Buitenland.
Frankrijk. Uitingen van atheïsten.
De redevoering van den eersten minister van Frankrijk, Combes, waurbij hij de handhaving van het Concordaat verdedigde, heeft velen verbaasd. Men had verwacht dat de man, die zoo vele Roomsche congregatiën dwong het land te verlaten of hunne inrichtingen te sluiten, ook wel een stap verder zou gaan, om aan de Roomsche kerk en aan andere kerken het staats geld te onthouden. Doch op nuttigheidsgronden wilde Combes daarvan niets weten. Wellicht vreest hij een te sterke reactie van de zijde der Roomsrhgezinden, of meent hij dat hij de Roomsche kerk in een staat van zwakke af hankelijkheid houdt, wanneer zij door staats geld gesteund blijft. Nn kan hij bisschoppen en pastoors die bij gelegenheid van verkiezingen niet handelen naar den zin van het gouvernement, tuchtigen met het inhouden van hun landstractement; wanneer het Concordaat is afgeschaft vervalt dit natuurlijk.
Dat de vrijdenkers in Frankrijk er niet over gesticht zijn dat de millioenen voor de kerken op de begrooting uitgetrokken blijven, blijkt uit hunne organen en wordt ook wel op vergaderingen uitgesproken. Op een < ; ongres te Toulouse gehouden, werd geeischt, dat niet alleen het concordaat zou opgeheven worden, maar dat men door een bijzondere wet ook de congregatiën of geestelijke vereenigingen zou opheffen. Op een congres in Parijs ging men nog een schrede verder; men stelde daar voor, dat allen godsdienstleeraars zou verboden worden iemand te doopen, voordat hij m.ondig was; dat voortaan geen processiën meer werden gehouden en dat ook geen geestelijke in ambtsgewaad in 't openbaar zich zou vertoonen; dat alle geestelijken voor de militairen zouden worden afgeschaft ; dat alle vrije vereenigingen, die door geestelijken geleid worden, zouden worden ontbonden ; dat de openbare weldadigheid alleen door leeken zou mogen worden uitgeoefend; dat alle ambtenaren van den staat verplicht zouden zijn, hunne kinderen naar godsdienstlooze staats scholen te zenden, terwijl men in plaats van den cathechismus voor kinderen, zou maken een wijsgeerigen cursus, met platen, enz.! In een blad, waarin de atheïsten Brisson en Bérenger schrijven, komt de volgende zinsnede voor: „Tegen den priester is alles geoorloofd, want de beschaving is wel verplicht, zich tegen hem te verdedigen. Hij is de dolle hond, dien elk voorbijganger rechtens mag doodslaan, opdat hij de menschen niet bijte, en de kudde niet verderve. Verbanning, levenslange gevangenis, galeien, en kerker, alles is goed, alles is wettig, wanneer het tegen hem wordt aangewend. Het leven van hen, die zich buiten de menschheid gesteld hebben, hoeft niet ontzien te worden."
Zouden de Fransche Gereformeerden niet eindelijk eens gaan inzien, dat niet het clericalisme, maar het atheïsme, de vijand is, tegen welken men kampen moet?
N.Amerika. Eene rectificatie. Nog eens Dr. Cambell Morgan.
Hetgeen wij verleden week omtrent den heer J. Adams mededeelden, dient eenigermate te worden gerectificeerd. Het is ons namelijk gebleken, dat wij in éen punt niet goed waren ingelicht. Wij deelden mede dat de heer Adams voor „een paar niet al te eenvoudige ameublementen" in Nederland aangekocht, voor inko mend recht / 900 betaalde. Men m(> et daaruit afleiden, gelijk ook onze bedoeling was, dat de beurs van den heer Adams door gehouden collecten in Nederland wèlvoorzien moet zijn geweest, vooreerst omdat hij in staat was de ameublementen aan te schaffen, en ook wijl hij bij machte was om zulk een hooge som als inkomend recht te betalen. Toch is dit blijkens nadere berichten nietjuist. De heer Adams kocht in Amsterdam een paar stoelen met trijp, maar hetgeen aan inkomend recht moest betaald worden, gold hoofdzakelijk instrumenten, geneesmiddelen en andere dingen, die hij uit Amerika had meegebracht, waaronder ook veel kleeren. De enorme belasting die in Rusland geheven wordt, soms tot 60 pCt. van de waarde, heeft de som zoo hoog gemaakt.
De hoofdoorzaak waarom het comité, dat zich ten doel gesteld had om Adams' arbeid in Perzië te steunen, besloot zich te ontbinden, is geweest, dat het is gebleken dat genoemde heer het vertrouwen van zeer velen in Amerika en Perzië mist. Maar wij blijven het betreuren, dat dit niet van uit Amerika althans aan de broeders gemeld is. Dat de heer Adams in onze Gereformeerde kringen een geopende deur vond is te wijten aan het feit, dat de broeders die over den heer Adams denken, gelijk De Wachter over hem schreef, dit voor zich zelven gehouden hebben. Laat ons er bij voegen dat omtrent den heer Adams gunstige getuigenissen waren ingekomen, zoodat het niet •e verwonderen is geweest, dat men in Neder land daarop is afgegaan.
Wij meenden het bovenstaande, in gehoorzaamheid aan het negende gebod, niet in de pen te mogen houden.
Er wordt in Gereformeerde en Christelijke kringen van Noord-Amerika vee! gehandeld over het optreden van Dr. Morgan Campbell. In De Hope schreef Prof. Dosker over hem o. m.;
„Een opwekkingsman, in den vollen zin des woords, is hij niet. Geen spoor bij hem van het Methodistische gevoelsleven, dat alles beheerscht. Hij is Congregationalist en verraadt dat slag op slag. Zijne voorstelling der waarheid is intellectueel, zijne methode van spreken en redeneeren is intellectueel. Het gevoel blijft hier steeds dienaresse. Hij spreekt tot de bevinding des geestelijken levens, tot het hart, maar steeds door het verstand.
Hij redeneert, hij overreedt, hij heldert op, hij doet ons de waarheid soms in een geheel nieuw kleed, in een nieuw licht, uit een nieuwen hoek zien.
Geen zweem van opwinding in heel de be weging, hij spreekt bijna uitsluitend tot Gods kinderen.
Opwekkingsman, in den striktsten zin des woords is hij dus niet.
Maar tal van Christenen werden wakkerge schud. Het geestelijk leven rees tot hooger pijl. De dienaren des Woords in Grand Rapids werden zich weer eens bewust van hunne Goddelijke roeping.
De vergadering van 12 Jan. 1.1., die wij bijwoonden, was typisch. Toen sprak hij bijzonder tot de predikanten, die in grooten getale waren opgekomen om hem te hooren. Hij was ver van bekrompen in zijn voorstelling, maar niemand kon zich toch in hem vergissen. Hij wist met wie hij te doen had. Hij gevoelde den bitteren geest van antagonisme, dien hij wist dat in menig hart daar verschoten was tegen het Woord, zooals hij dat predikt.
En met meesterlijken takt drong hij de die naren des Woords die daar tegenwoordig waren, tot de eindelijke overtuiging dat de toestand van maatschappij en Kerk in Amerika per slot van rekening te wijten is aan het gebrek aan zelfbewustzijn en moed, aan het halfhartig optreden van de bediening der Woords in dit land.
Natuurlijk is zijne positie eene inter confessioneele en heeft hij, als Congregationalist, eigenlijk geen belijdenis. Dogmatisch wijkt hij daarom, volgens sommiger denkbeeld, hier of daar zeker af. Maar vergeten wij nooit het diepe verschil tusschen dogma en doctrina, leer en openbaring, de menschelijke voorstelling der waarheid en goddelijke inhoud er van.
Voorts schreef Prof. Dosker nog:
„Tusschen doctrina en dogma, tusschen Schrift en Theologie, blijft altijd een verschil bestaan. Alle belijdenis-schriften en Catechismussen en systemen zijn geheel en al menschelijk, afhankelijk van het licht, dat in het bezit is van hen die ze samenstelden of samenstellen. Er is altijd vooruitgang mogelijk in de theologie. Staat ze stil dan versteent zij, gelijk dat geschiedde in vele Kerken, met name in de Roomsche en andere Kerken.
Het is dus wel degelijk de roeping der theologische hoogleeraren om de theologie, als de wetenschap Gods en Zijne openbaring, tot steeds hooger ontwikkeling te brengen. Het object der theologie is goddelijk, en mitsdien oneindig, en daarom is het laatste woord op aarde in dezen nooit gesproken.
En deze onze opvatting van de theologie onder ons en de beperking harer studie, als een praktische tak van het onderwijs, geheel aangelegd op de bediening des Woords in individueele Kerken, maakt ons lam op dit gebied, en vermeerdert het gevaar, dat onze jonge mannen loopen, wanneer zij in aanraking komen met de fonkelnieuwe begrippen (veelal negatief en gevaarlijk) der Europeesche theologie."
Wat de hoogleeraar hier leert omtrent de belijdenisschriften der Gereformeerde kerk is een in Nederland overwonnen standpunt. Door den arbeid van Dr. A. Kuyper zijn wij er in Nederland toe gekomen om de beteekenis der belijdenisschriften hooger te kunnen waardeeren. Niet één Gereformeerde in Nederland zal bijv. zeggen: de belijdenisschriften die wij hebben, zijn bloot menschelijke geschriften. Als wij gelooven dat de Heilige Geest in de gemeente woont, en dat aan de kerk beloofd is dat die Geest haar leiden zou in alle waarheid en haar nimmer verlaten zou, dan beginnen wij onze confessie met een ander oog te bezien, al S'J: ten wij de mogelijkheid van dwahng niet uit.
Overigens zijn wij het volkomen eens met de klacht die Prof. Dosker doet hooren over het feit, dat men in Amerika afwijkingen van de Christelijke belijdenis, die in de oude wereld reeds lang overwonnen zijn, invoert als splinternieuwe dingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 8 februari 1903
De Heraut | 4 Pagina's