„Gij drukt U in de worlelen mijner voeten.”
Gij legt ook mijne voeten in den stok, en neemt waar alle mijne paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten. Job. 13: 27.
Nog altoos stuit het ons bij het lezen, als we in Psalm 39 toekomen aan die harde woorden van David tot zijn God: o. God, wend u van mij af, dat ik mij ver kwikkei
Of is er een meer tegennatuurlijke uitroep denkbaar ?
Mensch en God is de diepste tegenstelling, en alle heilige religie, opkomend uit onze schepping naar Gods beeld, doelt er eeniglijk op, om den mensch met zijn God in de innigste gemeenschap te plaatsen, of waar die gemeenschap verbroken is, ze te herstellen. En hier schreit en schreeuwt de psalmist, die immers nog steeds als de zanger der diepst opgevatte vroomheid geldt, niet om de toenadering van zijn God, maar daarom dat zijn God zich van zijn ziel verwijderen zal, hem zal verlaten, hem rust gunnen, en daardoor de laatste uren van zijn leven, eer hij sterven gaat, zal verkwikken : „Hoor, Heere mijn gebed, en zwijg niet tot mijn tranen, wend u van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga en ik niet meer zij."
In Psalm 42: „Gelijk het hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo dorst mijn ziel naar u, o God /", en hier vlak het omgekeerde: „Wend tl van mij af, opdat mijn ziel zich verkwikke."
Eenerzijds het smachtend begeeren om de tegenwoordigheid van zijn God te genieten, en anderzijds de angstkreet, de smartkreet om van de tegenwoordigheid van zijn God verlost te worden, — zeg zelf, schijnt het op 't eerste hooren niet, alsof het één letterlijk vloekt tegen het ander ?
En toch staat die bittere verzuchting van David niet alleen. In het boek dat aan den psalmbundel voorafgaat, in Job, vindt ge bijna nog pijnlijker uitdrukking voor zulk een doodelijk verpletterend gevoel van de tegenwoordigheid des Heeren, als hij om zijn verterende smart in den diepsten toon uit te schreien, het in vertwijfeling naar zijn God uitroept: „Gij legt mijn voeten in den stok en Gij drukt u in de wortelen mijner voeten",
Op zichzelf ligt er in deze gewaarwording niets vreemds.
Ook goddelooze menschen kennen die angstige ontzetting. Als onverhoeds, plotseling, een doodelijk gevaar hun overvalt, tasten ze als 't ware met de hand die macht van God die op hen aandringt. Bij schipbreuk in volle zee is het telkens en telkens weer gezien, hoe godde looze spotters, die zoo straks nog om hun wijn gezeten met al wat heilig is den spot dreven, plotseling in doodsangst opvlogen, en overluid den uitroep: o. God, o. God! uitstieten, en bleek van schrik om hun leven worstelden.
En al laat ge dien spotter nu varen, bij de gewone lieden, die niet spotten, maar feitelijk toch zonder God in de wereld leven, merkt ge, als ernstige ziekte hun overkomt, of een ramp van diep ingrijpenden aard hen treft, gedurig dezelfde uitwerking; deze namelijk, dat ook zij opeens in zulk een oogenblik ontwaren hoe ze met de vreeslijke, de onbekende macht van dien lang miskenden God te doen hebben, en beven in hun hart.
In ons gewone leven zijn we ons zelven genoeg. We redden ons zelf uit kleine ongelegenheden. We beschikken over de middelen om in den nood van het leven te voorzien. Tegenspoeden van kleinen omvang weten we te boven te komen. En zijn ze overwonnen, dan verhoogt die triomf nog ons besef van zelfgenoegzaamheid.
Onder dit alles voelen we ons vrij en onbeklemd en onbelemmerd. Bij dit al es blijven we onzen eigen heer en meester. We voelen dan een kleine kracht, een kleine macht tegen ons opkomen, en duwen die opzij, en vervolgen frank en vrij en fier onzen weg.
Maar anders wordt dit, als < er gevaren, als er angsten, als er rampen tegen ons opkomen, die ons overmannen, waar we niet tegen op kunnen, • waar geen kruid tegen gewassen is, en waar tegenover we plotseling onze machteloosheid gevoelen.
Dan voelen we ons als aangegrepen door een overmacht die ons overweldigt, die ons neerwerpt, die zich op ons werpt, en die alle tegenworstelen belachelijk maakt en verijdelt.
Die macht plaatst zich dan voor ons als een ongeziene en ongekende tegenstander, die op geheimzinnige wijze ons de pees onzer kracht doorsnijdt, ons met banden als des doods bindt, ons doodelijk beknelt en beklemt, en ons niet anders overlaat dan een gil van ontzetting.
En hoe vreemd nu ook de wereld aan haar God is, in zulke oogenblikken leeft toch in het hart zelfs van den meest verstokte nog de beving voor de Majesteit Gods op. Ze gelooven niet, en toch bekruipt hun een bang gevoel, alsof ze nu toch met dien God te doen krijgen, en juist het innerlijk verwijt dat ze dien God zoolang miskend hebben, maakt die gewaarwording nog banger.
Maar het diepst grijpt die gewaarwording toch den vrome aan, zoodra het geloof hem ont-, zinkt en God zijn ziel voor een oogenbUk loslaat.
Dan is het of God zijn ziel loslaat, maar op hetzelfde oogenblik hem te vaster in zijn lichaam, in heel zijn bestaan, in heel zijnexistentie aangrijpt.
Een man als Job kon zich niets denken, of het kwam hem van God toe. Allen vrede had hij ingedronken als uit een beker door God hem toegereikt. En toen nu de booze dag kwam, en ramp op ramp hem trof, kon hij het niet anders verstaan, of elk van die rampen was een nieuwe pijl door God op den boog van zijn toorn gelegd, om hem diep te treffen en hem doodelijk te wonden.
Doch juist omdat Job zoo innig vroom bestond, kon het daarbij niet blijven. Waar het eerst den indruk op hem maakte, alsof God in zijn toorn nog van verre stond en met pijl na pijl hem uit de verte wondde, ziet hij nu almeer dien God in zijn toorn op hem afkomen, hem naderen, en ten slotte hem persoonlijk als met de hand Zijner almacht aangrijpen.
En op dat oogenblik nu waarop hij voelt dat God in zijn toorn hem als man tegen man genaderd is, hem aangrijpt, en hem wil nederwerpen, verkrijgt zijn vreeze een nog aangrijpender karakter.
Een geweldenaar die Job aangreep, en hem overmande, zou hoogstens zijn voeten in den stok kunnen slaan, en hem daardoor feitelijk machteloos maken, maar nu God hem aangrijpt blijft het daarbij niet.
Nu ontwaart hij iets, alsof God niet voor hem blijft staan en hem uitwendig aangrijpt, maar alsof God met zijn almachtigheid tot in zijn eigen wezen indringt, hem geheel (foördringt, en verstijven doet, zoodat hij ten slotte tot in zijn voetzolen, tot in de wortelen zijner voeten, dien almachtigen God voelt ingedrongen, en zich verpletterd weet door de grimmigheid des Heeren Heeren.
Zóó doodsche benauwdheid nu kan alleen den vrome overkomen.
Aldus wordt God in zijn toorn alleen gevoeld door wie in heel zijn leven het diepst van de mogendheid zijns Gods vervuld was.
Zoo is er tweeërlei ontwaren van Gods hooge tegenwoordigheid; de eene maal in de zalige gemeenschap die met God in de ziel wordt gesmaakt, en een ander maal in de ontzettende gewaarwording van Gods vrreslijke tegenwoordigheid in de bangheden die over Ons komen.
Ging het nu naar onze zonden, en naar dat wij het verdiend hebben, zoo zou uitsluitend die laatste gemeenschap ons deel zijn, de gemeenschap met den heiligen God in zijn verbolgenheid.
In de hel nu zal het eeuwiglijk alzoo zijn.
Juist dat is de hel.
Hier op aarde is nog verstrooiing, is nog afleiding, zijn ons nog allerlei middelen geboden, om de gedachte aan God verre van ons te zet-1 ten, en zelfs de goddeloozen genieten hier op aarde dan nog het ontzettend voorrecht, dat ze helaas zondigen kunnen, zonder door de tegenwoordigheid van God Almachtig meer dan enkele oogenblikken in hun conscientie bekneld en benauwd te worden.
Ze kunnen op aarde nog een scherm tusschen zich en hun God plaatsen, en zoo van God verre zijn.
Maar in de eeuwigheid is dat niet zoo. Daar staan ze van oogenblik tot oogenbUk in de tegenwoordigheid huns Gods. En juist die ontzettende gewaarwording van de tegenwoordigheid huns Gods, zal de worm zijn die nooit sterft, en het vuur dat nooit gebluscht wordt. De hel.
Anders daarentegen is het met wie God reeds op aarde in zijnen vrede bekend heeft.
Hun is genade geschied. Voor hen trekt God zelf zich zoo terug, dat Hij zijn toorn bedekt, zijn vreeslijke majesteit omsluiert, en alzoo, niettegenstaande onze zonden, verkeer en gemeenschap, buiten doodsangst, met Hem mogelijk maakt.
Dan staat tusschen God en het schepsel niet het scherm van de ijdelheid der wereld, maar de Christus, de Verzoener, de Goël, de Midde laar Gods en der menschen. En van daar dat in Christus reeds hier op aarde zalige gemeen
schap met God kan genoten worden. Maar ontzinkt, begeeft u een oogenblik dat geloof, schuift het schild van Christus een oogenblik van voor u weg, en voelt ge u in nood en dood weer plotseling voor de naakte majesteit van God in zijn toorn geplaatst, dan is de gewaarwording der ziel juist in Gods anders vrome kinderen nóg banger en benauwder dan de kinderen der wereld het ooit op aarde doorworstelen.
Dan is Gods kind als voor een oogenblik reeds nu in de bangheid der hel bevangen.
Zoo was het bij Job.
Dat was het wat hij uitriep: „o, mijn God, gij drukt u tot in de wortelen mijner voeten". Dat was het wat David smeekte: „o, mijn God, wend u van mij af, dat ik mij verkwikke eer ik sterve".
En hierin nu is de genade, dat in zulke oogenblikken de Trooster over onze ziel komt, dat het schild van Christus weer voor ons schuift, en dat God, die zijn toorn voor ons flikkeren deed, Zich aan zijn kind in zijn doodsangst weer openbaart als Abba, Vader!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 8 februari 1903
De Heraut | 4 Pagina's