„Behalve wat ik zie, leer Gij mij.”
Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik !al het niet meer doen ? Job 34 : 32.
De kennis, die ge van uzelven, of wilt ge, van uw inwendig bestaan hebt, verschilt naar herkomst. Een deel van die zelfkennis gaardet ge zelf op, een ander deel ontvingt ge van uw God.
En vraagt ge nu, waarin die twee deelen van uw zelfkennis verschillen, begin dan eens met op dit onderscheid te letten, dat ge de kennis van v/at er goed aan u is, vlijtiglijk zelf pleegt saam te lezen, en dat daarentegen het kwaad, dat in u schuilt, u bijnjrattoos getoond en herinnerd moet worden door uw God.
Reeds bij een kind merkt ge dat. Prijs, dien het krijgt, gaat er gaaf in en blijft zitten; maar als het berispt wordt, verzet het zich, gelooft het niet dat het verkeerd deed, en speelt het er over heen. En dit neemt dan pas een keer, als in het kinderhart de conscientie wakker wordt en God zelf het kind onderwijst in zijn zeltbeschaming..
Op later leeftijd gaat zulks wel meer bedekt, maar toch feitelijk evenzoo toe. Men heeft dan het hart niet zoo op de tong als in de kinderjaren ; sommigen slagen er zelfs in, al wat in hen omgaat voor anderer oog onleesbaar te maken ; maar nauwelijks ontdekt het persoonlijk leven zich voor het vriendenoor, of men komt altoos weer bij hetzelfde resultaat uit: er is een deel zelfkennis dat we met voorliefde zei ven verworven hebben, maar ook een ander deel dat we zelven allicht verwaarloosd hadden, '•laa'" dat ons met harde lessen in de conscientie geleerd is door onzen God. Een verschil, dat daarom veelal zoo sterk uitkomt, omdat we meest beginnen met dit conscientie-onderwijs niet alleen niet te zoeken, maar het zelfs niet te willen, en we er eerst in berusten en er ons bij neerleggen, als God het tegen onzen wil ons inprent.
En zoo blijft het bij meer dan één tot zijn dood toe, dat God hem aldoor die zelfkennis, het zij met eerbied gezegd, moet opdringen en dat hij er niet aan wil; ja, dat hij, sterker nog, telkens en telkens het er weer op toelegt, om een deel van wat God hem aangaande zichzelven leerde, van zich te werpen, door het te vergeten.
Toch zijn er ook anderen, mannen en vrouwen, wien het in oprechtheid om heldere zelfkennis, of wilt ge, om de waarheid met opzicht tot hun eigen persoon te doen is. Nathanaels, die den vleier nooit lokken, maar verjagen, die het valsche beeld, dat ze van zichzelven in den spiegel zagen, haten, en die niet rusten kunnen eer ze zichzelven kennen zooals ze waarlijk be staan en zijn. Bij hen is er, als Göd in de conscientie spreekt, een willig luisterend oor. Ze verstaan die les van God in de conscientie als een waarschuwing, en ze doen er hun profijt meê.
En voegt zich hier hoogere genade bij, dan gaat het nog verder; dan legt men niet alleen het oor willig te luisteren als God spreekt, maar dan zoekt men die les van God in de conscientie, en komt zoo tot de diepzinnige bede: j, Behaive wat ik zelf zie en in mij ontdek, leer Gij mij, o, mijn God".
Nu vindt ge die twee deelen van onze kennis op elk gebied. Aldoor eenerzijds een deel dat we zelf opzamelen, en anderdeels kennisse die God ons toebrengt.
Zien is waarnemen, en gemeenlijk noemen we daarom dit eerste deel van onze kennis de kennis die op waarneming gegrond is. Maar daarnaast staat een ander deel kennis, waartoe de mensch nooit uit zichzelf zou gekomen zijn, en die God hem onderwees.
Dat ziet ge aan de kennis der menschheid in het gemeen.
Overal en alle geuwen door neemt de mensch waar, doet ervaring op, onderzoekt, verrijkt zijn ondervinding, en komt zoodoende onder alle natiën tot zekere kennis van de natuur en van het leven, en doet met die kennis zijn winste.
Het ééne volk toont daarbij scherper oog en fijner oor, hooger vindingrijkheid en meer volharding te hebben, en brengt het daarom in ontwikkeling verder; maar in hoofdzaak is en blijft al deze kennis gelijksoortig. Ze rust op wat de mensch ziet. Ze is gegrond op waarneming. Ze is door nadenken ontwikkeld.
Maar daarbij komt nu een heel andere kennis, die God rechtstreeks geeft, en dat wel op tweeërlei wijs. In de eerste plaats door onder een volk genieën te doen opstaan, en in de tweede plaats door ontdekkingen te schenken. Genieën toch zijn scheppingen van God, die Hij aan een volk geeft, 'en het is door deze geniale personen, dat onze menschelijke kennis ver diept en verrijkt is in een mate, zooals ze zonder die genieën nooit verrijkt of verdiept zou zijn.
En evenzoo staat het met de groote ontdekkingen, waarin altoos een mysterie is; ontdekkingen die, zonder dat men het eerst vermoedt, welhaast een geheel nieuw terrein van kennis voor ons ontsluiten, en die te danken zijn aan wat het ongeloof noemt het toeval, maar die wie gelooft in dank verklaart uit Goddelijk bestel.
Ook hier dus, behalve de kennis die wij menschen krijgen door wat we zien, een andere ken nis die ons deel wordt, omdat God te ons toont en leert.
Hier komt nu nog iets anders bij.
Als er in den mensch en in een volk een ideaal streven te bespeuren valt, is dat hooge bedoelen een der krachtigste drijfveeren, die naar waarheid en naar kennis uitdrijven.
Mist iemand dien idealen zin, dan kan er daarom wel dorst naar platte, stoffelijke kennis zijn, maar de kennis van het hoogere in ons jnenschelijk leven laat hem koud enonversehU-lig. Een geldwolf is uitgeslapen in de kennis die hem woeker belooft; maar wat bekommert of bekreunt zulk een goudslaaf zich om de hoogere kennis van het edeler deel van ons menschelijk leven ? Even weinig als de doove om de wondere scheppingen van een Bach, of een blinde om de kunstproducten van een Rafael of Rembrandt.
Dat gaat door bij een enkel persoon, het gaat ook door bij een volk.
Mist een volk dien idealen zin, dan verzinkt het in materialisme en in zingenot, en sluit zich af voor alle hooger leven. Het komt zelf niet verder en kan op andere natiën niet verrijkend inwerken. Ten deele gaat het zelfs achteruit, en trekt vaak andere volkeren in die inzinking mede.
Zelfs kan dit in de ééne eeuw bij hetzelfde volk van de andere eeuw verschillen. In de zestiende eeuw stond Nederland in idealen zin hoog, en heeft het bezielend op heel West-Europa gewerkt; in de achttiende eeuw daarentegen zonk het in en heeft in niets de andere natiën gezegend.
En dit nu, of zulk een ideale zin in een volk krachtig en bezielend werkt, hangt aan God.
Doet Hij den adem van zulk een hooger be doelen over een volk uitgaan, dan begint het voor hooger doel te leven, en wordt verrijkt met de kennis van ons edeler aanzijn. Neemt Hij dien adem weg, dan verstompt het en gaat die edeler kennis te loor.
God kan een volk in idealen zin tot zich trek ken en het iets van de warmte van zijn eigen Goddelijk leven meedeelen; maar Hij kan ook zich van een volk terugtrekken, het aan zich zelve en in een verkeerden zin overgeven, en onverbiddelijk boet het dan alle hooger en edeler kennis in.
En zoo komen we ook hier weer tot dezelfde uitkomst. Er is een deel van onze kennis, die we rondom ons ziende en waarnemend, in eigen macht hebben; maar er is ook een deel van menschelijke kennis, en wel een kennis van hooger en edeler orde, die God alleen zelf aan een volk leert.
Breng dit nu op uzelven, op de enkele personen terug, en ge voelt aanstonds, dat de kennis die God u toebrengt, volstrekt niet uit sluitend uit de conscientie opkomt, maar heel anders, en op veel breeder schaal nog, u toekomt, deels uit Gods bestel, deels uit den band dien Hij aan uw geest wil aanleggen.
Ge moogt uit uw ouders geboren zijn, en veel van hen in uzelven terugvinden, toch blijft die u schiep de Heere, en is de formatie van uw persoon, met uw aanleg, uw inborst en uw overwegende neiging Zijn werk.
Is het alzoo, dat ge een dorst naar hooger kennis en een vatbs - .rheid voor edeler weten, in uzelven ontdekt, dan is de drijving, die daaruit geboren wordt, een drijving in u van Gods Geest, en verkrijgt ge de vrucht der kennis die u hierdoor toekomt, niet door uw waarneming, maar dank zij de hoogere aandrift die Hij in u wekt en gaande houdt. Omstandigheden werken hiertoe evenzoo mede. U kan een vriend geschonken worden van hooger karakter die u optrekt; ge kunt ervaringen en ontmoetingen hebben, die u prikkelen tot hooger nadenken; er kan u plichtsbetrachting, bitter verdriet of hooge verantwoordelijkheid zijn opgelegd, die u ongemeen veel verder brengen; en wederom is het God alleen die dit alles voor u en over u gehengde.
Maar bovenal, ge kunt in u voelen opkomen een sterk trekken van God zelf, dat de Heere u geen rust laat, dat Hij u loswikkelt uit uw aardsche nietigheden, en u innerlijk op mystieke wijze vervult met een Goddelijke aandrijving, die u dwingt en noodzaakt, om u te bekommeren om de hoogere dingen des levens, u daarin rijpen doet, en u telkens weer verrijkt.
En is dit zoo, dan zijt niet gij het, die u zelven aldus tot God hebt opgeheven, maar dan is het God die u aldus tot zich optrok. U wel, een ander niet alzoo. Waarom u en niet dien ander? Mysterie. Wij weten het niet.
Maar het feit blijft niettemin, dat ge ook alzoo de twee deelen van uw kennis bezit. Behalve wat ge dankt aan eigen zien en waarnemen, dat andere en hoogere, dat God u heeft geleerd.
Het rijkst ontplooit zich dit, indien er in uw ziel hooger genade werkt.
Niet alsof elk begenadigd kind van God reeds daarom tot zoo hooge kennis voortschreed. Ook hier is zeer onderscheidene bedeeling. Er zijn geloovigen, die bijna elk vermogen missen om door te dringen in de mysteriën des hoogeren levens. Er zijn er die het mystiek doen langs den gevoelsweg, maar die in kennis arm blijven. Er zijn er ook, die wel rijke Tcennis verwerven van den weg der zaligheid, maar zonder dat de hoogere, edeler kennis van het menschelijk leven hun belang inboezemt. Maar er zijn er ook, en dat is het heerlijkste, die, warm van gevoel, mystiek rijk, en in kennisse der zaligheid van klaar en helder inzicht, nu bovendien tot die innerlijke ontplooiing komen, die hun kennisse tot de edeler deelen van ons menschelijk weten uitbreidt, en hen niet alleen diep religieus, maar ook van hoog idealen zin doet zijn.
Dan staat zulk een op den top van den berg van Gods heiUgheid. Een licht als boven het licht der zon gaat aan zijn gezichteinder op. En zijn kennis wordt de kennis der volmaakten.
Doch juist dan is er het diepst besef van volstrekte afhankelijkheid en een dorst naar altoos meerdere kennis.
Een dorst, die zich in de bede van Gods kind uit, en het in heilig heimwee voor zijn God doet uitroepen:
o, Mijn God, behalve wat ik zelf zie en ontdek, leer Gij mij, leer Gij mij altoos meer in uw heilige gemeenschap.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 9 november 1902
De Heraut | 4 Pagina's