„Mijn eenzame.”
Red mijne ziel van het zwaard, mijne eenzame van het geweld des honds. Psalm 22- 2I.
De eenzaamheid kan maatstaf zijn, zoo ge let op de uitwerking die ze heeft op iemands gemoed.
Het sterkst komt dit uit bij een klein kindeke, dat in de eenzaamheid bang wordt en vanzelf gaat schreien. Maar zij het ook minder sterk, toch teekent het zoeken of mijden der eenzaam heid /ich ook bij veel volwassenen scherp genoeg af, om uit hun minnen of mijden van de eenzaamheid iets omtrent hun karakter af te leiden.
Of is het niet zoo, dat er zijn, die als ze slechts even kunnen, alle drukkere omgeving vlieden, om zich io de eenzaamheid bijna te verschuilen; en dat er omgekeerd anderen zijn, die in de eenzaamheid zich beklemd gevoelen, en eerst weer op hun dreef komen, als ze inet anderen saam zijn.
Naar drieërlei kant teekent dit zich af. Het duidelijkst al naar het hart koos bij den tweesprong van goed of kwaad. Orn het kwaad te doen schuil! en verbergt men zich. In den i)-.cbt werkt de booze. Maar als het kivaad ijedaan is en de conscientie klopt, werkt de eenzaamheid benauwend, en zoekt men afleiding in anderer bijzijn.
Minder teekenend, maar toch kennelijk genoeg, komt het minnen of mijden van de een zaamheid uit in het verschil tusschen zinniger of bediijviger aanleg. De een leeft meer inwen dig, zint en peinst en voelt diep; de ander leeft uitwendig, draaft en slaaft en houdt er van, zijn druk-en bezig zijn aan anderen te toonen. Zelfs bij geheele volken teekent zich dit onderscheid. Bij het éene volk leeft men binnenshuis, bij het andere, als het even kan, op straat; een onderscheid veelal door klimaat en natuur nog verscherpt.
En eindelijk in de derde plaats scheidt zich dat zoeken of schuwen van de eenzaamheid af in het bewustzijn van bezit óf van gemis aan kracht. Verlegen, onhandige, innerlijke laffe naturen zijn schier bang om in gezelschap te komen en trekken zich met neergeslagen oogen terug; en omgekeerd, wie flink, krachtig en met moed bezield is, houdt ervan, zijn stem in anderer oor te doen weerklinken'en m*t het eigen oor anderer stem op te vangen.
Het is zoo, er komt nog meer bij. De een zaamheid is gemind door den man van studie; ze lacht den oude van dagen meer dan den man in zijns levens vaag toe; en ook wie zwak van hoofd is of overgevoelig van zenuwen, huivert terug voor te veel drukte om zich heen; doch dit alles komt voort uit bijkomende oorzaken, en is geen maatstaf voor karakter of zielsbestaan.
En juist in verband met dat laatste nu treft het, dat de Psalmist tot tweemaal toe, èn in den lijdenspsalm van het geprofeteerde Goigotha, èn in het klaaglied van Psalm 35 zijn ziel zelve de eenzame noemt: Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds", in Psalm 22 : 21; en bijna gelijkluidend in Ps. 35 : 17 : „Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijne eemanie van de jonge leeuwen."
Uw ziel is: uw eenzame.
Dit spreekt de kostelijkheid uwer ziel uit. Voor een ouderpaar dat slechts één kind heeft, is dit eenzame kind dierbaarder dan een uit een zevental waarin eens nder mag roemen. Sterft dit eenzame kind, dan sterft het geslacht uit en is de leveus-lijn van dat ouderpaar afgesneden.
Toegepast op de ziel staat uw ziel tegenover uw goed, tegenover uw lichaam. Hoe ge ook gehecht zijt aan uw goed, \oor dat goed, ging het teloor, is ander goed te verwerven, en al zinkt eens uw lichaam in de groeve weg, straks kunt ge verrijzen in het vei heerlijkte lichaam in de glorie van uw Heiland,
Maar zoo is het met uw ziel niet. Uw ziel is uw eenzame. Ze kan niet vervangen worden. Gaat ze verloren, dan b'ijft ze verloren eeuwig-.ijk. En dat is het waarom Jezus ons zoo zieldoordringend waarschuwde: Vreest niet voor wie het lichaam ddodt, maar vreest veeleer hem die uw ziel kan verderven, ja, zeg ik u, vreest dien. Alle verlies is te herstellen, alleen het verlies van „uw eenzame" niet.
En daarom scheidt zich het bewustzijn van uw ik bier van uw ziel af. Gij, menschenkind, die uzelven beschouwt, die over uzelven nadenkt, gij vindt om u die drukke, bezige wereld, gij vindt om u het bouwvallige, zienlijke lichaam, dat groeit en blceit of krank is en verkwijnt. Maar ge hebt nog iets anders in u, verborgen in uw inwendig wezen, en dat verborgene, dat „eenzame" daarbhinen schuilende, dat is uw ziel, uw eenzame, dia ge zult liefhebben, en die ge eens bij uw sterven aan uw God in eere en heiligheid zult teruggeven, omdat ge die ziel van Hem en van Hem alleen ontvingt.
Doch juist daaruit ontwikkelt zich dan ook het besef, dat uw ziel eenzaam in uw binnenste verkeert.
Zeker, uw ziel is genaakbaar voor de wereld en de v/eteld is genaakbaar voor uw ziel.
Ge ontvingt zintuigen van uw God, die, als zoo vele vensters, u in de wereld doen uitzien en met die wereld gemeenschap doen hebben. Ge hebt een gevoel en een medegevoel van uw God ontvangen, waardoor gij, ook al is niemand bij u, met anderen meeleven kunt, met anderen kunt jubelen op verren afstand, en zoo ook om anderer leed kunt lijden. Ge hebt van uw God de sprake ontvangen, waardoor uw ziel zich kan \iitspreken, en anderer ziel zich kan uitspreken voor uw oor. Die sprake is allengs in schrift geboekstaafd, en dank zij die heerlijke uitvinding, die onze God ons schonk, kan uw ziel gemeenschap hebben met het voorgeslacht dat wegstierf, of met tijdge nooten die ge nooit hebt ontmoet. Ge hebt, niet het minst in u, een besef en wetenschap van een hoogere wereld daarboven, die het u kan maken, alsof de engelen Gods op u nederdaalden en van u opklommen. En wat het allerhoogste is, ge hebt voor uw ziel een poorte in uw hart, waardoor (rod tot uw ziel kan naderen, en uw ziel kan uitgaan tot uw God.
Maar niettemin blijft bij dit alles uw ziel zelve van die wereld, \an die natuur, van die medemenschen, van die engelen en van uw God onderscheiden, en in zekeren zin afgescheiden; en zoo nu op zichzelve genomen, is uw ziel in u uw eenzame, die iets is en iets heeft, wat eenig en alleenlijk liet hare blijft, en ten opzichte waarvan de eenzaamheid daarbinnen nooit kan verbroken worden.
Tweeërlei nu alt hier voor.
Of de ziel is te eenzaam, óf wel de ziel is in haar eenzaaml eid te weinig aan u zelve bekend.
Te eenzaam is uw ziel in u, als ge verlaten wordt door wat tt steunen en u verzeilen moet. En dat is die eonzaamheid der droefenisse en der verlaten'^eid, die drukt en benauwt.
Uw ziel is aatigelegd op sympathie, op medeleven, op het winnen en geven van vertrouwen, op het zijn van mensch onder menschen, en op het uilslaan van de vleugelen in een sfeer v; in vrede en geluk.
En als die u niet ten deel valt, als haat u afstoot en laster u vervolgt, insteê dat liefde u trekt en sympathie u verkwikken zou, dan trekt uw ziel zich schril en huiverend in zich zelve terug, en hm zich niet uitstorten en niet uitspreken, en kwijnt, in zichzelve opgesloten, in weemoed en verdriet.
Of ook als het geluk des levens u ontvliedt, en zorge u hart toenijpt, en slag op slag u treft, en de gezichtseinder zich steeds meer om u toetrekt, dat het uitzicht zich verdonkert en de ster der hope zich achter steeds dikker wolken terugtrekt, — dan wordt uw ziel in drukkende verlatenheid op zichzelve teruggeworpen, en hijgt uw eenzame zit.l naar lucht, en doet Satan soms tot de gedachte aan zelfmoord in u sluipen.
Maar evengoed als de ziel benepen en benauwd kan worden door te bange eenzaamheid, evenzoo kan uw ziel schade lijden zoo haar een zaamheid niet door u op waarde wordt geschat het gewoon gevolg van een oppervlakkig, onnadenkend, aan allen ernst gespeend bestaan.
Dan y/ordt de ziel nooit m haar eigen, eenzaam, zelfstandig bestaan gekend noch geëerd. Dan moet het lustelooze afleiding en altoos verstrooiing zijn. Nooit een inkeeren in zich zelf, nimmer C' n saam voegen van zijn ziel tot stille gedachten, nooit een zoeken van uw ziel om uw ziel zelve, maar de ziel altoos gejaagd, aldoor dienende haar omgeving, en nooit lot ruste, innerlijken vree en zelfonderzoek komend.
En zoo ziet ge feitelijk in de wereld om u heen de kinderen der menschen in tweeërlei strooming uiteengaan. Eenerzijds de ellendigen en bedruliten van ziel in innerlijke eenzaamheid verkwijnend, en anderzijds de lachende, altoos bezige, drukke en zich veruitwendigende menigte, die noch ooit de eenzaamheid zoekt, noch ooit der eigen ziel in haar eenzaamheid gedenkt.
Tegen dat te veel en tegen dat te weinig in de eenzaamheid der ziel nu is ons slechts één medicijn geboden, en dat medicijn is het inkomen in de eenzaamheid onzer ziel van de gemeenschap onzes Gods.
Ook in onze ziel is een heilige der heiligen, een heilige en een voorhof. De wereld nu komt nooit nader tot onze ziel dan in den voorhof Daar blijft ze staan, en van hetgeen dieper in onze ziel ligt, merkt en verstaat ze niets.
Dieper door dringt intieme, geestelijke vriend schap. Een kluine kring van enkelen om ons heen, die ons beter verstaan, helderder door gronden, en c tardoor zooveel inniger steunen en vertroostei kunnen. Maar toch, tot in het heilige der h( ligen dringen ook zij niet door. Nog altoos blijft er een diepe achtergrond over, waar'ook zij niet binnen komen, en waar de ziel in u geheel eenzaam blijft.
Er is er maar Een, die ook in dat heiligste en intiemste van onze ziel kan binnendringen, en dat is God de Heere door zijn Heiligen Geest.
En daarom is Hij het alleen, die onze eenzaamheid in ons ten volle breken kan, om te troosten wie als met banden des doods bekneld is, en om de ziel te redden van wie in de wereld zich zelven verstrooide.
Nu komt het voor, dat onze God u in uw ziel opzoekt, om tot u in tekeerenirw dan weer u te verlaten.
Maar er is ook een belofte van Jezus, dat de Vader tot onze ziel wil komen, om woning in ons te maken.
En dat nu is het hoogste, dat is het heiligste: De inwoning van den Vader, die in het ver borgen de eenzaamheid uwer ziel overwint.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 december 1902
De Heraut | 4 Pagina's