„Immanuël.”
Daarom zal de Heere zelf ulieden een teeken geven: Zie, eene maagd zal zwanger worden, en zij zal eenen zoon baren, en zijnen naam Immanuël heeten. Jesaja 7 : I4.
Niets staat voor velen zoozeer aan innige gemeenschapsoefening met hun God in den weg, als wat aldus de Samaritaansche teSichar van Jezus lippen opving: „God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid."
Al ons voorstellen, en niet minder al ons denken, begint met wat we zien, hooren, rieken of tasten kunnen. Aan wat niet zinlijk is heeft ons denken en ons voorstellen geen vat, en willen we er dan toch over spreken, en het ons toch voorstellen, dan blijft ons geen ander hulpmiddel, dan dat we hetgeen onzienlijk is, vergelijken met iets dat we zien.
We weten dat we een ziel hebben, maar niemand heeft zijn ziel ooit gezien; en zelfs op de vraag, waar onze ziel in onzen peisoon huist, kon nooit anders dan bij benadering worden geantwoord.
Evenzoo staat het met de geestenwereld en met de geesten der ontslapenen.
Zoo goede als gevallen engelen zijn lichaamloos. Ze hebben vorm noch gestalte, waardoor ze waarneembaar zouden zijn. Of een engel ruimte noodig heeft om te bestaan, niemand weet het. Of niet, als we eenzaam op ons ziekbed liggen, duizend engelen met ons in onze ziekekamer kunnen zijn, het is niet uit te maken. Eerst als de engel, om ons te verschijnen, een gestalte ontvangt, is de moeilijkheid opgeheven. Maar zoolang hij nog enkel engel zonder meer is, ontsnapt hij ten eenenmale aan onze waarneming.
Met de in Jezus ontslapenen die van ons gingen, is het niet anders. De gestorvene, wiens lichaam hem ontviel, bestaat tot op de komst des Heeren enkel geestelijk, en ook omtrent de zielen der verstorvenen kunnen we ons begrip noch voorstelling vormen.
En door juist ditzelfde bezwaar nu blijven we dan ook gedrukt, als we ons hart tot onzen God pogen op te heffen.
Ook onze God ontdekt zich niet voor ons zienlijk oog. Hij is de Onzienlijke, omdat Hij Geest en de Vader der geesten is. En juist dit maakt, dat we in den weg van ons gewone weten en ontdekken, onzen God nooit vinden noch ontmoeten kunnen.
De aanraking van onze ziel met onzen God geschiedt op eigen, geschiedt op geestelijke manier.
Geschiedt van zelf in Immanuël.
Wat is het, dat ons onszelven plotseling thuis doet gevoelen, als we in den vreemde onverwachts onze eigene taal door anderen hooren spreken ?
Is het niet het besef, dat die taal een ons met onze landgenooten gemeenschappelijk bezit is, waarin en waaruit we zelf leven ? Feitelijk dus een stuk zelf van ons leven, dat ons met anderen gemeen is, en waarin die anderen ons nader komen, dan iemand die alleen een vreemde taal spreekt, het ooit kan.
Datzelfde voelen we nog veel machtiger tegenover de dieren. Hoog bewerktuigde dieren naderen den mensch op een aanmerkelijke hoogte. In den omgang van een herder of jager met zijn hond, of van een ruiter met zijn paard, komt het niet zelden tot zeer beteekenende verstandhouding. Maar toch, hoe na een enkel maal het dier den mensch dan komen mag, als we, na met het dier ons te hebben ingelaten, weer met den mensch te doen krijgen, ontsluit zich toch terstond een heel ander, veel rijker wereld voor ons. Vleesch van ons vleesch, been van ons been, een ziel als onze ziel. En dit juist schept en verinnigt de gemeenschap.
Vooral werkt dit, als we onder menschen in aanraking komen met dezulken, die met ons van eenzelfden zin en bedoelen zijn. Er zijn onder de menschen groepen, soorten, standen en tal van andere indeelingen. En als men ons nu naderen, meer van nabij kennen wil, zoodat zich over en weer voor gemeenschap het hart ontsluit, dan moet wie ons zoekt met ons tot diezelfde groep, tot diezelfde soort behooren, en als ware het, op de zee van het leven in eenzelfde schee])ke met ons zijn ingescheept.
En dat juist is de beteekenis van Immanuël.
In het Kindeke van Bethlehem nadert God zelf ons in onze natuur, om straks in ónze taal, door ónze gedachtenwereld, en met behulp van ónze voorstellingen zich te doen voelen in ons menschelijk hart naar de gewaarwordingen waarvoor ons menschelijk hart vatbaar is.
In onze natuur. D. w. z. niet van ons wordt geëischt, dat wij, om God te vinden, uit onze natuur zullen uitgaan en enkel geestelijk voor ons besef bestaan zullen. Neen God, onze God wil ons zegenen, en maakt van zijn zijde den overgang die ons gespaard wordt. Niet wij gaan tot Hem, maar Hij komt tot ons. Niet wij moeten ons tot Hem opheffen, maar Hij daalt tot ons neer, om ons daarna tot Zich op te trekken. Hij gaat in onze natuur, neemt die natuur aan, en ligt in de Kribbe van Bethlehem met een bestaan gelijk onze menschelijke natuur dit met zich brengt.
Aldaar is de afstand tusschen onzen God en ons weggenomen. De spanning en inspanning om het louter geestelijke geestelijk te grijpen, wordt ons gespaard. Wat we ontwaren is menschelijke natuur, wat we straks beluisteren is menschelijke taal, wat we waarnemen zijn menschelijke levensuitingen, en door en achter dit alles speelt en schittert een ongekende glans, een geheimzinnig hooger, een heilig doorschijnend, doch dat nu niet afstoot, maar veeleer trekt en boeit, omdat het in onze eigen menschelijke natuur ons naderbij komt.
Zoo is die menschelijke natuur van Immanuël niet slechts een scherm om de te helle glansen te temperen, neen, ze is het middel en instrument, om ons het Goddelijk leven intiem en innig tot bij ons eigen hart te brengen.
Het is of de menschelijke natuur in ons zich met de menschelijke natuur in /'ezus vereenigt, om alzoo God en onze ziel in onmiddellijke aanraking te brengen.
We zeggen niet, dat dit op zichzelf noodzakelijk was. Veeleer scheen het feit, dat we naar Gods beeld geschapen zijn, ons alles te schenken, wat voor onze gemeenschap met God onmisbaar was.
Doch vergeet niet, hoe de zonde dat beeld Gods verdierf.
En nu, in dien verzwakten, in dien ontredderden toestand kon alleen een vinding van heilige genade de leemte aanvullen, en dit is geschied in Immanuël, in het komen van onzen God tot ons in het behulpsel van onze menschelijke natuur.
Dat dit moest, sprak zelfs de afgoderij uit, toen ze in een beeld van een mensch zich den Heere van hemel en aarde afbeeldde; en daarom kon alleen de Christelijke rehgie alle afgoderij en heidendom ternederwerpen, daar immers alleen de Christelijke religie ons in Immanuël het waarachtige beeld van God hergeeft. Iets waar de uitkomst het zegel op heeft gezet Of is het niet zoo, dat het alleen onder Christus tot die innige gemeenschap met den levenden God is gekomen, die zich in lied en toonstuk zoo telkens heerlijk heeft geuit.
Buiten Immanuël is er philosophic over God. Buiten Immanuël is er verloochening van God, of is er hoogstens afgoderij en koel Deïsme.
In en door Immanuël alleen is er een leven in en met God vol gloed, verheffing en bezie-Ung.
In Immanuël nadert God ons tot in ons eigen natuurbestaan, en door Immanuël klimt onze ziel uit die natuur tot den Vader der geesten geestelijk op.
In Immanuël is de doorgang, niet het eindpunt.
Het begint met Jezus, maar het eindigt daarmede, dat de Vader zelf woning bij ons maakt, als ook voor uw ziel de dag aanbreekt, waarvan Jezus zeide : „In dien dag zeg ik niet dat ik den Vader voor u bidden zal, want de Vader zelf heeft u lief".
Dan ontplooit zich de rijke werkzaamheid des Heiligen Geestes, van den Trooster die niet komen kon eer Jezus verheerlijkt was.
Zij er daarom nietsgemaaktsof gemaniëreerds in ons zoeken van onzen God.
Niet een opzettelijk, voorbedachtelijk naar Jezus uitgaan met onze voorstelling, om zoo eerst de gemeenschap met onzen God te vinden.
Wat Immanuël ons aanbrengt is de verzoe ning, zoodat we weer durven naderen, en tegelijk het Goddelijke in de menschelijke natuur, zoodat we weer kunnen naderen. Wat we hem danken is het Woord, is de rijke wereld van voorstellingen en gedachten, is de ons toevloeiende vrucht van zijn werk, de toestrooming van krachten des Koninkrijks, die ons innerlijk vernieuwt.
Maar onder en bij dat alles blijft de persoonlijke aanraking, de eigenlijke gemeenschap met onzen God altoos een verborgen geestelijke aandoening, zoodat we innerlijk zijn stem hooren, en we met Job kunnen zeggen: Nti ziet U mijn oog.
Het van man tot man met onzen God verkeerd hebben.
Jacob bij Pnïel!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 22 februari 1903
De Heraut | 4 Pagina's