door de Synode op allerlei wijze werd achteruitgezet, is de Vrije Universiteit door haar met liefde bejegend en in de collecten met de School op ééne lijn gesteld. Zoolang de Synode deze besluiten handhaaft en in deze overtuiging staat, spreekt zij er ingewikkeld hare goedkeuring over uit, als wij, de School verlatende, voortaan onze krachten wijden aan de Vrije Universiteit. Ons heengaan wordt door de houding der Synode, die het mede door ons onderteekend voorstel aannam, ten volle gerechtvaardigd. Indien wij na de Synode te Arnhem vrijheid vinden, om voortaan als hoogleeraren in de Theol. Faculteit te Amsterdam op te treden, dan doen wij dat in de overtuiging, dat de kerken zelve ons daarvoor den weg hebben gebaand en de vrijheid hebben gegeven. De kerken zelve achten het zelfstandig voortbestaan der Theol. School niet gewenscht meer; zij geven blijkbaar voor de opleiding tot den dienst des woords aan de Vrije Universiteit de voorkeur. Welnu, dan handelt in haar geest en naar haar wil, ja dan treedt te meer in den dienst der kerken degene, die als hoogleeraar de School verlaat en aan de Vrije Ur.i'ersiteit zich verbindt.

En niet minder is van beteekenis wat Prof. Bavinck na dezen terugblik op het verleden schrijft over de richting, waarin de Gereformeerde Kerken zich in de toekomst te ontwikkelen hebben:

Nu eene practische oplossing aan de gedecldeid der opleiding geen einde heeft kunnen aken en eene principieele overtuiging de roederen noodzaakte, om hun; wij kunnen niet, it te spreken; nu komt de richting aan de rde, in welke de Gereformeerde kerken dezer anden zich overeenkomstig hare belijdenis en oeping te ontwikkelen hebben.

En dan behoort het eenerzijds onder ons ast te staan, dat de kerken in de tegenwoordige oestanden een sterk verband en een beslissend eggenschap mogen eischen in betrekking tot e School, die hare toekomstige dienaren opleidt n aan de beoefening der theologische wetenchap zich wijdt. De toestanden zijn veel te rnstig; de vraagstukken, die zich voordoen, eel te diep ingrijpend; de onzekerheid van artijen, vereenigingen en bonden veel te groot, an dat de kerken zich zouden mogen afhanelijk [maken van eene School, die buiten haar nvloed staat en zich ten slotte, als het erop ankomt, aan haar zeggenschap onttrekken kan. Het succes van het heden mag ons de oogen niet verblinden. Wij behooren nuchteren en wakende te zijn. Wij zijn nog ver af van eene Gereformeerde maatschappij en van een Gereformeerden staat. Het blijft ook heden ten dage nog: niet vele edelen, en niet vele rijken en niet vele machtigen.

En daarom zullen wij onze hope voor eene School voor Gereformeerde wetenschap niet bouwen op eene schare, die misschien uit staatkundige redenen een tijdlang met ons optrekt, maar op den kring van dat volk, dat in oprechtheid des harten de vreeze des Heeren als het beginsel van alle wijsheid belijdt. In de kerk van onzen Heere Jezus Christus, in het hart der gemeente, in het gebed van het volk Gods zal eene School van wetenschap nu en nog meer in de toekomst haar vasten bodem moeten zoeken en vinden; anders zal zij niet bestand blijken te zijn tegen de stormen, die tegen haar, naarmate zij beslister en krachtiger optreedt, van alle zijden zich verheffen zullen.

Maar al is dit onze vaste overtuiging en al zullen wij, de School verlatende, die straks in een anderen kiing gestand blijven doen en met warmte verdedigen — dat neemt toch niet weg, dat wij als Gereformeerde belijders aan eene Theol. School niet genoeg hebben en met zulk eene School niet tevreden mogen zijn. Zoolang het gaat over het verband tusschen de kerken en hare opleidingsschool, zal men ons altijd vinden aan den kant van hen, die in den tegenwoordigen tijd de kerken zoo vrij mogelijk willen houden van allen invloed en macht, welke buiten haar staat. Maar zoodra het beginsel in het geding komt, was steeds en is nog terstond onze keuze bepaald. Wij mogen dan de verantwoordelijkheid niet op ons nemen, wij mogen zelfs den schijn niet op ons laden, dat wij, voorzoover het ons gegeven is, de kerken zouden willen brengen in een richting, die met de katholiciteit van ons Christelijk geloof, met het nationaal karakter van onze Gereformeerde belijdenis, met onze hedendaagsche roeping, met het heil der kerken, met den eisch der wetenschap, met het belang ook van onze studenten in strijd is. Op zichzelf had de School te Kampen zeer goed kunnen uitgebouwd worden tot eene universiteit. Maar zij heeft, helaas, haar tijd voorbij laten gaan; trots alle bezwaren, is zij steeds te Kampen gevestigd gebleven; van verplaatsing, van verbetering, van uitbreiding is er thans geen sprake meer. En toch, indien het daar niet toe komt, derft zij steeds meer den zegen, dien zij tot dusver verspreid heeft en komt ten slotte in den hoek van het krachteloos conservatisme te staan.

En nu is de Vrije Universiteit zeker nog klein van kracht. Zij is nog nauwelijks meer dan eene Theol. School met een aanhangsel. Het is de vraag, of zij ooit eene eenigszins complete universiteit worden zal. Maar ook al zou dat niet het geval zijn, al zou zij het in de eerste tientallen van jaren slechts kunnen brengen tot eene matig bezette theologische, litterarische en juridische faculteit, dan zou zij toch ons aller steun verdienen. Van een kleinen kring van mannen, die saam in éénen geest, zij het ook slechts een klein gedeelte der wetenschap beoefenen, kan zulk eene groote kracht in heel het land uitgaan. Dat wordt nu reeds door de Vrije Universiteit bewezen. Maar dat zou nog veel sterker het geval kunnen zijn, wanneer Theol. School en Theol. Faculteit vereenigd waren en alle belijders van de Gereformeerde waarheid zich eendrachtig schaarden rondom de ééne School. Dan kon vandaar een rijke zegen uitgaan over al onze kerken, over heel ons land en ons volk, over alle terreinen des levens. En opnieuw zou aan de wereld het heerlijke scTiouwspel vertoond kunnen worden, dat het dwaze Gods wijzer is dan de menschen en dat het zwakke Gods sterker is dan de menschen. In Christus toch, die het Hoofd der gemeente is, zijn alle schatten verborgen van wijsheid en kennis. In hem woont al de volheid Gods lichamelijk.

Ook wij wenschten van harte, dat nog de oogen mochten opengaan ook bij de kerken der scheiding voor het gevaar, dat thans de school bedreigt, en met aller goedkeuring het Arnhemsche besluit kon uitgevoerd worden. Want waarlijk, de profetie, die Prof. Bavinck van de toekomst der school geeft, is niet met te donkere verven geteekend :

Want wat zal, menschelijker wijze gesproken, het gevolg zijn, als de School in haar isolement te Kampen gehandhaafd blijft? Dit, dat zij langzamerhand en in steeds meerdere mate ophoudt, dien zegen te verspreiden, welke tot dusyer van haar voor alle kerken uitgegaan is. De stroom des levens, ook van het kerkelijk leven, gaat haar voorbij, en zij zelve blijft als een verlatene op den oever staan. De kerken toch zijn in haar groote meerderheid niet tegen haar gekant, maar wel tot hare vereeniging met de Theol. Faculteit geneigd. De minderheid, die haar liefheeft en steunt, slinkt van'jaar tot jaar Als zij zelfstandig haar bestaan wil voortzetten, moet zij, om niet te gronde te gaan, tot maatregelen de toevlucht nemen, die met haar eere en waardigheid in strijd zijn. Zij komt dan, waar zij niet wezen wil, en waar zij naar haar oorsprong en geschiedenis niet wezen mag.

Daarom is naar ons oordeel niet hij de rechte zoon der Scheiding, die voor het onveranderd behoud van het bestaande pleit; maar deze is het, die als een wijs man op de teekenen der tijden let en de School weet aan te passen aan de nieuwe toestanden, waartoe het voorzienig bestuur des Heeren ons in de laatste vijfentwintig jaren in ons vaderland gebracht heeft. In die met de Theol. Faculteit vereenigde School zet dan de historie der Scheiding, het in zake opleiding en theologie verkregen recht der kerken, de zegen der waarheid voor alle kinderen van Gereformeerden huize zich voort. Zoo wint de School weer

de liefde van alle kerken. Zoo herneemt zij de plaats, welke zij thans gevaar loopt te verliezen, maar die zij oorspronkelijk in de Gereformeerde kerk van deze eeuw heeft ingeno men en die haar wettiglijk toekomt. Zoo kan zij, onder de leiding des Heeren, in haar nieuwt gedaante voor kerk en vaderland nog tot een rijkeren zegen worden gesteld, dan haar tot dusver beschoren was.

Of deze ernstige roepstem baten zal?

Eerlijk gezegd, de teekenen der tijden staan er niet gunstig voor.

Er zijn oogenblikken in het kerkelijk leven, waarop God de Heere de gelegenheid geeft om tot een goede oplossing te komen.

Het heden der genade.

Maar wie dat Zieden ongebruikt laat voorbijgaan, heeft het aan zich-zelf te wijten, wanneer hij straks door de stuw kracht der omstandigheden wordt voortgedreven op een weg, dien hij zelf niet begeerde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 november 1902

De Heraut | 4 Pagina's

Blijven of heengaan?

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 november 1902

De Heraut | 4 Pagina's