Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De Regeering en de Zending.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Regeering en de Zending.

6 minuten leestijd

Amsterdam, 23 Jan. I903.

Onze warme Zendingsvriend, de heer W. Hovy, heeft het begrootingsdebat in de Eerste Kamer niet laten voorbijgaan zonder opnieuw bij de Regeering voor de belangen der Zending te pleiten.

Dat hij hierbij niet ten onrechte op den steun rekende van den Minister van Koloniën blijkt uit diens helder en krachtig antwoord:

De roeping van het moederland tegenover de kolonie heeft haar geestelijke en haar stof felijke zijde. De geestelijke zijde betreft de verplichting om de inlandsche volkeren gaandeweg op te leiden tot dien hoogeren trap van cultuur dien het moederland heeft bereikt. De stoffelijke zijde betreft het beheer van het materieel bezit, van het stoffelijk goed van die volkeren te hunnen meesten nutte.

Nu is door de geachte afgevaardigden uit Noordbrabant en Zeeland met name ter sprake gebracht die geestelijke zijde van onze roeping. Waar nu onder de westersche volkeren zich gaandeweg meer verschil openbaart omtrent de vraag, welke is de aard van onze cultuur, welke zijn de grondslagen waarop zij zich heeft ontwikkeld, en welke zijn de middelen waardoor zij wordt bevorderd, kan het geen verbazing wekken dat men, de vraag stellende hoe wij de volkeren in onze koloniën zullen brengen tot dien hoogeren trap van cultuur, die vraag anders beantwoordt als men onzen trap van cultuur beschouwt als product van evolutie, als gevolg van vermeerderde kennis, dan wel, gelijk tot voor betrekkelijk korten tijd nog schier algemeen werd gedaan, als vrucht van het Christendom. En waar nu naar mijn overtuiging, die in deze geheel overeenkomt met wat steeds door de Christelijke partijen en ook door een groot deel van hare politieke tegenstanders is beleden, de grondslag van ons volksleven wortelt in het Christendom, onder ons maatschappelijk leven dus inderdaaad Christelijke grondslagen zijn gelegd, waaraan dat leven zijn hoogere ontwikkeling dankt, dan kan het niet anders of de vraag: hoe die volkeren op te leiden tot den hoogeren trap van cultuur dien wij bereiken, moet worden beantwoord met den wensch, dat daar onder het volksleven die zelfde grondslag worde gelegd die onze maatschappij draagt.

Dergelijke grondslagen kunnen echter niet meechanisch worden onderschoven, maar moeten organisch gevormd worden uit datgene wat in het centrum van het volksbewustzijn leeft, als de vrucht van godsdienstige overtuiging. Daarom achten wij de omzetting van dat bewustzijn uit de Heidensche-Mohamedaansche gedachtenwereld in die van het Christendom, een noodzakelijke voorwaarde voor de vervulling van de geestelijke zijde van onze roeping tegenover onze koloniën. Sterker — waar feitelijk voor een groot deel de geest de stof beheerscht, achten wij die omzetting van de gedachten wereld en het dientengevolge leggen van andere grondslagen onder dat volksleven, de nood zakelijke voorwaarde te zijn tot richtige vervulling van onze roeping in het algemeen.

Daarom wordt door mij de kerstening van Indië niet beschouwd als een soort vrome par ticuliere liefhebberij, maar als een zaak, die ook uit politiek oogpunt ten zeerste van be lang is.

Tot versterking van die stelling herinner ik nog slechts met een enkel woord aan het politieke gevaaar, jdat ligt in de uitbreiding en de krachtige organisatie van den Islam in onze bezittingen.

De erkenning dat de kerstening van Indie uit een politiek oogpunt een zeer gewenschte zaak is, sluit echter niet in, gelijk ik in de stukken gezegd heb, dat ik zou wenschen dat de overheid zelf propaganda voor het Christendom zou drijven.

Dit zou mijns inziens niet zijn een Christelijk, maar een Mahomedaansch standpunt. De overheid heeft niet de roeping om het Christendom te verbreiden; zij mist daartoe ook het orgaan. Bovendien, het eigenaardige van de overheid is, dat zij, waar zij optreedt, dit doet met dwingende macht, terwijl het juist in den aard en het wezen van het Christendom ligt om niet door dwang en geweld, maar door overtuiging in de conscientie te triomfeeren.

In de eerste plaats heeft, naar mijn inzien, de overheid in Indie den plicht om, als vertegenwoordigster van een Christelijk volk, bij ervaring de gezegende vruchten van het Christen dom voor het volksleven kennende, de inwerking van het Christelijk en Westersche initiatief op de inlandsche volkeren te steunen, voorna meiijk waar zich dit openbaart in het schoolwezen, in de geneeskundige behandeling en dergelijke.

In de tweede plaats mag, naar mijn inzien, van overheidswege geen onnoodig beletsel op den weg van den voortgang van het Christen dom worden gelegd. Terwijl in de derde plaats de overheid niet den schijn mag aannemen, alsof ons volk een godsdienstloos volk zou zijn. Êen overheid, die b .ar neutrali.eit in het godsdienstige zoo ver d oef, dat z\^ den schijn aannam alsof wij Christenen waarde toekennen aan Mahomedaansche of heidensche plechtigheden, en die dus het Christelijk standpunt van ons volk verloochende, zou daardoor allerminst haar invloed vermeerderen of haar prestige verhoogen.

En niet minder beslist liet de Minister zich uit over het beruchte Art. 123 van het Regeeringsreglement:

Een geheel andere vraag werd behandeld door den geachten afgevaardigde uit Zeeland, den heer Hovy, namelijk of art. 123, zooals het thans geredigeerd is, wel past in het Regeerings-reglement.

De meening hieromtrent verleden jaar door mij in de andere Kamer, toen als afgevaardigde, uiteengezet, ben ik nog toegedaan. Ik meen dat de geschiedenis leert, dat dit artikel geboren is uit wantrouwen jegens de zending, maar dat die geschiedenis tevens leert, dat de zending dat wantrouwen en de meening als behoefde zij preventief toezicht, schitterend heeft beschaamd. Het is mijn overtuiging, dat tegen de zending en zeker niet tegen de Christelijke zending, allerminst waar Mahomedaansche propaganda volkomen vrij gelaten wordt, niet preventief behoeft opgetreden te worden. De overheid kan zich veilig tevreden stellen met de bevoegdheid om reprwiief te handeren als dit noodig blijkt.

Mijn betreurde ambtsvoorganger had reeds deze zaak in studie genomen en aan een gewezen hoogleeraar opgedragen de bewerking van een voorstel tot herziening van verschillende artikelen van het Regeeringsreglement en daaronder ook art. 123. Deze opdracht is door mij gehandhaafd.

De klacht, dat ons Ministerie zich nog zoo weinig als een Christelijk Ministerie kennen deed, lijkt tegenover deze uitspraken toch wel eenigszins zonderling.

Of meent men dat een hberaal Ministerie ooit zoo beslist zou erkend hebben, dat de grondslag van ons volksleven wortelt in het Christendom en alleen door datzelfde Christendom een betere toekomst voor Indië te wachten is?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 januari 1903

De Heraut | 4 Pagina's

De Regeering en de Zending.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 januari 1903

De Heraut | 4 Pagina's