Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Rede van prof. Woltjer.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rede van prof. Woltjer.

11 minuten leestijd

Prof, Woltjer heeft een goed werk gedaan met in de Eerste Kamer een lans te breken voor de vrijheid van het Christelijk Onderwijs.

Uit deze magistrae rede, die èn in de Kamer èn in de Pers indruk heeft gemaakt, nemen wij alleen het slot over, waarin over het Hooger Onderwijs gesproken wordt.

Na eerst getoond te hebben, hoe in ons land in de laatste jaren een verandering ten goede kwam en men tegenover het Christelijk onderwijs metterdaad een vrijzinniger standpunt is gaan innemen, wees hij er op, hoe alleen het Hooger Onderwijs in universitairen zin hierop een uitzondering maakt.

Of wij daarmede echter zijn, waar ik meen dat wij moeten komen, betwijfel ik. Ik verb'ijd mij, zooals ik zeide, in deze nieuwe richting, maar mijn blijdschap is gemengd met vreeze. Het zij mij vergund op dit punt eenigszins nader in te gaan.

Waarom vrees ik? Omdat er zijn zoowel onder de voorstanders van het openbaar, als onder die van het bijzonder onderwijs, die de consequentie van het beginsel willen laten doorgaan voor het lager en middelbaar onderwijs; voor het gymnasium desnoods ook, maar in geen geval voor de Universiteit. De Universiteiten moeten blijven in handen van den Staat en daarvoor worden verschillende gronden bijgebracht.

Ik meen, dat dit standpunt inconsequent is, in theoretisch opzicht, zoowel als wat betreft de praktijk, wat ik in het kort zal aantoonen.

Wanneer men strijdt voor een beginsel op sociaal, op kerkelijk, politiek of wetenschappelijk gebied, heeft men zeer veel gewonnen, wanneer men kan staan op den katheder aan een Universiteit. Daar heeft men onder zijn gehoor en onder zijn bewerking mannen — tegenwoordig ook vrouwen — die in het maatschappelijk leven vooraan \ zullen staan, die, ieder op zijn eigen wijze, later de leidslieden van het volk zullen zijn.

Wat op den katheder verhandeld wordt gaat van daar uit tot het geheele volk, eerst tot hen die in intellectueel opzicht het hoogste staan en door dezen naar de meer ontwikkelden; van daar daalt het af in de burgerkringen en komt eindelijk onder het volk in engeren zin. Hel gaat toch met den stroom op het gebied van den geest evenals met den stroom in het natuurlijk leven.

Groote rivieren ontspringen op de hooge, eenzame bergen: van daar gaat het water door middengebergte, middenvlakte, heuvelgebied en laagvlakte naar de groote zee.

Wie dus ijvert voor een beginsel en dit wil voortplanten of handhaven onder het volk, moet zorgen dat hij universitair onderwijs kan geven, want, ook zonder dat hij zich daarop in het bijzonder toelegt, zal dan van bovenaf de stroom van het beginsel doorwerken tot de lagere rangen in de maatschappij. Dit is zeer natuurlijk en ligt in den aard van de Universiteit.

Onder alle scholen immers zijn de Universiteiten die scholen, waar het onderwijs uit den aard der zaak het diepst kan gaan. Bij dat onderwijs komen de beginselen ter sprake, welke dikwijls niet, althans niet in denzelfden zin, bij het gymnasiaal, middelbaar of lager onderwijs ter sprake komen.

De groote religieuse, philosophische en wetenschappelijke quaestiën kunnen bij het universitair onderwijs niet op zijde gezet worden, of men moet het van zijn innerlijke kracht willen berooven.

Ik zeg niet dat dit niet gebeurt, want niet iedereen die tot universitair onderwijs geroepen is, heeft zelf genoeg philosophischen aanleg of steeds genoeg lust om in de diepte van het beginsel door te dringen.

Ik sprak van beginselen in het algemeen En nu zal men mij moeten toestemmen — en de practijk leert dit ook — dat de hoogleeraren, die het diepst op een quaest ie ingaan en helderheid in hun betoog weten te bewaren, den grootsten invloed op de studenten uitoefenen. Namen behoef ik niet te noemen; uit de geschiedenis zijn zij alle bekend, en voor zoover de leden dezer Kamer aan een Universiteit gestudeerd hebben, weten zij het bij ondervinding.

Dit is het karakter van de Universiteit.

Daarom, wanneer men zijn beginselen krachtig wil doorvoeren, en ik spreek dit uit voor ieder dien het om een beginsel te doen is, dan moet men theoretisch daarvoor zijn, dat men het zuiver uitwerkt aan een Universiteit,

Was ik positivist, wilde ik dus allemetaphy sica en alle geloof geheel op zijde zetten, en zeggen: al mijn wetenschap is alleen op waarneming gegrond, dan zou ik mij innig verheugen wanneer ik een geheel poshivistische Universiteit kon oprichten. Ik had dan gelegenheid om dat beginsel door te voeren, door alle facul teiten heen, en dat beginsel in te brengen, natuurlijk langs den academischen weg, aan mijn leerlingen. Dan kon ik zien welke resultaten dat onderwijs op zulk een positivistische Universiteit na 25, 50 jaren had.

Mij dunkt, geheel in abstracto geredeneerd, zal iedereen mij moeten toestemmen, dat dit het zuiverste zou zijn. Daarom acht ik het theo retisch inconsequent vrije bijzondere scholen te willen hebben voor lager, middelbaar en gymnasiaal onderwijs, maar dan te zeggen: bij de Universiteit houden wij op, want daar kan het beginsel niet doorgaan.

Er is echter nog een ander èn wel een zuiver practisch oogpunt, van waaruit ik meen, dar het goed zou zijn, wanneer men Universiteiten had, gescheiden naar de diepste philosophische en religieuse beginselen. Ik geloof, ook uit een paedagogisch oogpunt zou hot wenschelijk zijn. Misschien verwondert men er zich over, dat ik bij Universiteiten spreek van paedagogie, maar inderdaad, dit zal men mij wel willen toestemmen, dat ook een hoogleeraar wel degelijk moet vragen hoe hij voor zijn leerlingen, dat zijn studenten, ontwikkelde jongelieden van 18 tot 24 jaren of meer, zijn onderwijs zóó zal inrichten, dat het de meeste vruchten draagt. Mij dunkt, dit ligt voor de hand, dit is de plicht van ieder hoogleeraar.

Maar dit kan ik mij niet begrijpen, dat, als dat paedagogische beginsel ook mag en moet gelden aan een Universiteit, ook maar iemand het dan verdedigen kan; dat men heterogene beginselen, die totaal met elkander strijden, te gelijker tijd in dezelfde faculteit, aan dezelfde studenten onderwijzen kan. Dat zal men niet verdedigen voor de lagere school, want juist de wet op het lager onderwijs heeft het uitgesloten en gezegd: het onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders beginselen.

Voor het hooger onderwijs gaat dit natuurlijk niet, maar nu vraag ik, alle partijbelangen er buiten gelaten: is dat een zuiver standpunt, te zeggen, dat vandaag voor de studenten optreedt een hoogleeraar die zegt „a, " en morgen een die zegt: „niet a is het hoogste ? "

Men kan zeggen, en het wordt gezegd: dat moeten de studenten zelf beoordeelen, maar dan vraag ik: wanneer wij billijk zijn en terugzien op hetgeen wij zelf aan de Academie konden, op dien leeftijd van 18 tot 24, toen wij wel gevoel voor beginselen hadden en er onder elkander over oordeelden, meenen wij dan thans, dat wij toen het recht en. bevoegdheid hadden om de portee, de draagkracht van die beginselen te beoordeelen ? Natuurlijk niet. Ouk studenten worden geleid, natuurlijk, maar niet als schoolkinderen aan een leiband, maar ze worden geleid of ze het willen of niet. En van de beste, de diepstgaande hoogleeraren ondergaan zij den invloed het meest.

Nu wensch ik geen hoogleeraar banden aan te leggen, maar alleen dit zou ik willen zeggen : onderwijs vrij uw beginsel, maar zoek een Universiteit, waar gij met gelijkdenkenden dat beginsel onderwijzen kunt.

Laat mij een concreet voorbeeld mogen nemen.

Dezer dagen verscheen een rectorale oratie van een hoogleeraar, dien ik in vele opzichten hoogacht en met wien ik op niet onvriendschappelijken voet verkeer. Ik zeg dit met opzet om uit te sluiten alle denkbeeld van een mogelijk antagonisme. Dit is hier absoluut niet aanwezig.

De mogelijkheid kon echter bestaan en heeft inderdaad bestaan, dat ik naast dien hoogleeraar aan dezelfde Universiteit, in dezelfde faculteit, aan dezelfde studenten les had gegeven. Ik zou dan moeten hooren, dat hetgeen mijn heilige overtuiging is doordien hoogleeraar geheel werd veroordeeld, en ik zeg nog eens : het was zijn recht.

De bedoelde hoogleeraar, dr. J. M. J. Valeton, zegt in zijn rede, „Het oud Romeinsche huwelijk in het licht van het zedelijk oordeel", op bladz. 11: „zoodra hij (bedoeld wordt iemand die „aan eenige openbaring der Almacht buiten die welke in zijn eigen gemoed spreekt en die alleen voor hemzelf bestemd is, bindend zedelijk gezag ('wenscht) toe te kennen") beweert, dat dat gezag niet alleen voor hemzelf (wat hem ten volle vrij staat) maar ook voor anderen, voor allen gelden zou, niet anders doet dan een ijdele poging, om zijn feilbaar menschelijk inzicht met Goddelijk gezag te bekleeden en hetgeen hem zelf en zijn geestverwanten goeddunkt uit te geven voor ordinantiën , Gods". Dat oordeel laat ik geheel en al voor rekening van dezen hoogleeraar, maar veronderstel dat ik in dezelfde faculteit naast hem stond, dan zou het onderwijs van den eenen collega totaal veroordeeld worden door den ander. Deze hoogleeraar stelt een oogenblik later zijn eigen standpunt in het licht: „Wie op mijn standpunt staat, gelooft dus niet, dat er voor de beoordeeling, allerminst de zedelijke beoordeeling van menschefijke zaken een absolute (d. i, voor alle menschen in alle tijden geldige, of wetenschappelijke) maatstaf is af te leiden uit geopenbaarde regels, of uit instellingen van zich eeuwig gelijk blijvende waarde. Hij beschouwt de gebeurtenissen uit het verleden, evenals alle menschelijk denken, gevoelen en handelen, als naar den wil der Almacht voor het menschelijk verstand gebonden door de wet van oorzaak en gevolg". Ik zal de Kamer niet vermoeien met het verder voorlezen uit deze rede; ik heb alleen door een concreet voorbeeld willen aantoonen dat tegenover dezelfde studenten en in dezelfde faculteit personen van geheel verschillende overtuiging naast elkaar kunnen worden geplaatst en dat dit uit een paedagogisch oogpunt is af te keuren.

Meent men dat dit goed kan werken ? Wat is het gevolg ? Dit, dat men een groep studenten zal krijgen, die innerlijk staat tegenover het onderwijs van den eenen hoogleeraar en zegt: ik zal op mijn hoede zijn om mij niet door die beginselen te laten leiden. Daartegenover zal staan een andere groep van studenten, van tegenovergestelde beginselen, die zegt ten opzichte van een ander hoogleeraar: ik moet wel de colleges volgen en examen bij hem doen, maar ik zal mij in acht nemen en mij niet laten leiden door hem wat beginselen betreft. Een derde groep zal zeggen: het kan mij niet schelen, ik bemoei mij met die beginselen niet. Voor hen zal op den duur wel het sceptische standpunt het eenige worden.

Meent men dat daar, waar ontbreekt een open oor en een hart, dat zich geeft, dat uitgaat om te leeren, goed onderwijs kan gegeven worden ? Ik geloof het niet. Meent men echter met mij, dat deze paedagogische eischen noodzakelijk zijn, laat men dan Universiteiten oprichten, waar ieder naar eigen beginsel, in vol vertrouwen zich kan overgeven aan de leiding van de hoogleeraren. Dat kan uit paedagogisch oogpunt alleen hetjuiste standpunt zijn. Daarom meen ik dat degenen, die wel bijzonder onderwijs voorstaan, maar het alleen willen laten doorgaan tot aan de Universiteit, maar bijzondere Universiteiten niet verlangen, dat zij theoretisch zoowel als practisch inconsequent zijn.

Nu is het mijn bedoeling niet op dit oogenblik de vraag te bespreken, hoe deze quaestie kan worden opgelost. In den regel komt men met practische bezwaren en ik geef toe dat er groote bezwaren van practischen aard zijn, die niet gemakkelijk zijn op te lossen. Maar bezwaren te bespreken of te behandelen, de manier waarop die opgelost kunnen worden, is heden mijn bedoeling niet. Het verblijdt mij, dat deze Regeering in het vooruitzicht heeft gesteld een commissie, die verschillende zaken op onderwijsgebied zal behandelen, en een wetsontwerp tot meerdere vrijmaking van het hooger onderwijs. Wanneer dit laatste de Kamer zal hebben bereikt, zal er gelegenheid genoeg zijn over die bezwaren te spreken.

Maar als men het er over eens is, dat het

verstandig is alle onderwijs in overeenstemming te brengen met den wil der ouders en met de geestelijke behoeften der leerlingen, hoogere en lagere, dan eerst kan met goed gevolg onderzocht worden op welke wijze dat beginsel tot uitvoering kan worden gebracht in het Staatsieven.

Ik zal eindigen, Mijnheer de Voorzitter. Ik heb gesproken uit de vaste overtuiging, dat eerst wanneer wij zoover zijn, dat ieder voor zijn eigen beginselen een eigen weg vindt om die uit te spreken en te handhaven in het lager, het middelbaar en het hooger onderwijs, de quaestie die zoovele jaren reeds urgent is, haar oplossing nabij zal zijn gebracht.

Voor dit kloeke woord zij Dr. Woltjer onze dank geboden. Zulk een ernstig, principieel betoog had ook in de Tvireede Kamer geen ondienst gedaan aan ons Christelijk Ministerie. Nu het daar achterwege bleef, was het goed, dat het in de Eerste Kamer aan de orde kwam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 februari 1903

De Heraut | 4 Pagina's

Rede van prof. Woltjer.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 februari 1903

De Heraut | 4 Pagina's