Professor Biesterveld.
De benoeming van Professor Biesterveld maakt nog altoos een onderwerp van debat uit in onze kerkelijke bladen.
Verkwikkelijk is zulk een debat niet. Alle publieke bespreking van personen heeft een zeer onaangename zijde en leidt zoo licht tot een naar buiten dragen op de straat van wat alleen in de binnenkamer hoort.
Waar men eenerzijds der Vrije Universiteit er een verwijt van maakt, dat zij Prof. Biesterveld benoemde voor een katheder, die reeds sinds 1899 bezet was, en daarom van oordeel is, dat althans deze benoeming geheel overbodig was, tracht men aan de andere zijde soms met niet al te juiste argumenten de wettigheid en noodzakelijkheid ook van deze benoeming te verdedigen.
Op zichzelf is de opmerking volkomen juist, dat aan de Vrije Universiteit een Hoogleeraar voor de Ambtelijke vakken was aangesteld en daarom een benoeming voor dezen katheder niet even noodig was als voor het onderwijs in de Dogmatiek.
Dat Directeuren desniettegenstaande tot deze benoeming overgingen, vond in tweeërlei zijn oorzaak.
Vooreerst hierin, dat Prof. Biesterveld, die bij zijn benoeming aan de School te Kampen op wetenschappe ijk gebied nog een homo ignotus was, sinds dien tijd door de werken, die hij over Calvijn en Hyperius schreef, door zijn populaire studie over het Huisbezoek en zijn oratie over de Catechese blijk gaf, een rijk talent van God den Heere juist voor deze vakken ontvangen te hebben. Metterdaad was zijn overkomst van de Theologische School naar de Vrije Universiteit dus een aanwinst. En f gelijk werd daardoor aan Prof. H. H. Kayper de gelegenheid geschonken, zich geheel aan de beoefening der kerkhistorie te wijden, welke studie blijkens zijn inaugureele oratie de voorliefde heeft van zijn hart. Aan Prof. Kuyper werd dan ook in verband met deze benoeming thans als hoofdvak de kerkhistorie opgedragen, niet alleen van de Vaderlandsche kerk, maar ook van de Christelijke kerk in de eerste eeuwen van haar bestaan.
En in de tweede plaats waren Directeuren van oordeel, dat de exegese van het Nieuwe Testament meer dan tot dusverre een hoofdvak moest worden. Prof. Geesink, die dit ollege tijdelijk waarnam, had door zijn vele ollege's in de Theologische en Litterarische aculteit geen gelegenheid zich geheel aan eze studie te wijden. Waar het onderwijs n de Ambtelijke vakken betrekkelijk niet ulk een omvangrijke studie vordert, mocht e hope gekoesterd, dat Prof. Biesterveld ijn volle kracht ook aan de exegese geven kon n daardoor ook dit vak tot zijn eere zou omen. Voor onze a.s. Dienaren des Woords s goede uitlegging der H. Schrift een der erste vereischten en reeds lang was daarom oor Deputaten der Gereformeerde Kerken op ervulling van dezen katheder aangedrongen.
Deze beide motieven zijn volkomen voldoende om de benoeming van Prof. Biestereld te verklaren. Bij de ofïïcieele voordracht van de Theologische faculteit, ie door Curatoren is overgenomen en door Directeuren is bekrachtigd, zijn geen andere motieven genoemd. Al wat men er meer achter zoekt, is met de werkelijke toedracht der feiten in strijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 9 november 1902
De Heraut | 4 Pagina's