Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Buiteuland.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Buiteuland.

7 minuten leestijd

N.-Amerika, Isaac Adams.

Het spreekt wel van zelf, dat bet besluit van het Comité dat zich gevormd had om den arbeid van Dr. Isaac Adams In Perzië te steunen, in Amerika niet onbesproken blijven kon. Wij lezen over deze zaak in de Wachter:

„Toen Isaac Adams zijn doel niet bereiken kon In onze kerk, en het hem duidelijk geworden was, dat de weg in Amerika zoo goed als afgesneden was om zijne plannen ten uitvoer te leggen, is hij naar Nederland gereisd en heeft het daar zoover gekregen, dat eenige van de voornaamste leeraars zich er toe lieten vinden om een comité te vormen ter bevordering van zijn arbeid in Perzië.. We hebben hiervan indertijd mededeeling gedaan. Meer nog; eenige maainden geleden schreef Dr. Adams een brief in The Banner of Truth, waarin hij er melding Van maakte dat hij op trouwen stond, en dat hij na voltrekking van zijn voorgenomen huwelijk zich met zijne vrouw aan den arbeid der zending in Perzië zou wijden.

Wie met mij dit bericht las, en Mr. Adams een weinig had leeren kennen, toen hij bij ons In-en uitging, heeft zich ongetwijfeld met mij verwonderd, dat men in Nederland bij de vele uitgaven voor kerken, scholen en zending, ook nog in Perzië het werk van Mr. Adams ging steunen. En bij verwondering zeker gevoel van medelijden in het algemeen, en voor de familie, waarvan hij de dochter huwen zou, in het bijzonder."

Hierop laat dan de redactie de opmerking volgen, dat Dr. I. Adams ook in Nederland op 't end is, blijkens de bekende kennisgeving waarbij het comité, dat zich gevormd had om de zending in Perzië te steunen, verklaarde zich te ontbinden. De Wachter voegt er aan toe, dat het comité bestond uit hoogleeraren en uit naam hebbende leeraars in de Geref. kerken ia Nederland, en dat daaruit blijkt hoe de heer Adams het al ver gebracht had. Zijn huwelijk had de beurs van de goê gemeente kunnen openhouden. De redactie verblijdt zich dat dit alles nu Is verijdeld.

Met het oog op het bericht, dat de heer Adams aan het hoofd van 30 landverhuizers op weg naar Canada was, voegt de Wachter hier nog bij:

„In Nederland was een spreekwoord: een man met twaalf ambachten en dertien ongelukken. Mocht Adams zich soms weder bij onze gemeenten aandienen om geld; laat niemand zich bepraten. Wij weten nu al lang, dat wordt de thermometer geplaatst bij de liefde, welke Adams heeft voor het werk der zending, het kwikzilver niet stijgt maar daalt. Gelukkig dat de broederen In Nederland ook nog in tijds de oogen open kregen."

Eene zaak verwondert ons. En dat is de volgende:

Niet alleen is in Perzië een onderzoek in loco Ingesteld naar den arbeid van den heer Adams, maar men heeft ook informatiën in Noord-Amerika omtrent zijn persoon ingewonnen. Zoowel het eene als het andere heelt het comité, dat Adam's werk wilde gaan steunen, doen besluiten om zich te ontbinden. Hieruit Is af te lelden, dat de getuigenissen omtrent den heer Adams niet gunstig geweest zijn. Nu vragen wij: Waarom heeft men van uit Amerika niet voor hem gewaarschuwd, toen men van zijn optreden en voornemens in Nederland kennis kreeg? Een woord uit de nieuwe wereld, waar men den heer Adams had leeren kennen, had de kerkgebouwen van onze Gereformeerde kerken voor hem gesloten; één waarschuwing, om met dien jongen man voorzichtig te zijn, had uitgewerkt, dat de beurzen waren dicht gehouden. Voor den heer Adams zelven ware dit ook beter geweest.

Volgens ons valt er èn voor onze broeders In de nieuwe wereld èn voor ons, uit hetgeen er met den heer Adams voorviel, nog te leeren.

Hoe menige hulpbehoevende kerk in-ons vaderland klopt te vergeefs bij vele zusterkerken om steun aan. Men neemt de aanvragen om steun eenvoudig „voor kennisgeving" aan. Doch zie daar komt een Pers, hij wordt door onderscheidene predikanten ingeleid, nadat kerkeraden hem toestemming gaven, om van de kerkgebouwen der gemeente gebruik te maken. Zooveel haalt hij op, dat hij in staat is om een paar niet al te eenvoudige ameublementen aan te koopen en die naar Perzië te verzenden. Daarbij moet zijn beurs wel voorzien zijn geweest; want voor inkomend recht kon hij voor die ameublementen een som van / 900 betalen! Maar deze Pers verscheen ook voor de verzamelde schare meestal in Perzisch gewaad. Dit trok zoo, al bleek het ook, dat deze kleeding schier in het geheel niet meer in Perzië gedra-gen wordt. Na het dwepen met „prins" Pandian, is men vol enthousiasme geraakt voor den in prachtig gewaad verschijnenden Pers. Mtcndus vult decipi, zegt een Latijnsch spreekwoord;

de wereld wil bedrogen worden. Maar het schijnt wel, dat ook de kerk gemakkelijk te misleiden is, althans door iemand die uit den vreemde komt.

Bedroevend is hetgeen 'wij vernemen omtrent de leer van een drietal hoogleeraren aan de Union Theological Seminary van de Presbyteriaaiische kerk. Professor George William Knox leerde in een geschrift: „Het is vereischte, dat onze oude theologische beschouwingen van God ter zijde worden gezet, en dat wij allen komen tot wat genoemd wordt „Christelijke Godsvereering", of God als „het middelpunt van onze theologie, het voorwerp van onzen prijs en dienst, door Christus." Hieraan gaat deze uitdrukking vooraf: „Het vraagstuk van de Kerk moet niet gezocht worden in de groote vraagstukken van het verleden, in Calvinisme en Arminianisme, in Sacramenten en orden, in ritualisme en organisatie, in de leer der Drieëenheid en der Verzoening. Ook moet het niet gezocht worden in de quaesties, welke in de laatste jaren de gemoederen hebben beziggehouden; zooalsauthenticiteit en onfeilbaarheid der H Schrift, de ingeving en de openbaring. De vraag, die voor alle dingen op den voorgrond moet geplaatst worden, is deze: „Wat denkt gij van God."

Het is duidelijk dat deze hoogleeraar niet gelooft dat de Heere Jezus zijne kerk den anderen Trooster gezonden heeft, die haar in alle waarheid leiden zou. Aan hetzelfde euvel gaat zijn collega professor Mr. Gifïert mank, die zich voorstelt, dat hij het Theologisch onderwijs in den tegenwoordigen tijd zal kunnen „reconstrueeren". En hoe zal dat geschieden?

De leerstellingen waarmee de Kerk zich vroeger zoo druk maakte, moet men laten varen, en eene belijdenis opstellen waarin Christus het middenpunt is. De< : e belijdenis moet dan geen dienst doen om uit te maken wat als rechtzinnige leer tegenover allerlei ketterij te houden is, maar als eeii verklaring van het Christelijk streven of levensdoel.

De derde hoogleeraar die de kerk des Heeren in de nieuwe wereld reden geeft tot klacht, is Dr. Francis Brown, die een toespraak hield over „de Godsdienstige Waarde van het Oude Testament." Volgens Dr. Brown moet de vraag gesteld worden: „Kan aan de boeken des Ouden Testaments een Christelijk karakter worden toegekend? " De schrijver wil een middenweg bewandelen. Aan veel zou hij dit karakter willen toeschrijven; maar er zijn ook gedeelten, zooals „de geschiedenis van de uitroeiing der Kanaanieten, en de Psalmen, waarin de zanger zich verheugt over den ondergang der vijanden, " waaraan hij den naam van Christelijk niet wil geven. Alles wat in het O. Test., altijd naar zijne beoordeeling, „overeenkomt met de leer, het leven en den geest van Jezus Christus" mag als Christelijk en voor ons van waarde beschouwd worden. „Wat daarmee strijdt heeft voor ons geen godsdienstige waarde."

Deze aanstootelijke leer wordt verkondigd door mannen, die geroepen zijn om jongelieden op te leiden voor den dienst in de Presbyte riaansche kerken in N.-Amerika. Nu staan tegen over dit drietal, dat kennelijk gebroken heeft met de belijdenis der Presbyteriaansche kerk, wel drie andere mannen, die andere beschouwingen leveren. Maar het komt ons voor, dat wanneer dezen principieele tegenstanders waren van het bovengenoemde klaverblad, zij daarmede op den duur niet zouden kunnen samenwerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Buiteuland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1903

De Heraut | 4 Pagina's