Recensiën.
M. J. WiESSiNG, Ons koloniaal beleid in de naaste toekomst. Wat verwacht Indië van ons Christelijk Ministerie ? Batavia, F. B. Smits, 1902. In verband met de troonrede van het vorige jaar, waarin de Regeering beloofde te doen wat in haar macht is om de stoffelijke en geestelijke welvaart van Indië te bevorderen, geeft de heer Wiessing belangrijke wenken aan ons Christelijk Ministerie. In hoofdzaak wordt gewezen op twee punten : lO. het hebben van een eigen munt voor Indië; 2". het afschaffen van de koelie-contracten, die weinig beter zijn dan een verkapte slavernij. Wat de heer Wiessing meedeelt aangaande den toestand der koelies in Deli stemt geheel overeen met de klacht van den heer Brandt. Wel heeft men getracht in, Nederland de klachten van den heer Brandt als overdreven voor te stellen en hem in Indië geboycot, maar de feiten waarop ook de heer Wiessing zich beroept, eischen een nauwkeurig onderzoek. Dat er in Deli something rotten is, kan niet Vv^orden ontkend. Moge de hooge verwachting, die de heer Wiessing heeft van ons christelijk ministerie ook voor Indië, niet worden beschaamd!
Ds. G. WISSE JR. „NaarstigUjk komen" tot de Gemeente Gods. Boekdrukkerij „de Vecht" 1902, Breukelen.
In deze brochure, die om haar eenvoudigen vorm en geringen prijs zich «eer goed tot ver spreiding leent, wekt Ds. Wisse de gemeente op om naar het woord van den Catechismus naarstiglijk tot de gemeente Gods te komen. Het heerlijke voorrecht, dat God in de saam vergadering der geloovigen ons schenkt, wordt op uitnemende wijze geteekend. Het moet de dorst zijn naar de gemeenschap met God en Zijn volk, die ons naar het bedehuis drijft. En wie die behoefte kent, zal in deze saamkomsten een rijken zegen ontvangen en dan ook niet verzuimen elke bediening des Woords even goed in de morgen als in de avondgodsdienstoefening bij te wonen. Voorts bespreekt Ds. Wisse nog vele practische vragen, zooals het meenemen naar de kerk van kleine kinderen, het loopen naar andere predikanten, waar men meer zegen meent te hebben, en geeft daaromtrent goede wenken. In onzen tijd, waarin de kerkgang zoo in verval is, kan dit geschrift uitnemenden dienst bewijzen.
G. A. ALERS, Nieuwe Banen in de Zendingspractijk. Zendingsdrukkerij te Ermelo, 1903. Een pittig gesteld referaat, waarin Ds. Alers, die zelf meebestuurder is van het Ned. Luth. Genootschap voor In-en Uitwendige Zending, nieuwe banen voorstelt, waarop de Zending zal te wandelen hebben. Om den zendingsijver in ons land aan te wakkeren, stelt hij voor, dat in elke provincie de predikanten, die voor de Zinding hart hebben, zich vereenigen en door bidstonden, brochures enz. propaganda drijven. Ieder lid der Kerk moet lid der Zendingsvereeniging worden en het lidmaatschap niag niet van contributies afhankelijk worden gemaakt. In de tweede plaats moeten de be stuurders der zendingsvereenigingen in en uit den kerkeraad gekozen worden, opdat de zen d'ng zooveel mogelijk van het „kerkbestuur" uitga. Voorts moet er een internationaal congés van Zendingsbesturen gehouden worden, dat het Zendigsterrein verdeelt. Een land als Nederland, dat koloniën heeft, behoort in de eerste plaats voor deze koloniën te zorgen, Vooral West-Indie mag niet langer verwaarloosd worden. En wat eindelijk het zendingsterrein ze'f aangaat, zoo wil Ds. Alers, dat de Christe nen in Indië zelf het zendingswerk ter hand nemen en elke gemeente van inlandsche christenen weer een nieuwe zendingskerk worde.
Geheel „nieuw" zijn deze banen niet. De onhoudbare positie van een genootschap naast de Kerk wordt door Ds. Alers te recht ingezien en daarom worden allerlei kunstmiddelen voorgeslagen, om zendingsgenootschap en kerk te vereenigen. Wij waardeeren dat, maar de vraag komt onwillekeurig op, waarom niet, evenals in de Gereformeerde Kerken, de Kerk zelve het Zendingswerk op zich kan nemen? Dat nu ware een „nieuwe baan, " die al deze kunstmiddelen overbodig maakt. Intusschen bevat dit boekske voor onze Zendingsvrienden veel wat behartiging verdient. Ook onze Zending doe er winste mee.
Ds. J. BAVINCK, De algeheele heiliging van de geloovigen, de wensch van den Dienaar des Evangelies. Afscheidswoord uitgesproken den 25 Januari 1903. Kampen, J. H. Kok, 1903.
Dit afscheidswoord van den grijzen Dienaar, die bijna 55 jaar in den Dienst des Woords werkzaam is geweest, zal niet zonder aandoening door Kampen's Gemeente zijn aangehoord. Ds, Bavinck toont ook in deze predikatie, dat hij dienaar des Woords is. Over zich zelf en zijn ambtelijk leven wordt weinig gesproken, maar het woord Gods wordt uitgelegd en toegepast. Dit geschiedt met een teederheid van gemoed, een nauwgezetheid van onderzoek, en een klaarheid van voorstelling, die menig jonger predi kant tot voorbeeld kan strekken. Moge dit afscheidswoord niet alleen in Krimpen, maar ook daarbuiten nog tot zegen zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 22 februari 1903
De Heraut | 4 Pagina's