Uit de Pers.
De statistiek van ons keikelijk leven, door het pas verschenen Handboekje ons geboden, geeft in onze pers nog voortdurend stof tot open aanmerkingen.
Zoo schrijft de Amsterdamse he Kerkbode:
Er is in deze opgaven, wat teleurstelt en wat verblijdt.
Teleurstelling is er allereerst over het feit van het nog voortduren van het gedeelde leven op zoovele plaatsen.
Wel kunnen wij gissen, dat de kerkelijke gebeurtenissen gedurende het jongste jaar daarvan voor een goed deel oorzaak zullen zijn, maar toch kan dat waarschijnlijk niet de eenige reden zijn.
Veel meer is de vreeze gewettigd, dat het mede geweten moet worden aan het zwakke besef van de noodzakelijkheid, om aan zulk eenen misstand
een einde te maken. De eisch, om de geestelijke eenheid in den wortel van belijdenis en kerkelijken levensregel in eenheid van de formatie naar buiten te openbaren, wordt helaas zoo weinig gevoeld.
Dat daarvan tal van moeilijkheden het gevolg zijn, blijkt telkens, zeer tot schade van den gang des levens en van den bloei der plaatselijke Kerken ztlven.
Mocht dal meer en beter worden ingezien, opdat een volgende jaargang van het Handboek ons dienaangaande betere berichten brenge!
Verblijdend daarentegen, dat een grooter aantal Kerken er toe zijn kunnen geraken, om eenen eigen Dienaar des Woords te beroepen.
Ook op deze zaak mag wel meer dan tot dus verre in menige classe geschied is, de aandacht worden gevestigd.
Wellicht zoude dan blijken, dat daaraan nog met wel meer vrucht te arbeiden is, dan door gaans gebeurt.
Wij vreezen wel eens, dat de zwakke Kerken teveel aan zichzelven worden overgelaten.
In den regel worde die Kerken, naar wij raeenen te weten, slechts geholpen met d ensten door genabuurde Kerken, op die enkele Zondagen, waarop in haar midden de sacramenten moeten worden bediend.
Dat is doorgaans niet meer dan éénmaal in de drie maanden.
Op de overige Zondagen wordt dan aldoor «gelezen', tenzij heil gezocht worde in eene «oefening".
Wenschelijk ware het wel, zoo een andere weg kon worden ingeslagen.
In vroeger tijd zoch men zooveel mogelijk vacante Kerken te helpen door haar op eiken Zondag in ééne beurt althans vervulling van dienst door eenen Dienaar des Woords te schenken.
Waarom kan dat niet nu weer als regel in ons kerkelijk leven worden aangenomen?
Of, indien dat althans voor het oogenblik nog op .te vele bezwaren stuiten zoude, waarom kan dit dan althans niet om de veertien dagen ge beuren?
In menige classe, waarin slechts weinige vacante Kerken zijn, zou dat toch zeer zeker niet onmo gelijk zijn.
Desnoods konden sommige dassen in ringen worden verdeeld, zoodat de afstanden niet te groot waren, en door gebruik te maken van een particulier vervoermiddel zonder al te veel moeite de Dienaar des Woords twee plaatsen op éénen Rustdag konde bedienen.
De verwachting mag niet ongegrond geacht worden, dat zulk eene schikking aan menige Kerk ten goede zoude komen in vermeerderde belang stelling en ten gevolge daarvan ook in toenemen den bloei en daardoor in winnen van kracht.
Voor de Kerken, die zelven eenen Dienaar hebben, ware daarin gedurende eenigen tijd eenige opoffering zeer zeker gelegen ; maar deze opoffe ring mogen zij toch niet te hoog aanslaan en be hooren zij zich toch ook te willen getroosten ter wille van den zusterlijken band, die alle Kerken saamverbindt.
Menige Kerk is geworden, wat zij is, juist ten gevolge daarvan, dat hare zusters op hare beurt haar soortge ijke hulpe hebben betoond.
Zijn zij dan ook niet geroepen op hare beurt deze vergelding aan - andere Kerken te betoonen?
Geldt cok niet voor de Kerken de regel, dat wie anderen zegent, ook zelf op zijn beurt eenen zegen ontvangt?
Rust roest; die ware spreuk mag ook op kerkelijke erf niet worden vergeten.
Het werk der reformatie mag niet uit het oog worden verloren; en de verzameling onder ééne banier van al het volk, dat uit de gereformeerde beginselen leeft en op kerkelijk terrein in de gereformeerde belijdenis zijne eenheid vindt, moet blijven het begeerde einde, dat men voor oogen houdt.
Geen aangewezen niiddel, om tot dat einde te geraken, mag ongebruikt worden gelaten; en wij meenen, dat eene regeling als door ons werd ter sprake gebracht, zeer zeker daartoe strekken kan.
Een aantal van zes honderd en tachtig Kerken is groot, maar het mag het eindcijfer niet zijn.
Dezen goeden raad mogen onze Kerken ter harte nemen.
Alleen door een geregelde bediening des Woords wordt Christus Kerk gebouwd en uitgebreid.
En de Kerken, die zelve dezen zegen van God ontvingen, hebben te duurder verplichting om van hun rijkdom een deel af te staan aan die zwakkere kerken, die tot het beroepen van een eigen dienaar nog niet durven overgaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 8 februari 1903
De Heraut | 4 Pagina's